Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2919

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
13/03770
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1721
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtmatige uitoefening van de bediening, art. 22 Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar en art. 180 Sr. Gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld heeft het Hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verbalisant, die redelijkerwijs ermee rekening kon en moest houden dat het vervoer van verdachte mogelijk gevaar zou opleveren voor de inzittenden van de politieauto, de beslissing om verdachte t.b.v. het vervoer te boeien in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen nemen. Door op grond hiervan te oordelen dat de politieambtenaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van de bediening, geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dat in art. 180 Sr voorkomende begrip en is zijn oordeel niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd. Opmerking verdient het volgende. De HR herhaalt ECLI:NL:HR:2009:BJ2808 dat bij het antwoord op de vraag of de ambtenaar werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van de bediening heeft als uitgangspunt te gelden dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening a.b.i. art. 180 Sr. Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de noodzaak en proportionaliteit van het desbetreffende overheidsoptreden betrekken. De enkele omstandigheid dat de Nationale Ombudsman i.h.k.v. zijn aan hem in art. 9:27 Awb opgedragen taak te beoordelen of “het bestuursorgaan zich al dan niet behoorlijk heeft gedragen”, tot de conclusie is gekomen dat in de bewuste zaak het aanleggen van handboeien niet behoorlijk was noopte het Hof niet zijn - andersoortige - oordeel betreffende de rechtmatigheid van dat gedrag nader te motiveren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 180
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/1861
RvdW 2014/1172
NJ 2014/529 met annotatie van T.M. Schalken
NBSTRAF 2014/261
SR-Updates.nl 2014-0387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 oktober 2014

Strafkamer

nr. S 13/03770

IC/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 22 maart 2013, nummer 22/001767-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede en het derde middel

3.1.

Het tweede en het derde middel klagen in de kern genomen dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat sprake is van een opsporingsambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 06 mei 2009 te Hendrik-Ido-Ambacht, althans op de rijksweg A16, toen de aldaar dienstdoende politieambtenaar verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde politieambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig zijn armen weg te trekken en zijn lichaam weg te draaien bij de pogingen tot het aanleggen van de handboeien door bovengenoemde politieambtenaar."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 december 2012 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op 6 mei 2009 reed ik in de auto op de rijksweg Al6 toen ik van de politie een stopteken kreeg. Ze vertelden mij dat ik geboeid moest worden. Daar was ik het niet mee eens en ik weigerde dan ook geboeid te worden. Toen ik zei dat ik niet geboeid wilde worden ben ik door de agenten vastgepakt. Ik heb mij daartegen verzet.

2. Een proces-verbaal van relaas d.d. 4 juli 2009 van het Korps Landelijke Politiediensten Verkeerspolitie met nr. 2009011918-9, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent en [verbalisant 2], brigadier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 30 juni 2009, zagen wij verbalisanten, op Rijksweg A16, ter hoogte van toerit Hendrik-Ido-Ambacht een personenauto rijden. Toen ik, verbalisant [verbalisant 2], dit voertuig natrok, zag ik dat de houder van dit voertuig niet in het bezit was van een rijbewijs. Hierop gaf ik, verbalisant [verbalisant 2], een stopteken waaraan de bestuurder van dit voertuig voldeed. Ik, verbalisant [verbalisant 2], sprak de bestuurder van dit voertuig aan. Hij kon zich niet legitimeren en geen rijbewijs tonen. Het bleek mij, verbalisant [verbalisant 2], dat de bestuurder zich op geen enkele wijze kon legitimeren, waarop ik betrokkene aanhield ter zake de Wet op de identificatieplicht. Hierop fouilleerde ik, verbalisant [verbalisant 2], verdachte [verdachte] ter zake de veiligheid en trof ik in de kleding van verdachte een schroevendraaier en een schaar, welke onder omstandigheden als wapen gebruikt kunnen worden. Hierop vertelde ik, verbalisant [verbalisant 2], aan verdachte [verdachte] dat hij in verband met de veiligheid diende te worden vervoerd in handboeien naar het dichtstbijzijnde politiebureau. Hierop werd verdachte recalcitrant en weigerde medewerking. Bij ieder contact om de handboeien aan te leggen, trok verdachte [verdachte] zijn armen weg. Hierbij riep hij uit dat hij geen crimineel was en niet zou meewerken. Hierop kwam ik, verbalisant [verbalisant 1], bij verbalisant [verbalisant 2] en verdachte [verdachte] en zag dat de verdachte niet meewerkte aan het aanleggen van de handboeien en dat hij zijn armen wegtrok en zijn lichaam wegdraaide.

3. De verklaring van de getuige [verbalisant 2].

Deze getuige heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2013 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op het moment dat wij zeiden dat hij geboeid zou gaan worden, werd de verdachte recalcitrant.

Mij wordt gevraagd hoe de communicatie met de verdachte is verlopen nu de verdachte Portugees spreekt. Ik denk dat de meneer die erbij was hem geprobeerd heeft tot kalmte te manen. Het zou kunnen dat die meneer heeft getolkt. Het kan zijn dat die andere meneer heeft geprobeerd het uit te leggen, want wij hebben een aantal keer uitgelegd waarom wij de verdachte wilden boeien, te weten voor onze en zijn veiligheid. Ik denk dat die meneer in het begin probeerde te vertalen.

Wij hebben allebei een behoorlijke surveillancetas en de achterbank staat behoorlijk vol. Als wij iemand hebben aangehouden dan moeten wij de auto ombouwen om ruimte te maken.

4. De verklaring van de getuige [verbalisant 1].

Deze getuige heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2013 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Wij reden op dat moment in onze Volvo V50 station. De achterbank ligt altijd vol met onze spullen. Op het moment dat wij iemand mee moeten nemen dan moeten we de auto verbouwen en de spullen verplaatsen. De verdachte wordt meestal op de rechterachterbank geplaatst en een collega neemt dan naast hem plaats. Ik denk niet dat wij de verdachte hadden geboeid als wij de schroevendraaier niet hadden aangetroffen.

Voor zover ik mij kan herinneren werden de schaar en de schroevendraaier in de broekzak van de verdachte aangetroffen. Volgens mij heeft mijn collega deze voorwerpen uit de broekzak van de verdachte gehaald."

3.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van het hof waren de betreffende politieambtenaren, gelet op de navolgende omstandigheden, in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

Blijkens het proces-verbaal van relaas van 4 juli 2009 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en het verhoor van deze verbalisanten ter terechtzitting in hoger beroep op 8 maart 2013, heeft verbalisant [verbalisant 2] op 30 juni 2009 een voor hem onbekende man, als bestuurder van een auto die zich niet kon identificeren, aangehouden. Bij de hierop volgende veiligheidsfouillering werden door verbalisant [verbalisant 2] potentiële steekwapens in de kleding van de verdachte aangetroffen. Gelet hierop en het feit dat de verdachte diende te worden vervoerd in een compacte politieauto en er bovendien gebleken was dat communicatie met de verdachte vanwege de taalbarrière lastig was, kon de verbalisant onvoldoende inschatten hoe de verdachte zich tijdens het vervoer zou gaan gedragen en kon en moest hij er redelijkerwijs mee rekening houden dat het vervoer van de verdachte mogelijk gevaar zou opleveren voor de inzittenden van de politieauto. Naar het oordeel van het hof heeft de verbalisant onder deze omstandigheden de beslissing om de verdachte ten behoeve van het vervoer te boeien in redelijkheid kunnen nemen.

Ten overvloede overweegt het hof als volgt. Dat de verdachte de steekwapens openlijk bij zich had en in verband met die dag verrichte kluswerkzaamheden, zoals door de verdediging is betoogd, is niet komen vaststaan en zou op zichzelf, ware dit anders, aan het voorgaande niet afdoen."

3.3.

Ter toelichting op de middelen wordt aangevoerd dat de verbalisanten, gelet op de criteria die ingevolge art. 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Besluit van 8 april 1994, Stb. 275; hierna: de Ambtsinstructie) gelden voor het aanleggen van handboeien, niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren.

3.4.1.

Art. 22 Ambtsinstructie luidt als volgt:

"1. De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.

2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:

a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of

b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt."

3.4.2.

De Nota van toelichting houdt omtrent deze bepaling onder meer het volgende in:

"Handboeien mogen slechts worden aangelegd bij het vervoer van arrestanten. (...) De omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het omleggen van handboeien kunnen gelegen zijn in: de persoon van de arrestant, de inrichting van de (dienst)auto, de situatie waarin vervoerd wordt en het ontbreken van de mogelijkheden om op andere wijze met minder ingrijpende maatregelen (bv. door plaatsneming van een politieambtenaar naast de arrestant) een veilig transport te waarborgen. Bij omstandigheden die samenhangen met de persoon kan worden gedacht aan zijn gedrag, mogelijk eerdere ervaringen van de politie met deze persoon op grond waarvan moeilijkheden moeten worden gevreesd, dan wel de aard of de ernst van het feit waarvoor deze is aangehouden. (...)"

3.5.

Het Hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte werd als bestuurder van een auto op de rijksweg A-16 door de verbalisanten tot stoppen gebracht en vervolgens aangehouden omdat hij zich niet kon identificeren. Bij de daarop volgende veiligheidsfouillering werden in zijn kleding potentiële steekwapens, een schaar en een schroevendraaier, aangetroffen. De verbalisanten wensten de verdachte in verband met zijn en hun veiligheid in handboeien per dienstauto - een 'compacte politieauto' - te vervoeren naar het dichtstbijzijnde politiebureau. In reactie op mededelingen dat hij geboeid zou worden vertoonde de verdachte, die Portugees spreekt en met wie de communicatie wegens de taalbarrière lastig was, recalcitrant gedrag en verzette hij zich tegen het daadwerkelijk aanleggen van de handboeien door de betrokken politieambtenaar.

Het Hof heeft, niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat de verbalisant, die redelijkerwijs ermee rekening kon en moest houden dat het vervoer van de verdachte mogelijk gevaar zou opleveren voor de inzittenden van de politieauto, de beslissing om de verdachte ten behoeve van het vervoer te boeien in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen nemen.

Door op grond van het voorgaande te oordelen dat de politieambtenaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van de bediening, geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent dat in art. 180 Sr voorkomende begrip en is zijn oordeel niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd.

3.6.

Opmerking verdient het volgende. Bij het antwoord op de vraag of de ambtenaar werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van de bediening heeft als uitgangspunt te gelden dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in art. 180 Sr (vlg. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:
BJ2808). Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de noodzaak en proportionaliteit van het desbetreffende overheidsoptreden betrekken. De enkele omstandigheid dat, zoals ter terechtzitting van het Hof is aangevoerd, de Nationale ombudsman - in naar in de toelichting op het middel wordt gesteld: "een vergelijkbare zaak" - in het kader van zijn aan hem in art. 9:27 Algemene wet bestuursrecht opgedragen taak te beoordelen, of "het bestuursorgaan zich al dan niet behoorlijk heeft gedragen", tot de conclusie is gekomen dat in die bewuste zaak het aanleggen van de handboeien niet behoorlijk was omdat "geen concrete feiten of omstandigheden zijn aangetoond die het aanleggen van de handboeien bij (...) op zich zouden kunnen rechtvaardigen", noopte het Hof niet zijn - andersoortige - oordeel betreffende de rechtmatigheid van dat gedrag nader te motiveren.

3.7.

De middelen falen.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2014.