Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2859

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
14/03170
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1791, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verschoningsrecht. Art. 219 Sv. Casus: betrokkene is beschoten tijdens een schietincident en wordt als getuige gehoord bij de RC. De RC oordeelt dat betrokkene de vragen wie hem heeft beschoten en met wie hij t.t.v. het incident had afgesproken heeft geweigerd te beantwoorden. De RC heeft bevolen dat betrokkene in gijzeling zal worden gesteld. De Rb heeft het verzoek om ontslag uit de gijzeling afgewezen. Het Hof heeft het tegen die beschikking gerichte h.b. afgewezen met verwijzing naar de beschikking van de Rb. HR: Het Hof heeft, zonder miskenning van art. 219 Sv, geoordeeld dat betrokkene zichzelf niet blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling als hij de vraag beantwoord wie op hem heeft geschoten. Dit oordeel is, gelet op hetgeen in h.b. door de raadsman van betrokkene is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 219
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0375
NBSTRAF 2014/259
NJB 2014/1853
RvdW 2014/1153

Uitspraak

30 september 2014

Strafkamer

nr. 14/03170 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2014, nummer RK 0909/14, betreffende:

[betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het in de bestreden beschikking besloten liggende oordeel van het Hof dat de betrokkene, gehoord als getuige in een strafzaak, zonder wettige grond heeft geweigerd op aan hem gestelde vragen een antwoord te geven.

2.2.

In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Op de betrokkene is geschoten. In het onderzoek naar dit schietincident is de betrokkene als getuige gehoord door de Rechter-Commissaris. Deze heeft geoordeeld dat de betrokkene de vragen wie hem, betrokkene, heeft beschoten en met wie hij ten tijde van het incident had afgesproken, heeft geweigerd te beantwoorden. De Rechter-Commissaris heeft vervolgens bevolen dat de betrokkene in gijzeling zal worden gesteld. Op 16 mei 2014 heeft de betrokkene – toen hij in raadkamer door de Rechtbank hieromtrent werd gehoord – verzocht om ontslag uit de gijzeling. Dit verzoek is door de Rechtbank afgewezen. Het tegen die beschikking gerichte hoger beroep is door het Hof – met verwijzing naar de beschikking van de Rechtbank – afgewezen.

2.3.1.

De beschikking van de Rechtbank houdt, voor zover in cassatie van belang, in:

"Overwegende dat de getuige heeft verklaard te volharden bij zijn op 15 mei 2014 tegenover de rechter-commissaris geuite weigering te verklaren;

(...)

Overwegende dat niet is gebleken van wettelijke gronden waarom de getuige zich van het verklaren zou kunnen onthouden."

2.3.2.

Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene aldaar het volgende aangevoerd:

"De rechtsvraag die aan hof voorligt is beperkt van omvang. Het gaat om de reikwijdte van het verschoningsrecht van mijn cliënt. Op 13 juni 2014 zijn meer vragen gesteld dan eerder. De rechter-commissaris, de rechtbank en ik zijn het echter eens over de te stellen vragen. Het gaat om de vraag wie mijn cliënt heeft beschoten.

Mijn cliënt is het slachtoffer van een schietpartij geweest. Uit onderzoek is gebleken dat mijn cliënt weet wie hem heeft beschoten. Het openbaar ministerie wil, volstrekt begrijpelijk, deze zaak tot klaarheid brengen.

Mijn cliënt meent echter dat hij zich met recht kan beroepen op het verschoningsrecht. De rechter-commissaris heeft evenwel geoordeeld dat dat recht hem niet toekomt en de raadkamer heeft dat oordeel in stand gelaten.

De vraag is of de vraag naar de persoon met wie mijn cliënt had afgesproken los te koppelen is van het doel van de afspraak die zij hadden. Mijn cliënt heeft verklaard dat die afspraak te maken had met strafbare feiten. Daarom wil hij niet zeggen met wie hij daar was. De volgende logische stap is immers dat die persoon wordt aangehouden en gehoord. De eerste vraag aan die persoon zou dan zijn of hij daar in de nacht van 17 augustus met mijn cliënt had afgesproken. De volgende vraag laat zich raden: 'Waarom hebt u daar afgesproken?'

Het ligt voor de hand dat deze kwesties met elkaar verweven zijn. De rechter-commissaris heeft die vragen losgekoppeld, omdat de rechtbank niet geïnteresseerd is in het waarom, maar alleen in degene met wie mijn cliënt heeft afgesproken.

Mijn cliënt stelt dat hem niet kan worden verzekerd dat zijn verklaring niet tot zijn vervolging kan leiden.

Er spelen verscheidene conflicten in de Amsterdamse onderwereld. Mijn cliënt wordt als verdachte in verband gebracht met voorbereidingshandelingen van de aanslag op een concurrent.

Het appel is gericht tegen de beschikking 16 mei 2014. Er is ook een beschikking van later datum, te weten 6 juni 2014. Het gaat strikt genomen om een rechtsmiddel tegen de afwijzing van het verzoek tot ontslag uit gijzeling.

De vraag van de rechtbank hoe zij zich moesten voorstellen dat mijn cliënt door het beantwoorden van de vraag in problemen zou komen kan ik alleen omschrijven als een flauwe vraag. In reactie op die vraag heb ik een scenario geschetst, namelijk dat de afspraak ging om de betaling van mijn cliënt voor gepleegde strafbare feiten. Daarop zegt de rechtbank dat dat nogal hypothetisch is. Dat is flauw, want daar vroeg de rechtbank naar.

Mijn cliënt stelt dat hij destijds heeft afgesproken in verband met zaken die het daglicht niet kunnen verdragen en dat zijn verklaring daarover tot zijn eigen vervolging kan leiden. Mijn cliënt werd verweten dat hij zijn verschoningsrecht gebruikt als een schutting om zich achter te verschuilen. Daar is het verschoningsrecht nou juist precies voor bedoeld.

Het is logisch dat onderzoek gewenst is, het is een ernstige zaak. Maar de enige vraag moet zijn of mijn cliënt zichzelf kan belasten en in het verlengde daarvan of hem het verschoningsrecht toekomt.

Ik wijs op de beschikking van het hof Den Haag van 12 april 2014, foutief gedateerd 12 april 2012. Uit die beschikking blijkt dat het bij de vraag of iemand het verschoningsrecht toekomt niet alleen gaat om de zaak waarin diegene wordt gehoord, maar ook om andere strafbare feiten. De ernst van die strafbare feiten doet niet ter zake. De officier van justitie heeft in die kwestie in het geval van cliënt een ander standpunt ingenomen, maar dat is juridisch onjuist.

Aard en ernst van zaak waarin wordt gehoord hebben geen invloed op het verschoningsrecht.

Ook overweegt het hof Den Haag dat alleen marginaal dient te worden getoetst en dat de motieven die ten grondslag liggen aan het beroep op het verschoningsrecht niet nader dienen te worden onderzocht.

De vraag hoe mijn cliënt zichzelf in de problemen zou brengen, kan hij niet beantwoorden. Daarmee zou hij zichzelf immers reeds in de strafrechtelijke problemen brengen. Mijn cliënt is slachtoffer en getuige in deze zaak, maar ook verdachte in andere zaken, grote zaken.

Hij kan zijn positie ten opzichte van justitie niet overzien. Het is niet zo dat hij zonder wettige grond heeft geweigerd vragen te beantwoorden. Die wettige grond is gelegen in het verschoningsrecht.
(...)
Primair is mijn standpunt dat er een wettige grondslag is voor mijn cliënt om zich te verschonen. Subsidiair is mijn standpunt dat het niet langer dringend noodzakelijk is dat de gijzeling van mijn cliënt zal voortduren."

2.3.3.

De bestreden beschikking houdt, voor zover in cassatie van belang, in:

"Het hof verenigt zich met de beschikking waarvan beroep. Het hof overweegt daarop in aanvulling dat de getuige minst genomen de vraag wie er op hem heeft geschoten moet kunnen beantwoorden, zonder zichzelf daarmee op enigerlei wijze te belasten."

2.4.

Art. 219 Sv luidt:

"De getuige kan zich verschoonen van het beantwoorden eener hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf of een zijner bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in den tweeden of derden graad of zijn echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner aan het gevaar eener strafrechtelijke veroordeeling zou blootstellen."

2.5.

Het Hof heeft, zonder miskenning van art. 219 Sv, geoordeeld dat de betrokkene zichzelf niet blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling als hij de vraag beantwoordt wie op hem heeft geschoten. Dit oordeel is, gelet op hetgeen in hoger beroep door de raadsman van de betrokkene is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2014.