Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2873

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
13/00711
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:339, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:1688, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3.111, lid 3, Wet IB 2001. Van een woning in aanbouw is sprake als feitelijk is aangevangen met de bouwwerkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1951
V-N 2014/53.26.18
Belastingadvies 2014/22.4
NJB 2014/2022
FutD 2014-2260 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2014/2480 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 oktober 2014

nr. 13/00711

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 24 april 2013, nr. BK-11/00904, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1 Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. AWB 11/2560) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 27 maart 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

Belanghebbende heeft in juli 2002 een perceel grond met daarop een boerderij (hierna ook: de onroerende zaak) gekocht.

3.1.2.

Belanghebbende heeft de aankoop van de onroerende zaak gefinancierd met een hypothecaire lening. De over deze lening verschuldigde rente is voor de jaren 2002 en 2003 op grond van artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 door de Inspecteur in aftrek toegelaten.

3.1.3.

In de loop van 2003 is duidelijk geworden dat een deel van de tot de onroerende zaak behorende grond nodig was voor een reconstructie van watergangen en een nieuw gemaal. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende besloten de door hem voorgenomen renovatie van de boerderij niet meer uit te voeren, maar deze te slopen en elders op het perceel een nieuwe woning te bouwen.

3.1.4.

In oktober 2006 heeft belanghebbende een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend. Deze vergunning is op 25 september 2007 verleend. Op 28 december 2007 heeft belanghebbende een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning tweede fase ingediend. Op 27 maart 2008 is deze vergunning verleend. De feitelijke bouwactiviteiten zijn begonnen in 2008.

3.1.5.

De Inspecteur heeft de aftrek van hypotheekrente voor het jaar 2006 niet geaccepteerd.

3.2.1.

Voor het Hof was in geschil of belanghebbende de over de lening in 2006 betaalde rente ingevolge artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 in aanmerking kan nemen als eigenwoningrente. Het geschil spitste zich toe op de vraag of in 2006 sprake was van een woning in aanbouw als bedoeld in de genoemde bepaling.

3.2.2.

Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het heeft daartoe overwogen dat ultimo 2006 met betrekking tot de onroerende zaak geen aanvang was gemaakt met activiteiten die zijn te duiden als bouwrijp maken, bouw of verbouw, zodat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een woning in aanbouw in de zin van artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001.

3.2.3.

Tegen dit oordeel richten zich de middelen.

3.3.1.

Artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 geeft uitbreiding aan het begrip ‘eigen woning’. Deze bepaling stelt daartoe twee cumulatieve eisen. In de eerste plaats moet sprake zijn van een leegstaande woning of van een woning in aanbouw. In de tweede plaats moet aannemelijk zijn dat de woning uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in één van de daaropvolgende twee jaren als eigen woning in de zin van het eerste lid van artikel 3.111 Wet IB 2001 aan de belastingplichtige ter beschikking te staan.

3.3.2.

Van een ‘woning in aanbouw’ is naar het spraakgebruik pas sprake vanaf het moment van aanvang van de (feitelijke) bouwkundige werkzaamheden die tot de stichting van die woning leiden. Kort gezegd: eerst bij aanvang van de bouw.

3.3.3.

Uitleg van artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 in overeenstemming met dit spraakgebruik leidt ertoe dat de belastingplichtige die grond heeft verworven met de intentie daarop een eigen woning te (laten) bouwen en daarvoor een lening is aangegaan, de rente over die lening niet op de voet van artikel 3.120, lid 1, letter a, Wet IB 2001 kan aftrekken voor zover die rente betrekking heeft op de periode tussen de verwerving van de grond en de aanvang van de bouwwerkzaamheden. De verwerving van een eigen woning en de bijbehorende grond wordt daarmee in geval van verwerving van die grond voor aanvang van de bouwwerkzaamheden bemoeilijkt in vergelijking met andere gevallen.

Uit de parlementaire behandeling van artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 volgt dat deze wetsbepaling beoogt de aankoop van een nieuwe woning niet te bemoeilijken (zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 478). Daarmee is echter niet gezegd dat uitleg van deze bepaling in overeenstemming met het spraakgebruik in strijd zou zijn met de bedoeling van de regeling. In de parlementaire toelichting is namelijk niet afgebakend wat onder een ‘nieuwe woning’ dient te worden verstaan. De verwijzing in de memorie van toelichting naar gevallen waarin de belastingplichtige “een woning heeft gekocht die nog in aanbouw is” (Kamerstukken 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 146) wijst er niet op dat de wetgever daarbij ook het oog heeft gehad op de verwerving van onbebouwde grond met de intentie daarop in de toekomst een eigen woning te (laten) bouwen.

3.3.4.

Er bestaat daarom onvoldoende aanleiding om het begrip ‘woning in aanbouw’ in artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 in afwijking van het spraakgebruik uit te leggen in die zin dat daarvan ook sprake is bij onbebouwde grond zodra de intentie bestaat om daarop in de toekomst een woning te bouwen. Hetzelfde geldt ten aanzien van grond waarop een bouwwerk aanwezig is dat de belastingplichtige wil (laten) slopen om daarop vervolgens een woning te (laten) bouwen.

3.3.5.

Op zichzelf zou het denkbaar zijn om een definitie van het begrip ‘woning in aanbouw’ te hanteren die ook sommige onbebouwde terreinen omvat die voor woningbouw bestemd zijn, en waarin wordt aangesloten bij een tijdstip gelegen tussen het ontstaan van de intentie om te gaan bouwen en de aanvang van de feitelijke bouwwerkzaamheden. Zo zou gedacht kunnen worden aan het tijdstip waarop (voldoende) voorbereidingen voor de bouw zijn getroffen, het tijdstip waarop de grond bouwrijp is gemaakt, het moment van sluiten van een (koop-) aannemingsovereenkomst en het tijdstip waarop de betrokkene de ter zake van de bouw vereiste vergunning(en) heeft verkregen (vgl. voor een definitie in de laatstbedoelde zin artikel 17, lid 4, Wet waardering onroerende zaken). Bij gebreke van enig aanknopingspunt daarvoor in de tekst en de bedoeling van de onderhavige regeling in de Wet IB 2001, ziet de Hoge Raad echter onvoldoende grond voor een keuze voor één van die tijdstippen.

3.3.6.

Gelet op het voorgaande dient aan het begrip ‘woning in aanbouw’ in artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 de hiervoor in 3.3.2 vermelde, met het spraakgebruik overeenstemmende uitleg te worden gegeven. Daarmee wordt ook aangesloten bij de uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven aan het begrip ‘woning in aanbouw’ in het kader van de onroerendezaakbelasting, waarbij als voorwaarde geldt dat sprake moet zijn van een bouwsel (zie HR 12 augustus 2005, nr. 39828, ECLI:NL:HR:2005:AU0874, BNB 2005/329).

3.3.7.

De middelen, die uitgaan van een andere uitleg van het begrip ‘woning in aanbouw’, falen daarom.

4 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2014.