Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3015

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2014
Datum publicatie
24-10-2014
Zaaknummer
13/04559
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:687, Gevolgd
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBROT:2013:5956, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Waterschapswet; art. 117, lid 1, onderdeel d, art. 118, lid 1, onderdeel a en art. 122a Waterschapswet. Art. 17, lid 4, Wet WOZ. Gebouw in aanbouw is een “gebouwd eigendom” in de zin van de Waterschapswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2144
Belastingblad 2014/472 met annotatie van M.R.P. de Bruin
V-N 2014/55.29 met annotatie van Redactie
BNB 2015/40 met annotatie van S. BOSMA
FutD 2014-2461 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2014/2675 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 oktober 2014

nr. 13/04559

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2013, nrs. DOR 12/706, DOR 12/707 en DOR 12/708, betreffende aanslagen in de waterschapsbelastingen (watersysteemheffing en wegenheffing) voor de jaren 2009 tot en met 2011 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 juni 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Het dagelijks bestuur van het waterschap Hollandsche Delta heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2009 tot en met 2011 aanslagen in de watersysteemheffing en wegenheffing opgelegd naar het tarief voor gebouwde onroerende zaken.

2.1.2.

De voormelde aanslagen hebben betrekking op een ziekenhuis in aanbouw dat in de loop van 2011 is gereedgekomen.

2.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar van het waterschap Hollandsche Delta de aanslagen terecht heeft opgelegd naar het tarief voor gebouwde onroerende zaken. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat het begrip ‘gebouwd eigendom’ in de Waterschapswet overeenkomstig het gelijkluidende begrip in de Wet WOZ moet worden uitgelegd. Hiertegen richten zich de middelen, die betogen dat een ziekenhuis in aanbouw voor toepassing van de Waterschapswet een ongebouwd eigendom is en de aanslagen daarom naar het lagere tarief voor ongebouwde onroerende zaken moeten worden berekend.

2.3.1.

Bij de behandeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld.

2.3.2.

Ingevolge artikel 117 (met ingang van 1 oktober 2010: lid 1), aanhef en letter d, van de Waterschapswet wordt de watersysteemheffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken. Volgens artikel 118, lid 1, aanhef en letter a, van de Waterschapswet, wordt een gebouwd eigendom aangemerkt als één onroerende zaak als bedoeld in dit onderdeel van artikel 117.

2.3.3.

In de Waterschapswet wordt geen nadere invulling gegeven aan de begrippen ‘gebouwde onroerende zaken’ en ‘gebouwd eigendom’.

2.3.4.

Ter gelegenheid van de invoering van de Wet WOZ is een aantal belastingwetten, waaronder de Waterschapswet, gewijzigd bij de Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Aanpassingswet). Met betrekking tot gebouwde eigendommen is sindsdien in de Waterschapswet vastgelegd dat de heffingsmaatstaf wordt gevormd door de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ. Voor de watersysteemheffing staat dit in artikel 121, lid 1, aanhef en letter d, van de Waterschapswet.

2.3.5.

De Aanpassingswet strekt ertoe de desbetreffende belastingwetten af te stemmen op de systematiek van de Wet WOZ om zo efficiencyvoordelen en een kwaliteitsverbetering te bereiken (zie de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1996-1997, 25 037, nr. 3, blz. 2). Gelet op deze strekking moet ervan worden uitgegaan dat de wetgever ook een begripsmatige afstemming tussen de betrokken wetten voor ogen heeft gestaan. Waar mogelijk moeten daarom gelijkluidende begrippen in de Wet WOZ en de daarmee samenhangende belastingwetten en –verordeningen op gelijke wijze worden uitgelegd. Dat heeft ook te gelden voor artikel 17, lid 4, van de Wet WOZ, welke bepaling ervan uitgaat dat een in aanbouw zijnd gebouw als het onderhavige als een gebouwd eigendom wordt aangemerkt. Een dergelijk object moet dan ook worden gerekend tot de gebouwde onroerende zaken, bedoeld in artikel 117, (lid 1,) letter d, van de Waterschapswet.

2.3.6.

Het middel doet onder meer een beroep op een andersluidende opvatting in het arrest van de Hoge Raad van 25 november 1998, nr. 33944, ECLI:NL:HR:1998:AA2573, BNB 1999/19. In onderdeel 3.3 van dat arrest is overwogen dat een opstal die nog in aanbouw is niet kan worden aangemerkt als een gebouwd eigendom in de zin van het Besluit gemeentelijke onroerendezaakbelastingen (tekst 1993). Deze uitleg van het begrip gebouwd eigendom verdraagt zich niet met het begrippenkader in de Wet WOZ en de daarmee samenhangende belastingwetten. De Hoge Raad vindt daarin aanleiding om in zoverre van die uitleg terug te komen.

2.3.7.

Hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de uitleg van artikel 117, (lid 1,) letter d, van de Waterschapswet heeft op overeenkomstige wijze te gelden voor de betekenis van de overeenkomstige bepalingen uit de hier toepasselijke verordeningen wegenheffing, gebaseerd op artikel 122a, lid 2, aanhef en letter d, van de Waterschapswet.

2.4.

Gelet op het hiervoor in onderdeel 2.3 overwogene, falen de middelen.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, R.J. Koopman, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2014.