Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2778

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
13/03783
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 4:17 Awb. Art. 7:10, lid 4, letter a, Awb. Bestuursorgaan in verzuim na ontvangst van brief waarin belanghebbende instemming met uitstel beslissing op bezwaar beëindigt. Ingebrekestelling door belanghebbende niet prematuur. Bestuursorgaan verbeurt maximale dwangsom.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2199
JB 2014/210
V-N Vandaag 2014/1901
V-N 2014/52.4
FED 2014/95
AB 2014/398
BNB 2015/109

Uitspraak

26 september 2014

nr. 13/03783

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013, nr. 13/00002, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 12/2935) betreffende de beschikking op een verzoek om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) ingevolge de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3 Beoordeling van de klachten

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

De SVB heeft belanghebbende bij brief van 5 mei 2011 meegedeeld dat hij geen tegemoetkoming krijgt op grond van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (hierna: de beschikking).

3.1.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 6 juni 2011 bezwaar gemaakt tegen de beschikking.

3.1.3.

In de 30 juni 2011 gedagtekende ontvangstbevestiging van het hiervoor bedoelde bezwaarschrift (hierna: de brief van 30 juni 2011) heeft de SVB belanghebbende meegedeeld dat een groot aantal andere personen eenzelfde bezwaar heeft ingediend en hem om die reden voorgesteld het bezwaarschrift aan te houden. Na uitspraak van de hoogste rechter over de uitleg van de wet zal, aldus deze brief, de SVB een beslissing op het bezwaar nemen. De brief vermeldt voorts dat alsnog een beslissing op het bezwaar wordt gestuurd indien belanghebbende te kennen geeft niet op de uitspraak van de rechter te willen wachten, tegen welke beslissing belanghebbende dan in beroep kan gaan.

3.1.4.

Naar aanleiding van een voor hem gunstige uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 3 april 2012 (ECLI:NL:RBHAA:2012:BW0666) heeft belanghebbende bij brief van 25 april 2012 de SVB verzocht te beslissen dat de in 3.1.1 bedoelde tegemoetkoming per ommegaande betaalbaar wordt gesteld onder vergoeding van de wettelijke rente. Tevens stelde belanghebbende de SVB in die brief in gebreke ter zake van het niet tijdig beslissen op bezwaar, met het uitdrukkelijke verzoek aan de SVB om het verzuim binnen 14 dagen op te heffen.

3.1.5.

Op 15 juni 2012 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank wegens het ‘niet tijdig beslissen op bezwaarschrift van 6 juni 2011’.

3.1.6.

Bij de 29 juni 2012 gedagtekende uitspraak op bezwaar heeft de SVB het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1.7.

De Rechtbank heeft het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard en voor zover het is gericht tegen de hiervoor in 3.1.6 bedoelde uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, die uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking herroepen, vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op de onder 3.1.1 bedoelde tegemoetkoming vanaf 1 juni 2011, en de SVB veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade in de vorm van wettelijke rente over de nabetaling van die tegemoetkoming. De Rechtbank heeft geen dwangsom toegekend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

3.2.

Voor het Hof was nog slechts in geschil of de SVB wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom verbeurd heeft.

3.3.

Het Hof heeft in navolging van de Rechtbank geoordeeld dat de SVB geen dwangsom heeft verbeurd. Het heeft daartoe (onder meer) de overweging van de Rechtbank overgenomen en tot de zijne gemaakt dat, gelet op de termijn waarop de behandeling van het bezwaarschrift is aangehouden, 23 mei 2012 de laatste dag was van de termijn waarbinnen de SVB op het bezwaar diende te beslissen. Hoewel de SVB op 29 juni 2012 en dus buiten deze termijn uitspraak op bezwaar heeft gedaan, heeft belanghebbende de SVB vóór het verstrijken van de uitspraaktermijn en dus prematuur in gebreke gesteld, aldus het Hof in navolging van de Rechtbank. Hieraan heeft het Hof nog toegevoegd dat uit het bepaalde in artikel 7:10, lid 4, van de Awb volgt dat verdaging van de beslistermijn niet alleen mogelijk is voor de periode dat sprake is van verzuim door de indiener, en dat de wet niet eist dat de belanghebbende schriftelijk instemt met uitstel van de beslistermijn.

3.4.1.

De klachten richten zich tegen het hiervoor weergegeven oordeel van het Hof dat de SVB geen dwangsom heeft verbeurd. Bij de beoordeling van die klachten moet het volgende worden vooropgesteld.

3.4.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:10, lid 1, van de Awb bedraagt de beslistermijn voor het bestuursorgaan in beginsel zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. Die termijn wordt opgeschort voor zolang de indiener in verzuim is als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb (lid 2 van voormeld artikel). Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen (lid 3 van meervermeld artikel). Verder uitstel is (onder meer) mogelijk voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen (lid 4, aanhef en letter a, van meervermeld artikel).

3.4.3. ’

s Hofs oordeel berust kennelijk op de opvatting dat uitstel in de zin van artikel 7:10, lid 4, van de Awb de beslistermijn als bedoeld in het eerste lid van dat artikel opschort, als gevolg waarvan in het onderhavige geval na belanghebbendes brief van 25 april 2012 nog een ongebruikt deel van de beslistermijn zou resteren, zodat de in die brief vervatte ingebrekestelling prematuur zou zijn. Die opvatting is onjuist. Opschorting vindt slechts plaats in de gevallen bedoeld in het tweede lid van artikel 7:10 Awb. De klachten slagen daarom.

3.5.1.

De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.5.2.

Uit de brief van 30 juni 2011 kan niets anders worden afgeleid dan dat de SVB de duur van het uitstel (mede) heeft willen laten afhangen van belanghebbendes bereidheid om te wachten op de afloop van een lopende procedure betreffende dezelfde materie.

3.5.3.

Met de in 3.1.4 bedoelde brief van 25 april 2012 heeft belanghebbende te kennen gegeven niet langer bereid te zijn te wachten op de beslissing op het bezwaar. Noch uit de brief van 30 juni 2011, noch uit de overige stukken van het geding blijkt van een afspraak tussen partijen op grond waarvan de SVB in dat geval nog een nadere termijn heeft om op het bezwaar te beslissen. Dit brengt mee dat het uitstel voor het geven van een beslissing op het bezwaar met belanghebbendes brief van 25 april 2012 met onmiddellijke ingang is beëindigd, zodat de SVB vanaf het moment van ontvangst van die brief in verzuim is. De in dezelfde brief vervatte ingebrekestelling is derhalve niet prematuur.

3.5.4.

Aangezien belanghebbende met zijn brief van 25 april 2012 de SVB in gebreke heeft gesteld en de SVB pas op 29 juni 2012 op het bezwaar heeft beslist, heeft de SVB een dwangsom verbeurd die met inachtneming van artikel 4:17, leden 1, 2 en 3, van de Awb € 1260 bedraagt, zijnde het bedrag dat op grond van de in die bepalingen vervatte regeling ten hoogste verschuldigd is.

4 Proceskosten

De SVB zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en in de kosten van het geding voor het Hof. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 13/03789 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, doch uitsluitend voor zover daarbij geen dwangsom is toegekend,

stelt de door de SVB verbeurde dwangsom vast op € 1260,

gelast dat de SVB aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118, en het ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 115, derhalve in totaal € 233,

veroordeelt de SVB in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1948, derhalve € 974, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 487, derhalve € 243,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2014.