Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:296

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
12/03409
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:39
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:1699, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Overschrijding redelijke termijn. Het middel, dat klaagt over ’s Hofs oordeel dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de vaststelling dat tijdens de behandeling van de zaak in e.a. de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden, is op de gronden vermeld in de conclusie van de A-G onder 7 en 8 terecht voorgesteld. De HR doet om doelmatigheidsredenen de zaak zelf af en vermindert de opgelegde betalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0073
RvdW 2014/387
NJ 2014/135
JOW 2015/6

Uitspraak

11 februari 2014

Strafkamer

nr. 12/03409 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juni 2012, nummer 23/002736-10, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de vaststelling dat tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

3.2.

De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot het in het middel bedoelde oordeel van het hof in hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 is weergegeven.

3.3.

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 en 8 is het middel terecht voorgesteld.

3.4.

De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 190.300,-. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting verminderen met € 5.000,-.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 185.300,- bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2014.