Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2929

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
13/02588
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:674, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8567, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Beëindiging kredietovereenkomst door bank rechtsgeldig? Beroep op derogerende werking redelijkheid en billijkheid, art. 6:248 lid 2 BW. Maatstaf. Mag bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de beëindiging onderscheid worden gemaakt tussen verschillende onderdelen van de kredietovereenkomst? Grenzen van de rechtsstrijd; belang bij klacht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/8 met annotatie van mr. R.I.V.F. Bertrams
JIN 2015/13 met annotatie van M. Teekens
NTHR 2015, afl. 2, p. 116
NTHR 2015, afl. 1, p. 47
Ars Aequi AA20150480 met annotatie van R.M. Wibier
TvPP 2014, afl. 6, p. 193
RF 2015/2
RvdW 2014/1127
NJB 2014/1963
RCR 2015/1
RI 2015/22
NJ 2015/70
TvI 2015/38
JOR 2015/8 met annotatie van mr. R.I.V.F. Bertrams
Bb 2016/54.8

Uitspraak

10 oktober 2014

Eerste Kamer

nr. 13/02588

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mr. A. Knigge en mr. B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

1. [verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [verweerster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [verweerster 3],
gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. S.M. Kingma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ING Bank en [verweerster] c.s.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 455383/HA ZA 10-1090 van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2010 en 19 oktober 2011;

b. het arrest in de zaak 200.099.072/01 van het gerechtshof Amsterdam van 12 februari 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft ING Bank beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaten van ING Bank hebben bij brief van 4 juli 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van worden uitgegaan van de in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2 vermelde feiten. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

(i) Tussen ING Bank en [verweerster] c.s. is een kredietfaciliteit van in totaal € 2.410.000,-- overeengekomen, bestaande uit een rekening-courantkrediet voor onbepaalde tijd en een tweetal rentevaste leningen voor bepaalde tijd.

(ii) Op de kredietovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen van Kredietverlening (hierna: ABK) en de Algemene Voorwaarden opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: ABV) van toepassing.

De ABK houden onder meer het volgende in:

Artikel 11. Vervroegde opeisbaarheid

11.1

De Kredietfaciliteit eindigt automatisch en alle bedragen die uit hoofde van de Overeenkomst zijn verschuldigd, zijn terstond en ineens opeisbaar zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, indien één van de volgende gebeurtenissen zich voordoet:

a. de Kredietnemer komt een aflossings-, rente- of andere verplichting uit hoofde van de Overeenkomst, of enige andere met de Bank gesloten overeenkomst niet, niet tijdig of niet behoorlijk na; (…)

(…)

11.2

In geval van vervroegde aflossing van Leningen met een vast rentepercentage als gevolg van één van de genoemde gebeurtenissen is artikel 25.2 van toepassing (…).

Artikel 25. Vergoeding in geval van vervroegde aflossing

(…)

25.2

In geval van vervroegde aflossingen die niet in de Overeenkomst zijn overeengekomen - ook als de aflossing het gevolg is van opeising in de zin van artikel 11 van de Algemene Bepalingen - dient de Kredietnemer de contante waarde van het renteverschil te voldoen dat de Bank over de resterende rentevastperiode als gevolg van de vervroegde aflossing derft. (…).”

(iii) In de periode juni-juli 2009 heeft ING Bank [verweerster] c.s. geïnformeerd over haar besluit de kredietrelatie te beëindigen. Zij voerde als redenen daarvoor aan dat [verweerster] c.s. een aantal verplichtingen niet zijn nagekomen. Zij heeft [verweerster] c.s. bericht dat zij de kredieten per 1 oktober 2009 opzegt (welke datum na overleg nader is bepaald op 1 maart 2010) en dat zij daarbij aanspraak maakt op een vergoeding wegens het vervroegd aflossen van de rentevaste leningen als bedoeld in art. 25.2 ABK.
c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de opzegging van de kredietrelatie onrechtmatig is en dat zij geen vergoeding wegens vervroegd aflossen op grond van art. 25.2 ABK verschuldigd zijn.

(iv) Bij aflossingsnota van 18 februari 2010 heeft ING Bank [verweerster] c.s. bericht dat per 1 maart 2010 het totaal door [verweerster] c.s. te betalen bedrag € 1.937.500,-- bedraagt, waarvan een bedrag van € 122.125,69 is opgevoerd als vergoeding voor het vervroegd aflossen van de rentevaste leningen.

(v) Op 1 maart 2010 heeft de Rabobank op verzoek van [verweerster] c.s. een bankgarantie ten gunste van ING Bank gesteld ter hoogte van de vergoeding voor het vervroegd aflossen. De Keizer c.s. hebben voorts een bedrag van € 6.000,-- in depot gestort bij een notaris, als zekerheid voor de tijdens de procedure lopende rente over die vergoeding. Partijen zijn overeengekomen hun geschil over de vergoeding voor het vervroegd aflossen voor te leggen aan de rechter.

(vi) [verweerster] c.s. hebben de kredieten bij ING Bank op 9 maart 2010 afgelost, met uitzondering van de vergoeding voor het vervroegd aflossen. ING Bank heeft de door haar bedongen zekerheden voor de door haar verstrekte kredieten vervolgens vrijgegeven.

3.2

In deze procedure vorderen [verweerster] c.s. verklaringen voor recht (a) dat ING Bank ten onrechte de kredietrelatie met hen heeft opgezegd en (b) dat ING Bank ten onrechte aanspraak maakt op de vergoeding wegens vervroegde aflossing, alsmede de veroordeling van ING Bank tot vergoeding van de door hen in verband met de bankgarantie en het depot gemaakte kosten.

ING Bank vordert in reconventie de veroordeling van [verweerster] c.s. tot betaling van de vergoeding wegens vervroegde aflossing ten bedrage van € 122.125,69.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [verweerster] c.s. in conventie afgewezen en de reconventionele vordering van ING Bank toegewezen.

3.4.1

Het hof heeft in conventie de vorderingen van [verweerster] c.s. alsnog grotendeels toegewezen, en de vordering van ING Bank in reconventie afgewezen. Het oordeelde de opzegging van de kredietovereenkomst rechtsgeldig voor zover het het krediet in rekening-courant betreft, maar verklaarde voor recht (a) dat ING Bank ten onrechte de kredietovereenkomst heeft beëindigd voor zover het de rentevaste leningen betreft en (b) dat ING Bank ten onrechte aanspraak maakt op de vergoeding wegens vervroegde aflossing. De daarop gebaseerde vorderingen tot vergoeding van gemaakte kosten werden eveneens toegewezen.

3.4.2

Daartoe overwoog het hof, kort samengevat, als volgt.

Art. 11.1 ABK noemt een aantal gebeurtenissen op grond waarvan de kredietfaciliteit automatisch eindigt en alle verschuldigde bedragen terstond en ineens opeisbaar zijn. Ook een lening met een bepaalde looptijd, die in beginsel niet tussentijds opzegbaar is, kan als gevolg van de in art. 11.1 ABK opgenomen gebeurtenissen tussentijds worden beëindigd. Art. 11.1 onder a ABK houdt onder meer als zodanige gebeurtenis in dat de kredietnemer een verplichting uit hoofde van de kredietovereenkomst niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomt. (rov. 4.6)

Beëindiging van de kredietfaciliteit op grond van art. 11.1 ABK kan in de concrete omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:248 lid 2 BW). Een afweging van de belangen van de bank en van de kredietnemer in het concrete geval kan meebrengen dat de beëindiging niet rechtsgeldig is. Daarbij is van belang dat in art. 2 van de ABV is vastgelegd dat de bank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht neemt en naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening houdt. (rov. 4.7)

In 2008 is door de (indirect) enig aandeelhouder van [verweerster] c.s. een groter bedrag aan de vennootschappen onttrokken dan met ING Bank was afgesproken, terwijl eveneens in strijd met de afspraken het eigen vermogen in 2008 ten opzichte van 2007 is afgenomen. Ook hebben [verweerster] c.s. de kwartaalcijfers in strijd met de afspraak steeds te laat bij ING Bank aangeleverd. Niet is komen vast te staan dat een effectieve leiding bij [verweerster] c.s. ontbrak en dat de kwartaalcijfers niet betrouwbaar waren. (rov. 4.8.1-4.8.4)

Gelet op de door ING Bank in acht genomen opzegtermijn van acht maanden, welke termijn [verweerster] c.s. nodig hadden om een nieuwe financier te vinden, heeft ING Bank voldoende rekening gehouden met het belang van [verweerster] c.s. en is de opzegging van het krediet in rekening-courant rechtsgeldig geschied. Of de beëindiging van de rentevaste leningen rechtsgeldig was, moet gelet op de omstandigheid dat [verweerster] c.s. als gevolg daarvan een bedrag van € 122.125,69 aan boeterente moeten betalen, afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij dienen in dit concrete geval de ernst en de aard van de genoemde tekortkomingen van [verweerster] c.s. te worden afgewogen tegen het belang van ING Bank bij de beëindiging van de rentevaste leningen. De lengte van de opzegtermijn biedt immers geen oplossing voor het verschuldigd worden van boeterente. (rov. 4.9)

Op grond van de in rov. 4.10 vermelde feiten en omstandigheden oordeelt het hof dat ING Bank de rentevaste leningen heeft beëindigd zonder voldoende oog te hebben voor de gerechtvaardigde belangen van [verweerster] c.s. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het belang van ING Bank bij beëindiging van de kredietfaciliteit beperkt was nu zij, in het licht van de steeds tijdige voldoening van de rente- en aflossingsverplichtingen en de waarde van de zekerheden in verhouding tot de vordering op [verweerster] c.s., geen kredietrisico of ander risico liep, ook niet op langere termijn. Als ING Bank haar belang en dat van [verweerster] c.s. al heeft afgewogen, dan heeft ze aan haar eigen belang tegenover dat van [verweerster] c.s., gelet op alle hierboven opgesomde omstandigheden, een te zwaar gewicht toegekend en dusdoende haar zorgplicht jegens [verweerster] c.s. geschonden. (rov. 4.11)

Daarom is de beëindiging van de rentevaste leningen met het gevolg dat [verweerster] c.s. een bedrag van € 122.125,69 aan boeterente verschuldigd worden, in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. (rov. 4.12)

3.5.1

Onderdeel 1 van het middel komt op tegen de maatstaf aan de hand waarvan het hof heeft beoordeeld of de opzegging van de rentevaste leningen rechtsgeldig was.

3.5.2

Het onderdeel neemt met juistheid tot uitgangspunt dat, indien een kredietverlener gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst, de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld moet worden aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW. Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de kredietverlener op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.5.3

Het hof heeft deze maatstaf evenwel niet miskend. Het heeft die maatstaf immers in rov. 4.7 vooropgesteld en vervolgens, op grond van de door hem in rov. 4.8–4.11 in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, in rov. 4.12 geoordeeld dat de beëindiging door ING Bank van de rentevaste leningen (op de voet van art. 11.1 ABK), met het gevolg dat [verweerster] c.s. een bedrag van € 122.125,69 aan boeterente verschuldigd werden (zoals bepaald in de art. 11.2 en 25.2 ABK), naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.5.4

Anders dan het onderdeel voorts betoogt, heeft het hof voornoemde maatstaf evenmin miskend door de belangen van partijen af te wegen en gewicht toe te kennen aan de in art. 2 ABV neergelegde zorgplicht van de bank. Het hof heeft dat een en ander immers gedaan in het kader van zijn beantwoording van de vraag of gebruikmaking door ING Bank van de overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat verband achtte het hof terecht mede van belang dat art. 2 ABV voorschrijft dat de bank naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening zal houden.

3.6.1

Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof in rov. 4.9 heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door bij beantwoording van de vraag of het beroep op art. 11.1 ABK naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de toetsing afzonderlijk per (samenhangende) groep rechtsgevolgen van dat beding te laten plaatsvinden. Volgens het onderdeel moeten het einde van de rentevaste leningen, het in verband daarmee verschuldigde bedrag, en de gehanteerde termijnen niet afzonderlijk maar in samenhang met elkaar en met de andere relevante omstandigheden van het geval beoordeeld worden.

3.6.2

Deze klachten falen. Het hof heeft geoordeeld dat de bevoegdheid ingevolge art. 11.1 ABK tot beëindiging van de kredietovereenkomst in beginsel op de gehele kredietfaciliteit betrekking heeft, derhalve op beëindiging van zowel het krediet in rekening-courant als de rentevaste leningen. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre gebruikmaking van deze bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat onderscheid wordt gemaakt naar gelang het de beëindiging van het ene dan wel het andere onderdeel van de kredietovereenkomst betreft, mede in het licht van de uiteenlopende daaraan verbonden gevolgen en de overige omstandigheden van het geval.

3.6.3

Het onderdeel klaagt voorts (onder 2.3) dat het hof met zijn afzonderlijke beoordeling van de beëindiging van de rentevaste leningen buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat [verweerster] c.s. zich primair op de ongeldigheid van de beëindiging van de (gehele) kredietovereenkomst hebben beroepen, en subsidiair niet op de ongeldigheid van de beëindiging van de rentevaste leningen maar op het niet verschuldigd zijn van de vergoeding ingevolge art. 25.2 ABK.

Deze klacht faalt bij gebrek aan belang. Weliswaar had het hof kunnen volstaan met de door hem uitgesproken verklaring voor recht dat ING Bank ten onrechte aanspraak maakt op de vergoeding wegens vervroegde aflossing (blijkens hetgeen hiervoor in 3.1 onder (v) en (vi) is vermeld, ging het partijen vooral nog om die kwestie). Maar ING Bank is niet in enig belang geschaad doordat het hof tevens de (door ING Bank aan die aanspraak ten grondslag gelegde) beëindiging van de rentevaste leningen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar heeft geoordeeld, juist op grond van de daaruit ingevolge art. 25.2 ABK voortvloeiende verschuldigdheid van de vergoeding.

3.7

De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt ING Bank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] c.s. begroot op € 6.275,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 oktober 2014.