Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2977

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
13/00765
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1590, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:28, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 3.25 Wet IB 2001. Afwaarderingsverlies wegens omvorming van landbouwgrond in bosgrond?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2014/54.10 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2014/2075
BNB 2015/23 met annotatie van P.H.J. Essers
FutD 2014-2405
NTFR 2014/2570 met annotatie van Dr. A.W. Hofman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 oktober 2014

nr. 13/00765

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2013, nrs. 11/00175 en 11/00176, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden (nrs. AWB 09/2377 en AWB 09/2576) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 1995 en 1996 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 28 november 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende exploiteerde samen met zijn broer in maatschapsverband een landbouwbedrijf. In elk van de jaren 1994, 1995 en 1996 hebben belanghebbende en zijn broer percelen landbouwgrond die tot dan toe werden gebruikt in het landbouwbedrijf (hierna: de grond) omgevormd tot blijvend bos. Voor de aanplant van bomen op de grond en de exploitatie van het bos zijn in die jaren aan belanghebbende diverse subsidies toegekend (hierna: de subsidies), waaronder aanplantsubsidies en – voor een periode van twintig jaar - inkomenssubsidies.

2.1.2.

In zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de onderhavige jaren (1995 en 1996) heeft belanghebbende in verband met de hiervoor in 2.1.1 genoemde omvorming een boekverlies wegens waardevermindering van de grond ten laste van de winst uit de door hem gedreven landbouwonderneming gebracht. Het bedrag van de subsidies, verminderd met de in het desbetreffende jaar gemaakte kosten van het aanplanten van bomen, is in de jaarrekening vermeld als "onbelaste privé-ontvangsten".

Bij het opleggen van de onderwerpelijke aanslagen heeft de Inspecteur voormeld boekverlies gecorrigeerd.

2.1.3.

Met het oog op de beslechting van het tussen hen gerezen geschil over de hiervoor in 2.1.2 bedoelde correctie hebben belanghebbende en de Inspecteur in de bezwaarfase een vaststellingsovereenkomst gesloten tot minnelijke waardering van de grond. Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft een gezamenlijke taxatie plaatsgevonden. In het daarvan opgemaakte taxatieverslag (hierna: het taxatieverslag) is het volgende vermeld:

"De taxatie is bedoeld om inzicht te verstrekken in de waarde van het object ten tijde van de omvorming van de voormalige landbouwgrond naar grond met de bestemming "bos- en natuurdoeleinden". Het betreft de vrije verkeerswaarde als landbouwgrond en de vrije verkeerswaarde als aangeplant bos. (…) Tevens hebben wij de contante waarde per ha. van 20 periodieke uitkeringen vastgesteld.

(…)

Waarden

1994

1995

1996

- Landbouwgrond/ha.:

€ 10.500

€ 11.000

€ 12.000

- Bosgrond/ha.:

€ 2.500

€ 2.750

€ 3.000

 

Contante waarde van de uitkeringen in:

1994 € 535.000,-

1995 € 463.000,-

1996 € 1.040.000,-".

2.2.

Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat tussen partijen niet langer in geschil is dat door de omvorming van de grond in bos in de jaren 1994, 1995 en 1996 belanghebbende in elk van de onderhavige jaren zijn onderneming in zoverre gedeeltelijk heeft gestaakt. Hiervan uitgaande heeft het Hof als volgt geoordeeld.

Voormelde vaststelling betekent dat de bestemmingswijziging van de grond steeds tijdens het bestaan van de landbouwonderneming heeft plaatsgevonden en dat de grond in het kader van de gedeeltelijke staking van de onderneming als bosgrond is overgebracht naar de voor belanghebbendes rekening gedreven bosbouwonderneming. Dit brengt mee, aldus nog steeds het Hof, dat bij de beantwoording van de vraag of bij de gedeeltelijke staking sprake is van een boekverlies niet als uitgangspunt dient de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van de grond, maar de boekwaarde van de (bos)grond.

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of op de grond een boekverlies is geleden de boekwaarde van de (bos)grond moet worden afgezet tegen de waarde in het economische verkeer ten tijde van de staking. Voor de vaststelling van deze laatstbedoelde waarde heeft het Hof het taxatieverslag tot uitgangspunt genomen en geoordeeld dat moet worden uitgegaan van de in het taxatieverslag vermelde waarde als bosgrond, waarbij naar het oordeel van het Hof die waarde is vastgesteld zonder rekening te houden met de (contante waarde van) de toegezegde subsidies. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat bij de vaststelling van de waarde in het economische verkeer ten tijde van de staking(en) rekening moet worden gehouden met de ontvangen bosbouwsubsidies, aangezien een potentiële koper zijn koopprijs daarop mede zou hebben gebaseerd.

Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat reeds indien uitsluitend rekening wordt gehouden met de aanplantsubsidies (en de inkomenssubsidies buiten beschouwing worden gelaten) de waarde in het economische verkeer van de grond hoger ligt dan de boekwaarde daarvan.

Op bovenstaande gronden heeft het Hof geconcludeerd dat van een boekverlies op de grond geen sprake is.

Tegen deze oordelen richt zich het middel.

2.3.1.

Het Hof heeft vastgesteld dat sprake is geweest van gedeeltelijke staking van de landbouwonderneming en geoordeeld dat de bestemmingswijziging van de grond steeds tijdens het bestaan van de landbouwonderneming heeft plaatsgevonden. Deze vaststelling en dit oordeel worden in cassatie niet bestreden. Hiervan uitgaande geeft ‘s Hofs hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel over de (vaststelling van de) waarde in het economische verkeer van de grond ten tijde van de staking geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

‘s Hofs vorenbedoelde oordeel berust voor het overige op zijn uitleg van de vaststellingsovereenkomst en het taxatieverslag. Deze uitleg kan, als voorbehouden aan het Hof en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

Op grond van het hiervoor overwogene faalt het middel voor zover het opkomt tegen ‘s Hofs oordeel dat geen boekverlies op de grond is geleden.

2.3.2.

Voorts bepleit het middel dat het Hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of door de bestemmingswijziging een waardedaling ontstond die ten laste van de winst kan worden gebracht.

Van een om deze reden in aanmerking te nemen verlies kan in een geval als het onderhavige alleen sprake zijn indien de waarde in het economische verkeer van de bij de gedeeltelijke staking aan het ondernemingsvermogen onttrokken grond lager is dan de boekwaarde van die grond op dat moment (vgl. HR 17 maart 1965, nr. 15349, BNB 1965/160). Het hiervoor in 2.3.1 overwogene brengt daarom mee dat het Hof niet was gehouden een oordeel te geven over een waardedaling van de grond ten gevolge van de bestemmingswijziging. Het middel kan derhalve ook in zoverre niet tot cassatie leiden.

2.3.3.

Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2014.