Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:304

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
12/01806
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2148, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:5267, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude, art. 225 Sr. Slagende bewijsklacht opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0080
RvdW 2014/355

Uitspraak

11 februari 2014

Strafkamer

nr. 12/01806

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 november 2011, nummer 20/004016-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2.

Bij de bestreden uitspraak heeft het Hof, met aanvulling van gronden, het vonnis van de Rechtbank bevestigd waarbij ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"meermalen in de periode van 6 februari 2002 tot en met 30 oktober 2003, in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een "Periodieke verklaring", welke verklaring/welk formulier bestemd was om, na te zijn ingevuld en ondertekend, te dienen tot bewijs van de juistheid van de daarin vermelde gegevens en tot grondslag voor het oordeel of en in hoeverre hij, verdachte, en zijn mededader in aanmerking bleven komen voor een uitkering uit hoofde van de Algemene Bijstandswet (Awb), valselijk hebben opgemaakt, aangezien hij, verdachte, en zijn mededader opzettelijk in strijd met de waarheid de op die verklaring/dat formulier gestelde vragen:

"Is het vermogen van u en/of uw partner en/of uw kind(eren) in deze periode toegenomen?"

en/of

"Heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten genoten uit arbeid/zelfstandig beroep/bedrijf of heeft u en/of uw partner in deze periode andere inkomsten genoten? Indien Ja dient u soort inkomen, bedrag, periode, ontvanger en verstrekker in te vullen."

hebben beantwoord met "nee", en die verklaring/dat formulier hebben ondertekend, een en ander met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken."

2.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de in het bevestigde vonnis opgenomen bewijsvoering, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5, waarin onder meer is overwogen:

"Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Periodieke verklaringen heeft ondertekend. Hij heeft voorts verklaard dat hij wist dat [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode maandelijks geld van haar vader of haar oom ontving. Dit geld was volgens hem bedoeld om de woonlasten van de eigen woning te dekken. Het was de bedoeling dat de ontvangen bedragen zouden worden terugbetaald. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij het ontvangen geld bewust niet op de bovengenoemde Periodieke verklaringen heeft ingevuld. Hij dacht dat dit niet nodig was, aangezien de Sociale Dienst volgens hem van de betalingen op de hoogte was. Ook [medeverdachte] heeft verklaard dat zij geld van haar vader en oom kreeg als bijdrage in de woonlasten. Evenals verdachte heeft zij de ontvangen bedragen bewust niet op de Periodieke verklaringen vermeld, omdat zij dacht dat zij dit geld niet hoefde op te geven aan de Sociale dienst.

Gelet op het bovenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte] opzettelijk hebben nagelaten de ontvangen bedragen op de Periodieke verklaringen te vermelden en aldus hebben nagelaten dit geld op te geven aan de Sociale Dienst."

2.4.

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid de op de in de bewezenverklaringen genoemde formulieren gestelde vragen met "nee" heeft beantwoord. De bewezenverklaringen zijn dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.5.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 11 februari 2014.