Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2838

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
13/04272
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:530, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1195, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Vordering tot betaling uit hoofde van een overeenkomst van borgtocht overeenkomstig de veroordeling in een Russisch vonnis. Vereisten voor erkenning van een buitenlands vonnis op de voet van art. 431 lid 2 Rv (HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1183, NJ 1994/348, HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1184, NJ 1994/350). Is vereist dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in het land van herkomst? Begrip ‘uitvoerbaar’ in art. 31 EEX-Verdrag (thans art. 38 lid 1 EEX-Verordening) (HvJEU 29 april 1999, ECLI:EU:C:1999:213, NJ 2000/477). Mogelijkheid om (subsidiair) aan de rechter een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil te vragen. Bewijskracht buitenlands vonnis (vgl. HR 23 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7917, NJ 1977/123). HR doet zelf de zaak af.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 431
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 986
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/197 met annotatie van M. Teekens
JOR 2014/350 met annotatie van mr. C.G. van der Plas
JBPR 2015/13
NTHR 2014, afl. 6, p. 305
Ars Aequi AA20150502 met annotatie van A.A.H. van Hoek
RvdW 2014/1059
NJB 2014/1778
JWB 2014/351
RBP 2014/90
NJ 2015/478

Uitspraak

26 september 2014

Eerste Kamer

nr. 13/04272

RM/LH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

De rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie GAZPROMBANK OPEN JOINT STOCK COMPANY,
gevestigd te Moskou, Russische Federatie,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. R.P.J.L. Tjittes en mr. J.W. de Jong.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Gazprombank en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 376329/HA ZA 11-914 van de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2011, 2 november 2011, 23 november 2011 en 9 mei 2012;

b. het arrest in de zaak 200.113.402/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Gazprombank beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Gazprombank mede door mr. B.F.L.M. Schim.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013 en tot afdoening van de zaak als in 2.16 van de conclusie aangegeven.

De advocaten van [verweerder] hebben bij brief van 20 juni 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij vonnis van 6 december 2005 van een rechtbank te Moskou, Russische Federatie (hierna: het Russische vonnis), is [verweerder] veroordeeld tot betaling van een bedrag van RUB 110.436.181,91 aan Gazprombank, op grond van een overeenkomst van borgtocht tussen partijen van 5 december 2003.

(ii) De akte van borgtocht bevat een exclusief forumkeuzebeding voor genoemde rechtbank te Moskou.

(iii) Het Russische vonnis heeft, nadat daartegen tevergeefs een rechtsmiddel was aangewend bij het Rechterlijke College voor civiele zaken van de stadsrechtbank van Moskou, in de Russische Federatie kracht van gewijsde gekregen.

(iv) Nadat Gazprombank heeft getracht deze veroordeling elders op [verweerder] ten uitvoer te leggen, heeft zij ten laste van [verweerder] conservatoire beslagen laten leggen in Nederland.

3.2

Voor zover in cassatie van belang vordert Gazprombank in het onderhavige geding in conventie primair dat [verweerder] overeenkomstig het Russische vonnis wordt veroordeeld tot hetgeen waartoe hij in dat vonnis is veroordeeld, en subsidiair dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling aan Gazprombank van een bedrag van RUB 87.090.552,72, een en ander te vermeerderen met de Nederlandse wettelijke rente bedoeld in art. 6:119 BW, te berekenen vanaf 10 april 2006, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, telkens met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten met inbegrip van de kosten van beslaglegging en de nakosten.

3.3

De rechtbank heeft de primaire vordering van Gazprombank toegewezen, zij het zonder de aanvullende veroordeling tot betaling van de Nederlandse wettelijke rente.

3.4.1

Het hof heeft de vorderingen van Gazprombank afgewezen. Daartoe heeft het als volgt overwogen.

3.4.2

Nu tussen Nederland en de Russische Federatie geen verdrag bestaat op grond waarvan het Russische vonnis voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt, bewandelt Gazprombank de weg van art. 431 lid 2 Rv. Volgens deze bepaling kan het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. In dat kader wordt evenwel aangenomen dat de rechter een behandeling ten gronde achterwege kan laten indien hij heeft vastgesteld dat het buitenlandse vonnis voldoet aan de eisen die het commune recht stelt aan erkenning. In dat geval kan worden volstaan met veroordeling van de gedaagde tot datgene waartoe hij ook reeds bij het buitenlandse vonnis was veroordeeld. Deze benadering wordt ook wel de “verkapte exequaturprocedure” genoemd. (rov. 7).

3.4.3

[verweerder] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat in het onderhavige geval is voldaan aan de vereisten die gelden voor de erkenning van een buitenlands vonnis in Nederland en dat het Russische vonnis in Nederland wordt erkend, zodat het hof hiervan uitgaat (rov. 8).

3.4.4

Volgens [verweerder] is in het kader van een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv ook vereist dat het buitenlandse vonnis in het land van herkomst uitvoerbaar is, aan welk vereiste niet is voldaan. Gazprombank huldigt het standpunt dat het vereiste van uitvoerbaarheid in het land van herkomst uitsluitend geldt in het kader van de exequaturverlening (op de voet van art. 985 Rv dan wel de EEX-Verordening), maar niet in het kader van de procedure van art. 431 lid 2 Rv. (rov. 9)

Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voornoemd vereiste van uitvoerbaarheid in bepaalde omstandigheden wel relevant kan zijn in de procedure bedoeld in art. 431 lid 2 Rv, namelijk voor zover deze procedure als verkapte exequaturprocedure wordt gebruikt. Voorop moet worden gesteld dat de procedure bedoeld in art. 431 lid 2 Rv op twee manieren kan worden gebruikt: zij kan worden ingezet voor een nieuwe behandeling ten gronde en afdoening van het geding door de Nederlandse rechter, maar zij kan ook worden ingezet als een verkapte exequaturprocedure. Voor zover sprake is van een verkapte exequaturprocedure – dus voor zover de vordering in een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv ertoe strekt dat de rechter, onder erkenning van het buitenlandse vonnis, zonder behandeling ten gronde de gedaagde veroordeelt conform dat buitenlandse vonnis – zal de rechter naar het oordeel van het hof als volgt te werk dienen te gaan. Komt de rechter tot het oordeel (i) dat het buitenlandse vonnis in Nederland kan worden erkend en (ii) dat een behandeling ten gronde achterwege kan blijven, dan kan hij volstaan met een veroordeling conform het buitenlandse vonnis. Daarvoor is dan wel vereist dat het buitenlandse vonnis in zijn land van herkomst in formele zin uitvoerbaar is ten tijde van de uitspraak van de Nederlandse rechter (vgl. HvJ EG 29 april 1999, C-267/97, NJ 2000, 477). (rov. 10)

De stellingen van [verweerder], inhoudende dat de aanvankelijke uitvoerbaarheid van het Russische vonnis naderhand is komen te vervallen en dat dit vonnis na 9 juni 2010 in de Russische Federatie niet meer uitvoerbaar is, zijn door Gazprombank onvoldoende gemotiveerd betwist (rov. 13-15).

Daarom moet worden aangenomen dat het Russische vonnis in de Russische Federatie niet meer uitvoerbaar is, zodat gelet op hetgeen in rov. 10 is overwogen, de vordering van Gazprombank moet worden afgewezen (rov. 16).

3.5

Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat voor toewijsbaarheid van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv rechtens niet het vereiste geldt dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in zijn land van herkomst.

Onderdeel 2 klaagt dat voor zover het ontbreken van uitvoerbaarheid van het Russische vonnis in de Russische Federatie in de weg kan staan aan een veroordeling conform dit vonnis, het hof heeft miskend dat het op de voet van art. 431 lid 2 Rv was gehouden de zaak opnieuw te behandelen en af te doen en op de voet van art. 23 Rv behoorde te beslissen op al hetgeen Gazprombank heeft gevorderd en aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.

3.6.1

Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.

3.6.2

Op grond van art. 431 lid 1 Rv kunnen noch beslissingen die zijn gegeven door de rechter van een vreemde staat, noch buiten Nederland verleden authentieke akten, binnen Nederland ten uitvoer worden gelegd, tenzij deze tenuitvoerlegging haar grondslag vindt in een verdrag of een wettelijke bepaling, een en ander als bedoeld in art. 985 dan wel art. 993 leden 1 en 2 Rv.
Op grond van art. 431 lid 2 Rv kan het geding dat ten overstaan van de buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. Een dergelijke procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv mondt uit in een uitspraak van de Nederlandse rechter.

3.6.3

Indien op de voet van art. 431 lid 2 Rv het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter aanhangig wordt gemaakt, dient deze te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent (vgl. HR 14 november 1924, NJ 1925, p. 91; HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1978, NJ 1997/258).

3.6.4

In een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

3.6.5

Strekt de vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, en is voldaan aan de vier hiervoor in 3.6.4 vermelde voorwaarden, dan dient de rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar (vgl. voor het geval waarin de buitenlandse rechter op grond van een forumkeuzeclausule bij uitsluiting bevoegd was HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1183, NJ 1994/348, en HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1184, NJ 1994/350).

3.6.6

Toewijzing van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv kan afstuiten op de grond dat de voor erkenning vatbare buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet dan wel niet meer uitvoerbaar is. In dit verband is van belang waarop de niet-uitvoerbaarheid van de buitenlandse beslissing berust.

3.6.7

In het kader van het EEX-Verdrag is beslist (HvJEU 29 april 1999 (zaak C-267/97), ECLI:EU:C:1999:213, NJ 2000/477 (Coursier/Fortis Bank)) dat het begrip “uitvoerbaar” in art. 31 EEX-Verdrag (thans art. 38 lid 1 EEX-Verordening) uitsluitend ziet op de formele uitvoerbaarheid van de buitenlandse beslissing, en niet op de voorwaarden waaronder die beslissing in de staat van herkomst ten uitvoer kan worden gelegd. Volgens het HvJEU moet in dit verband onderscheid worden gemaakt tussen de vraag of een beslissing formeel gezien uitvoerbaar is, en de vraag of deze beslissing wegens betaling van de schuld of om andere reden niet meer ten uitvoer kan worden gelegd.

3.6.8

Van een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing als hiervoor in 3.6.7 bedoeld, is onder meer sprake indien tegen de (niet bij voorraad uitvoerbare) beslissing in het land van herkomst een rechtsmiddel met schorsende werking is ingesteld, dan wel de beslissing door een hogere rechterlijke instantie van het land van herkomst is vernietigd. Een dergelijk beletsel dient zich eveneens aan indien in de beslissing zelf is bepaald of daaruit voortvloeit dat deze slechts binnen een bepaalde termijn kan worden ten uitvoer gelegd en deze termijn nog niet is aangevangen dan wel reeds is verstreken.

Onder een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing als hiervoor in 3.6.7 bedoeld, kan echter niet worden verstaan de verjaring of het verval van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de beslissing krachtens het recht van het land van herkomst daarvan, nu een en ander op zichzelf het gezag van de beslissing niet aantast.

3.6.9

Er is geen grond om in geval van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv andere uitgangspunten te hanteren bij de beoordeling van beletselen met betrekking tot de uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing dan hiervoor in 3.6.7-3.6.8 zijn vermeld.

Daarbij verdient opmerking dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van een beletsel met betrekking tot de uitvoerbaarheid als hier bedoeld, rusten op degene die aanvoert dat sprake is van een dergelijk beletsel.

3.6.10

Hetgeen hiervoor in 3.6.4-3.6.9 is overwogen, laat onverlet dat degene die zich verweert tegen toewijzing van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv, daartoe kan aanvoeren dat hetgeen in de buitenlandse beslissing is toegewezen, geheel of gedeeltelijk niet (langer) verschuldigd is, mits dit verweer niet aan de orde kon worden gesteld in de procedure die heeft geleid tot de buitenlandse beslissing, of dit verweer nadien is opgekomen. In een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv kan derhalve een beroep worden gedaan op een betaling of verrekening die heeft plaatsgevonden nadat de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen.

3.6.11

Ten slotte verdient opmerking dat de partij die in een geding ten overstaan van een buitenlandse rechter een voor haar gunstige beslissing heeft verkregen, niet is gehouden om in de procedure op grond van art. 431 lid 2 Rv een vordering in te stellen die strekt tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. Het staat deze partij vrij om een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil aan de rechter te vragen. In het laatste geval is het aan de rechter om te oordelen of, en zo ja, welke bewijskracht aan de buitenlandse beslissing wordt toegekend (vgl. HR 23 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7917, NJ 1977/123).

Deze nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil kan ook subsidiair worden verlangd, voor het geval de primaire vordering die strekt tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, niet voor toewijzing vatbaar is.

3.7

Hetgeen hiervoor in 3.6.6-3.6.9 is overwogen, brengt mee dat onderdeel 1 faalt voor zover het tot uitgangspunt neemt dat voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv niet het vereiste geldt dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in het land van herkomst. Toewijzing van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv kan immers afstuiten op de grond dat de buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet dan wel niet meer uitvoerbaar is.

Onderdeel 1 slaagt evenwel voor zover het opkomt tegen het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval sprake is van een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van het Russische vonnis. Door het beroep van [verweerder] op het verval van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het Russische vonnis volgens het Russische recht te honoreren, heeft het hof miskend dat dit verval niet het gezag van het Russische vonnis aantast, maar slechts meebrengt dat dit vonnis in de Russische Federatie niet meer ten uitvoer kan worden gelegd.

3.8

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. In cassatie staat vast dat het Russische vonnis voldoet aan de vereisten die gelden voor de erkenning van een buitenlands vonnis in Nederland en dat het in Nederland wordt erkend (zie hiervoor in 3.4.3). Voor zover in cassatie van belang heeft [verweerder] in hoger beroep het eindvonnis van de rechtbank voor zover daarin de vordering van Gazprombank in conventie is toegewezen, louter bestreden met een beroep op het verval van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het Russische vonnis in de Russische Federatie volgens het Russische recht, welk beroep blijkens hetgeen hiervoor in 3.7 is overwogen, geen doel treft. De Hoge Raad zal dan ook het bestreden arrest vernietigen en het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigen.

3.9

Hetgeen hiervoor in 3.8 is overwogen, brengt mee dat Gazprombank geen belang heeft bij de behandeling van onderdeel 2. Hetzelfde geldt voor de voortbouwende klacht van onderdeel 3.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013 voor zover het hof het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2012 heeft vernietigd en, opnieuw rechtdoende, in conventie de vorderingen van Gazprombank heeft afgewezen, in conventie en reconventie Gazprombank heeft veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg, en Gazprombank heeft veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2012;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in hoger beroep en van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Gazprombank begroot:

- in hoger beroep op € 9.416,--;

- in cassatie op € 6.361,89 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.E. Drion, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 26 september 2014.