Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2843

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
13/05966
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1780, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Klacht m.b.t. de schatting van het w.v.v. op basis van de zgn. methode van kasopstelling, mede in het licht van een gevoerd verweer over het beginvermogen, faalt. In de berekening ligt besloten dat het Hof ervan is uitgegaan dat de betrokkene bij de aanvang van de onderzoeksperiode niet de beschikking had over legale vermogensbestanddelen. Hetgeen door en namens de betrokkene in verband met het beginvermogen is aangevoerd is door het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aangemerkt als een onvoldoende betwisting van het in het financieel onderzoek gekozen uitgangspunt omtrent het beginvermogen. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0372
NJB 2014/1856
RvdW 2014/1135
NJ 2015/72

Uitspraak

30 september 2014

Strafkamer

nr. S 13/05966 P

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 juni 2013, nummer 22/001539-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

De middelen bevatten onder meer de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd, mede in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent door en namens de betrokkene is aangevoerd.

2.2.1.

De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Beslissing in de strafzaak tegen de veroordeelde

Bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2007 is de veroordeelde, ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 subsidiair, 3, 4 (...) bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

feit 1 subsidiair:

a. "medeplegen van witwassen",

b. "medeplegen van schuldwitwassen",

feit 3:

"medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder b van de Opiumwet gegeven verbod",

feit 4:

"medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod",

(...)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, (...).

(...)

Beoordeling van de vordering

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de in zijn strafzaak onder 1 subsidiair en 3 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten, waaromtrent naar het oordeel van het hof voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan.

(...)

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof heeft kennisgenomen van de in de onderhavige zaak opgemaakte ontnemingsrapportage en de door de advocaat-generaal en de verdediging genomen conclusies.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 273.697,14.

Het bovengenoemd bedrag is als volgt berekend:

1. Legale inkomsten

Uit gegevens verkregen van de belastingdienst en administratiekantoor [A] blijkt dat de legale inkomsten van de veroordeelde over de onderzoeksperiode van 2002 tot en met 2005, inclusief het inkomen van zijn echtgenote, bedroegen € 1.295,87.

2. Kasopnamen en kasstortingen

Het hof neemt conform het standpunt van de rechtbank over dat door de veroordeelde bij diverse banken een rekening werd aangehouden en dat daarop in de in aanmerking genomen periode van 2002 tot en met 2005 - contante - geldopnames en geldstortingen hebben plaatsgevonden en dat voor uitgaven beschikbaar zijn de geldopnames minus de geldstortingen. Dat levert in zijn totaliteit op een negatief saldo van € 91.601,70.

Het hof acht het aannemelijk dat de veroordeelde zich reeds voor juli 2002 bezig hield met geldwisseltransacties en acht de in aanmerking genomen periode gerechtvaardigd.

3. Kosten

Het hof neemt conform het standpunt van de rechtbank over dat de veroordeelde voor een bedrag van € 27.670,― aan uitgaven heeft gedaan in het kader van de bedrijfsvoering van legale en illegale activiteiten.

4. Kosten kapperszaken

Het hof neemt conform het standpunt van de rechtbank over dat de veroordeelde voor de kapperszaak Twins III een bedrag van € 5.280,66 aan uitgaven heeft gedaan.

5. Kosten hennepplantages

Hoewel er blijkens onder meer de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aanwijzingen zijn dat voor een hennepkwekerij het investeringsbedrag uitkomt op € 10.000,― bevat het dossier ook een tapgesprek van medeveroordeelde [medeverdachte 1] met de medeveroordeelde [medeverdachte 2] waarin een bedrag van € 6.000 naar voren komt (TA07/gesprek 72 d.d. 27.09.2005 te 12.48 uur). Bij het bepalen van de uitgaven per hennepplantage gaat het hof in het voordeel van de veroordeelde er van uit dat de uitgaven per hennepplantage € 6.000,― bedroegen. Het totaal aan uitgaven bedraagt dan voor de veroordeelde € 3.000,―, nu hij samen met zijn broer [medeverdachte 1] bij één hennepkwekerij was betrokken.

6. Kosten auto's

Het hof neemt conform het standpunt van de rechtbank over dat aan de veroordeelde voor een bedrag van € 35.772,65 aan uitgaven gedurende de onderzoeksperiode ten behoeve van auto's kan worden toegerekend.

7. Kosten levensonderhoud

Het hof neemt conform het standpunt van de rechtbank over dat door de veroordeelde voor een bedrag van € 6.540,― aan uitgaven voor levensonderhoud zijn gedaan.

8. In beslaggenomen geld bij [medeverdachte 3]

In juli 2002 is bij de toenmalige medeverdachte [medeverdachte 3] in Frankrijk € 420.384,― aan buitenlandse valuta in beslag genomen. Blijkens zijn verklaring daaromtrent moest hij dit geld van de veroordeelde en diens medeverdachte [medeverdachte 1] naar Marokko brengen. Voorts heeft hij verklaard dat de veroordeelde en [medeverdachte 1] tegen hem hebben gezegd dat het hun geld was dat afkomstig was van wisselen.

Het hof stelt vast dat de veroordeelde (noch diens medeveroordeelden) ter terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2013 - ondanks dat hij daar uitdrukkelijk naar is gevraagd - geen als enigszins concreet of toetsbaar te duiden onderbouwing heeft gegeven van zijn standpunt dat een ander of anderen dan veroordeelde zelf de eigena(a)r(en) van voormeld geldbedrag in buitenlandse valuta zou(den) zijn.

Het hof wijst er daarbij tevens op dat de broers van veroordeelde met wie hij samenwerkte zijn veroordeeld voor witwaspraktijken, waarmee blijkens het strafdossier minimaal enige miljoenen euro's waren gemoeid. Bovendien had veroordeelde daarnaast - al dan niet samen met zijn broers en medeveroordeelden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] - inkomsten uit een hennepkwekerij. Het is van algemene bekendheid dat dergelijke activiteiten voor betrokkenen grote contante winsten opleveren, ook als deze winsten "slechts" zouden hebben bestaan uit "commissies" verkregen in verband met het omwisselen van geld voor anderen. Gegeven de in het geding zijnde omgewisselde bedragen, betreffende deze "commissies" immers ook (in totaal) zeer aanzienlijke bedragen. Het hof wijst in dit verband ook op de verklaring van de getuige [medeverdachte 3], waar hij stelt dat (hij dacht dat) het geld van de familie [...] was en door de veroordeelde en zijn medeveroordeelde [medeverdachte 1] tegenover hem, [medeverdachte 3], is verklaard, dat het hun geld was en dat het afkomstig was uit het wisselen.

Voorts heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij de afgelopen drie jaren met alle drie de broers naar Frankrijk is geweest en dat [medeverdachte 2] hem na de inbeslagname van het geld had gebeld en hem naar een advocatenkantoor had gestuurd.

Het hof neemt tevens in aanmerking dat [medeverdachte 1] en zijn broer [medeverdachte 2] allebei zijn veroordeeld voor - grootschalig - gewoontewitwassen.

Gezien deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat voormeld in beslaggenomen bedrag niet aan veroordeelde (c.q. aan hem en zijn medeveroordeelde broer(s)) toebehoorde.

Nu niet enig andere eigendomsverdeling aannemelijk is geworden zal het hof, voormeld bedrag ad € 420.384,― ponds-ponds gewijs over de drie veroordeelden verdelen, hetwelk ten aanzien van de veroordeelde resulteert in een bedrag ad € 140.128,―.

In oktober 2005 is [medeverdachte 3] door een Franse rechter ter zake van het illegaal transporteren van de buitenlandse valuta veroordeeld tot het betalen van een boete van 25% van dat bedrag (= € 105.000,―). In november 2005 is deze boete betaald, althans in mindering gebracht op het teruggegeven bedrag.

Gelet op het voorgaande zal het hof op het wederrechtelijk verkregen bedrag door de veroordeelde van € 140.128,― een bedrag van € 35.000,― (zijnde l/3e deel van € 105.000,―) in mindering brengen.

Van het hiervoor genoemde totale in beslaggenomen geld wordt derhalve een bedrag ad € 105.128,― (= € 140.128,― minus € 35.000,―) als wederrechtelijk verkregen voordeel aan verdachte toegerekend.

Vorenstaande leidt tot de volgende berekening

Aanwezige contanten en gedane uitgaven

kasopnamen minus kasstortingen

€ 91.601,70

uitgaven bedrijfsvoering

€ 27.670,―

uitgaven kapperszaken

€ 5.280,66

Uitgaven hennepplantage

€ 3.000,―

uitgaven auto's

€ 35.772,65

uitgaven levensonderhoud

€ 6.540,―

inbeslaggenomen geld bij [medeverdachte 3]

€ 105.128,―

€ 274.993,01

Minus legale inkomsten

€ 1.295,87 =

 

€ 273.697,14

Gelet op het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat vast op € 273.697,14."

2.2.2.

Een bij de uitspraak gevoegde bijlage houdt de bewijsmiddelen in waaraan het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend.

2.3.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"De veroordeelde legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Het bij mij in mijn slaapkamer van mijn woning aangetroffen geldbedrag van € 144.080,― was niet van mij. Ik had dat voor iemand anders onder mij.

Op uw vraag voor wie, weiger ik antwoord te geven.

U houdt mij voor dat in juli 2002 bij de toenmalige medeverdachte [medeverdachte 3] in Frankrijk € 420.384,― aan buitenlandse valuta in beslag is genomen. Dat geld was bestemd voor Frankrijk en niet voor Marokko. Het geld moest nog in Frankrijk gewisseld worden en zou weer teruggaan naar de mensen aan wie het toebehoorde.

Ik kan geen antwoord geven op uw vraag aan wie dit geld toebehoorde.

(...)

De veroordeelde legt op vragen van zijn raadsvrouw een verklaring af, inhoudende:

Mijn beginvermogen voor 1 januari 2002 was € 20.000,―. In de periode 2000 en 2001 was ik taxichauffeur, echter door de taxioorlog is mijn auto uitgebrand en ben ik mijn werk als taxichauffeur kwijtgeraakt.

(...)

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities."

2.3.2.

De pleitnotities van de raadsvrouwe houden in:

"Bovendien is in het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen volledige kasopstelling gemaakt. Er is geen volledig onderzoek gedaan naar alle contante geldstromen van cliënt. Zo zijn ontvangen verzekeringspremies door schade aan personenauto's niet in de berekening betrokken. Er is ook geen schatting gemaakt van het beginvermogen van cliënt. Daardoor is het beeld van de kasstromen incompleet. De periode waarop de kasopstelling betrekking heeft, komt niet overeen met de in het vonnis in de strafzaak bewezen verklaarde periodes. Een aantal van voorgenoemde elementen waren voor het gerechtshof te Amsterdam in LJN:BN5784 aanleiding om een concrete berekeningsmethode toe te passen.

Dat betekent dat in de onderhavige zaak het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden berekend door middel van een concrete berekeningsmethode, namelijk op transactiebasis. Dat houdt in dat de opbrengsten, verkregen door middel van de bewezen verklaarde feiten, verminderd met de in redelijkheid gemaakte kosten, het wederrechtelijk verkregen voordeel vormen."

2.4.

Het Hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op basis van de zogenoemde methode van kasopstelling, waarbij uit de vergelijking van de (contante) uitgaven met de legale (contante) ontvangsten wordt afgeleid tot welk bedrag de betrokkene onverklaarde inkomsten heeft gekregen.

In de toelichting bij de klacht is betoogd dat het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd omdat in die berekening, althans in het daaraan ten grondslag gelegde "financieel onderzoek", geen schatting is gemaakt van het beginvermogen van de betrokkene, terwijl door de verdediging gemotiveerd is aangevoerd dat het Hof bij het berekenen van het voor de gedane uitgaven beschikbare bedrag tevens het beginvermogen van de betrokkene in ogenschouw had moeten nemen.

2.5.

Voor zover de klacht berust op de stelling dat het Hof heeft verzuimd het saldo van het vermogen vast te stellen waarover de betrokkene bij de aanvang van de onderzoeksperiode de beschikking had, faalt zij bij gebrek aan feitelijke grondslag. In de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gedurende de door het Hof in aanmerking genomen periode, ligt besloten dat het Hof ervan is uitgegaan dat de betrokkene bij de aanvang van de onderzoeksperiode niet de beschikking had over legale vermogensbestanddelen. Voor zover de klacht inhoudt dat het Hof gelet op 'het gevoerde verweer' de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, faalt zij eveneens. Hetgeen door en namens de betrokkene in verband met het beginvermogen is aangevoerd is door het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aangemerkt als een onvoldoende betwisting van het in het financieel onderzoek gekozen uitgangspunt omtrent het beginvermogen.

2.6.

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2014.