Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:3000

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
13/04271
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:501, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2011:BR4945, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHSHE:2015:3603
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Uitleg grondslag vordering. Is de loonvordering, behalve op de CAO, ook gebaseerd op art. 7:629 lid 1 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/774
RvdW 2014/1161
JWB 2014/369
NJB 2014/1910
JAR 2014/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 oktober 2014

Eerste Kamer

13/04271

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.K. van der Brugge,

t e g e n

MEGA CARBON CONSTRUCTIONS B.V.,
gevestigd te Zutphen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en MCC.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 364535 CV EXPL 09-746 van de kantonrechter te Zutphen van 30 juni 2009 en 26 januari 2010;

b. de arresten in de zaak 200.065.854 van het gerechtshof Arnhem van 26 juli 2011, 31 juli 2012 en 23 april 2013.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 23 april 2013 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen MCC is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 5 juni 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [eiser] is op 1 december 2006 in dienst getreden van Mega Alu Systems B.V. (hierna: MAS) in de functie van algemeen medewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden, met een arbeidsduur van minimaal één uur met uitloop tot 38 uur per week. De arbeidsovereenkomst is op 1 maart 2007 en op 1 juni 2007 stilzwijgend verlengd. Op 1 augustus 2007 hebben [eiser] en MAS een arbeidsovereenkomst gesloten voor de periode tot 1 maart 2008, met een arbeidsduur van 20 tot 38 uur per week.

(ii) Op 1 maart 2008 hebben [eiser] en MCC een arbeidsovereenkomst gesloten voor de periode tot 1 maart 2009, met een arbeidsduur van 30 uur per week.

(iii) De arbeidsovereenkomsten zijn namens MAS, respectievelijk MCC, ondertekend door [betrokkene 1], directeur van MAS en MCC.

(iv) Sinds 29 oktober 2008 is [eiser] wegens ziekte arbeidsongeschikt.

( v) Bij brief van 30 oktober 2008 heeft [betrokkene 1] namens MCC de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 maart 2009. Bij brief van 1 december 2008 heeft de gemachtigde van [eiser] aan MCC medegedeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die niet door opzegging per 1 maart 2009 kan worden beëindigd.

3.2.1

[eiser] heeft onder meer gevorderd dat MCC wordt veroordeeld tot betaling van het bruto maandloon (€ 1.613,54) over de maanden januari en februari 2009 onder aftrek van gedane betalingen, van het bruto maandloon (€ 1.613,54) op de overeengekomen wijze en tijdstippen over de maanden daarna voor zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, en van de wettelijke verhoging (art. 7:625 BW) voor zover de betalingen achterstallig zijn met inachtneming van de door de wet gegeven berekening daarvan en met een maximum van 50%.

3.2.2

De kantonrechter heeft de vorderingen tot loonbetaling geheel toegewezen, en de gevorderde wettelijke verhoging beperkt tot een maximum van 10%.

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen alsnog afgewezen. Daaraan heeft het hof, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [eiser] niet heeft bewezen dat op de arbeidsovereenkomst met MCC de (algemeen verbindend verklaarde) CAO Metaalbewerking (klein metaal) van toepassing is (rov. 2.6).

3.3

Middel I klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiser] niet heeft bewezen dat de CAO Metaalbewerking van toepassing is op zijn arbeidsovereenkomst met MCC. De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4

Middel II, dat is voorgesteld voor het geval middel I niet slaagt, klaagt onder meer dat het hof de vordering niet geheel had mogen afwijzen zonder te onderzoeken of zij op grond van art. 7:629 lid 1 BW gedeeltelijk toewijsbaar was, aangezien vaststond dat [eiser] wegens ziekte was verhinderd om zijn werkzaamheden te verrichten.

3.5.1

Blijkens de gedingstukken heeft [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering samengevat het volgende gesteld. Hij heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met MCC en is wegens ziekte arbeids-ongeschikt. Hij maakt aanspraak op doorbetaling van 100% van het loon volgens de cao (in eerste aanleg: de CAO Metalelektro, in hoger beroep: de CAO Metaalbewerking) en op de wettelijke verhoging bij achterstallige betaling. [betrokkene 1] betaalde het salaris steevast te laat, waardoor [eiser] ieder maand weer in de problemen kwam met het voldoen aan zijn financiële verplichtingen. [betrokkene 1] heeft bovendien over januari en februari 2009 slechts 70% van het loon betaald.

Deze stellingen, bezien in samenhang met het hiervoor in 3.2.1 samengevat weergegeven petitum, laten geen andere uitleg toe dan dat [eiser] veroordeling van MCC verlangt tot betaling van loon met nevenvorderingen, primair voor 100%, met toepassing van cao-bepalingen, en subsidiair gedeeltelijk op de voet van art. 7:629 lid 1 BW.

3.5.2

Nadat het hof had geoordeeld dat aan [eiser] geen beroep toekwam op de CAO Metaalbewerking, is het niet ingegaan op de vraag of de vordering gedeeltelijk toewijsbaar was. Als het hof dit niet heeft gedaan omdat het van oordeel was dat art. 7:629 lid 1 BW daarvoor geen grondslag kon bieden, is het van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Het hof had immers reeds vastgesteld dat tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en de arbeidsongeschiktheid van [eiser] wegens ziekte was niet in geschil. Als het hof op andere gronden van oordeel was dat voor gedeeltelijke toewijzing van de vordering onvoldoende grond bestond, is zijn oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd.

3.6

De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 april 2013;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt MCC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 483,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 17 oktober 2014.