Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2921

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
13/04777
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:2717
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artt. 7, lid 1 en 10, lid 1, Sw. Nadien kwijtgescholden koopsom komt niet in mindering op de waarde van bij fictie verkregen woning. Schuldig gebleven huur vormt fictieve verkrijging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2001
V-N 2014/55.23 met annotatie van Redactie
BNB 2014/252 met annotatie van I.J.F.A. van Vijfeijken
RN 2014/104
Belastingadvies 2014/24.12
FED 2015/11 met annotatie van J.W. Zwemmer
FutD 2014-2328 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2014/2762 met annotatie van mr. M. de L. Monteiro
ERF-Updates.nl 2015-0069
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 oktober 2014

Nr. 13/04777

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2013, nr. 12/00472, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/5766) betreffende een aanslag in de erfbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

2.1.1.

De moeder van belanghebbende (hierna: erflaatster) is op […] 2010 overleden.

2.1.2.

Op 24 december 2002 heeft erflaatster een woning aan de [a-straat 1] te [Q] (hierna: de woning) verkocht aan belanghebbende voor een koopsom van € 216.000.

2.1.3.

In de akte van levering van 24 december 2002 is vermeld dat erflaatster van de koopsom een bedrag van € 34.025 heeft kwijtgescholden.

2.1.4.

In een brief van 9 december 2002 van [B], werkzaam bij notaris [C], aan belanghebbende is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“De koopsom wordt door u als volgt voldaan:

Uw moeder schenkt u bij akte van levering een bedrag van € 34.025,00, door middel van kwijtschelding op de koopsom. (...)

Er resteert na de kwijtschelding voor u een schuld aan uw moeder van € 181.975,00. Met betrekking tot deze restant schuld is een onderhandse geldleningovereenkomst opgesteld. Over deze geldlening is door u geen rente verschuldigd. De geldlening is direct opeisbaar en aflosbaar. Naar ik heb begrepen zal ten aanzien van de geldlening jaarlijks door uw moeder een bedrag worden kwijtgescholden. Over het kwijtgescholden bedrag dient schenkingsrecht te worden voldaan (...).

Aangezien uw moeder in de woning blijft wonen, is er een huurovereenkomst opgesteld. De huurprijs (...) moet nog worden ingevuld. Er dient sprake te zijn van een reële huurprijs (...).”

2.1.5.

Erflaatster heeft in de jaren 2002 tot en met 2009 door middel van jaarlijkse schenkingen de geldlening ten bedrage van € 181.975 volledig kwijtgescholden.

2.1.6.

Erflaatster is op grond van een op 24 december 2002 getekende huurovereenkomst aan belanghebbende een bedrag van € 650 aan huur per maand verschuldigd. In artikel 3, lid 1, van de huurovereenkomst is bepaald dat voor zover de huurprijs niet daadwerkelijk door huurder is voldaan, daarover een samengestelde rente van 4 percent is verschuldigd tot het moment van voldoening. Erflaatster heeft geen huur aan belanghebbende betaald. Ten tijde van het overlijden van erflaatster bedroeg de schuld uit hoofde van de huurovereenkomst € 71.400, waarvan € 54.600 bestond uit niet betaalde huur en € 16.800 uit niet betaalde rente over de huurschuld.

2.1.7.

De Inspecteur heeft de woning en de schuld uit hoofde van de huurovereenkomst bij de aanslagregeling in aanmerking genomen als fictieve verkrijging in de zin van artikel 10, lid 1, van de Successiewet 1956 (tekst 2010, hierna: Sw). Op de dientengevolge verschuldigde erfbelasting zijn met toepassing van artikel 7, leden 2 en 3, Sw bedragen aan eerder betaalde overdrachtsbelasting en schenkingsrecht, vermeerderd met rente, in mindering gebracht.

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of het hiervoor in 2.1.5 bedoelde kwijtgescholden bedrag van € 181.975, te vermeerderen met rente, op grond van artikel 7 Sw in mindering komt bij de berekening van het belastbare bedrag ter zake van de fictieve verkrijging van de woning.

2.2.2.

Verder was in geschil of het bedrag van de door erflaatster niet betaalde huur, vermeerderd met niet betaalde rente over die huurschuld, belast is op grond van artikel 10 Sw.

2.3.1.

Het Hof heeft met betrekking tot het in 2.2.1 vermelde geschilpunt geoordeeld dat uit de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis volgt dat een verkrijger niet wordt belast voor datgene wat hij ten koste van erflaters vermogen heeft verkregen indien en voor zover daartegenover door de erflater een tegenprestatie is bedongen die ten laste is gekomen van het vermogen van de verkrijger. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake, omdat de tegenprestatie geheel is kwijtgescholden, aldus het Hof. Daarbij heeft het Hof van belang geacht dat er in de onderhavige zaak een rechtstreeks verband aanwezig is tussen de bedongen tegenprestatie en de kwijtscheldingen, mede gelet op de hiervoor in 2.1.4 geciteerde brief. Hiertegen is het eerste middel gericht.

2.3.2.

Het Hof heeft met betrekking tot het in 2.2.2 vermelde geschilpunt geoordeeld dat de huur die erflaatster schuldig was aan belanghebbende een gevolg is van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 10 Sw. De met de huur overeenkomende geldbedragen hebben het vermogen van erflaatster nimmer verlaten, terwijl zij van die schuldig gebleven bedragen de vruchten kon blijven plukken in de vorm van rente. Door het niet betalen van huur heeft erflaatster tot haar overlijden het genot gehad van een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 10 Sw, aldus het Hof. Hiertegen is het tweede middel gericht.

2.4.1.

Tussen partijen is - terecht - niet in geschil dat belanghebbende op grond van artikel 10, lid 1, Sw geacht moet worden de woning te hebben verkregen. Wel is in geschil of de schuld van € 181.975 op grond van artikel 7 Sw in mindering komt bij de berekening van de waarde van die fictieve verkrijging.

2.4.2.

Op grond van artikel 7, lid 1, Sw komt de waarde van hetgeen de verkrijger heeft opgeofferd of van hetgeen door de erflater ten laste van de verkrijger is bedongen in mindering op de waarde welke op grond van (onder meer) artikel 10 Sw in aanmerking wordt genomen voor de erfbelasting, maar niet verder dan tot nihil.

2.4.3.

Tot hetgeen de verkrijger heeft opgeofferd, als bedoeld in artikel 7, lid 1, Sw behoort slechts hetgeen hij werkelijk heeft opgeofferd (Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 39). Schenkingen die in het verleden hebben plaatsgevonden, vallen niet onder de term ‘opgeofferd’ (Kamerstukken II 2009/09, 31 930, nr. 9, blz. 86).

2.4.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat ter zake van de verkrijging geen tegenprestatie ten laste is gekomen van het vermogen van belanghebbende omdat de tegenprestatie geheel is kwijtgescholden. Daarin ligt het oordeel besloten dat belanghebbende voor de verkrijging van de woning niets heeft opgeofferd. Dat oordeel geeft, gelet op het hiervoor in 2.4.3 overwogene, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Opmerking verdient dat hierbij niet ter zake doet of reeds ten tijde van de overdracht van de woning de intentie bestond om tot kwijtschelding over te gaan. Het genoemde oordeel van het Hof kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.

2.4.5.

Anders dan waar het eerste middel van uitgaat, is voor het oordeel dat erflaatster iets ten laste van belanghebbende heeft bedongen in de zin van artikel 7, lid 1, Sw, niet voldoende dat erflaatster bij de levering van de woning op 24 december 2002 een tegenprestatie heeft bedongen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de zinsnede ‘of van hetgeen door erflater ten laste van de verkrijger werd bedongen’ in artikel 7, lid 1, Sw is opgenomen om het mogelijk te maken dat de waarde van een doorlopend vruchtgebruik ten bate van de langstlevende ouder op de waarde van de fictieve verkrijging in mindering komt (Kamerstukken II, 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 86). Het strookt niet met de uit deze wetsgeschiedenis blijkende bedoeling om de waarde van hetgeen door de erflater is bedongen ook op de waarde van de verkrijging in mindering te brengen in een geval als het onderhavige, waarin de verkrijger de koopsom voor een onroerende zaak aan de erflater schuldig is gebleven en de erflater deze schuld vervolgens geheel heeft kwijtgescholden. Daarbij doet niet ter zake of een rechtstreeks verband bestaat tussen de bedongen koopsom en de kwijtscheldingen.

2.4.6.

Dit brengt mee dat het Hof terecht ervan is uitgegaan dat het bedrag van € 181.975 niet door erflaatster van belanghebbende is bedongen in de zin van artikel 7, lid 1, Sw, wat er zij van de motivering die het Hof daarvoor heeft gegeven.

2.4.7.

Het eerste middel faalt derhalve.

2.5.1.

Met betrekking tot de vraag of het bedrag van de schuldig gebleven huur en de rente daarover is aan te merken als fictieve verkrijging in de zin van artikel 10, lid 1, Sw overweegt de Hoge Raad als volgt.

2.5.2.

Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat erflaatster geen rente heeft betaald over de schuldig gebleven huurtermijnen, zodat zij van die schuldig gebleven bedragen de vruchten kon blijven plukken. Hetzelfde heeft te gelden voor het bedrag van de schuldig gebleven rente over de huurschuld van de erflaatster. Het daardoor ontstane voordeel heeft de erflaatster verkregen in verband met de huurovereenkomst, waarbij zij partij was. Het Hof is er daarom terecht van uitgegaan dat erflaatster tot haar overlijden voor de som van beide voormelde bedragen het genot heeft gehad van een vruchtgebruik en dat daardoor sprake is van een op grond van artikel 10 Sw belaste verkrijging. Voor zover het tweede middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het.

2.5.3.

Het tweede middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.6.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren, C. Schaap, R.J. Koopman, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2014.