Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2777

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
13/06013
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2013:5226, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 9a, lid 1, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2005). Komt jonge profvoetballer in aanmerking voor de 30%-regeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2190 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/23
V-N 2014/52.11
V-N Vandaag 2014/1900
BNB 2015/35

Uitspraak

26 september 2014

nr. 13/06013

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z], België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 november 2013, nr. 13/00251, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 11/4159) betreffende de beschikking als bedoeld in artikel 9h, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. M. Mees, advocaat te Amsterdam.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

2.1.1.

Belanghebbende is [in] 1987 geboren en heeft de Belgische nationaliteit.

2.1.2.

Vanaf 1999 heeft belanghebbende in de jeugdelftallen van de Belgische voetbalclub [A] (hierna: [A]) gespeeld. Vanaf het seizoen 2003/2004 werd hij geselecteerd voor de beloften/reserves en vanaf januari 2005 maakte hij deel uit van de eerste selectie van [A]. Belanghebbende is vanaf 2003 voor in totaal 23 wedstrijden geselecteerd voor (jeugd)teams van de Belgische nationale voetbalploeg. Hij was aanvoerder van het nationale team onder 19 jaar.

2.1.3.

Met ingang van 1 juli 2005 is belanghebbende voor de duur van vier jaar in dienst getreden van de Nederlandse voetbalclub [B]. Het bruto basissalaris bij aanvang van de dienstbetrekking bedroeg € 8000 per maand.

2.1.4.

Bij [B] heeft belanghebbende in het seizoen 2005/2006 één wedstrijd gespeeld, waarin hij tien minuten in het veld is geweest. In de loop van dat seizoen is hij verhuurd aan de voetbalclub [C].

2.2.

Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van de 30%-regeling.

2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat voor een jonge sporter voor de toepassing van de 30%-regeling het belangrijkste struikelblok niet de leeftijd is, maar veeleer de voor de functie relevante ervaring. Volgens het Hof is talent niet genoeg en moet er bij indiensttreding ook voor de functie relevante werkervaring zijn. Of talent en ervaring zijn uitgegroeid tot een schaarse specifieke deskundigheid kan volgens het Hof worden bepaald aan de hand van de vraag hoe vaak en hoe lang het talent zich vóór indiensttreding in Nederland op het hoogste niveau heeft bewezen dan wel heeft kunnen handhaven. Voor een jonge voetballer moet naar het oordeel van het Hof worden bepaald hoe vaak en hoe lang hij op een niveau heeft gespeeld dat vergelijkbaar is met dat van de Nederlandse eredivisie.

Volgens het Hof heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, onvoldoende feiten aangevoerd waaruit blijkt hoe vaak hij daadwerkelijk heeft gespeeld bij het eerste elftal van [A]. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende bij indiensttreding over onvoldoende voor de functie bij [B] relevante ervaring beschikte, aldus het Hof.

2.4.1.

Op grond van artikel 9a, lid 1, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2005; hierna: het Besluit), wordt bij de beoordeling of een ingekomen werknemer beschikt over een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is in onderlinge samenhang rekening gehouden met – voor zover relevant – (a) het niveau van de door de werknemer gevolgde opleiding, (b) de voor de functie relevante ervaring van de werknemer, en (c) het beloningsniveau van de onderhavige functie in Nederland in verhouding tot het beloningsniveau in het land van herkomst van de werknemer.

2.4.2.

Het middel gaat er terecht vanuit dat de beoordeling of de zojuist bedoelde schaarse specifieke deskundigheid aanwezig is, niet uitsluitend behoort plaats te vinden aan de hand van de factor relevante ervaring. Ook de overige in voornoemd artikel 9a, lid 1, van het Besluit genoemde factoren moeten, voor zover relevant, in hun onderlinge samenhang worden meegewogen. Echter, anders dan het middel betoogt, blijkt uit ’s Hofs uitspraak niet dat het Hof het voorgaande heeft miskend. Met zijn overweging dat in het geval van een jonge sporter het belangrijkste struikelblok de voor de functie relevante ervaring is, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat in een dergelijk geval de aard van de werkzaamheden meebrengt bij de hiervoor in 2.4.1 bedoelde, door de wet verlangde samenhangende beoordeling van de vermelde voorwaarden – voor zover al relevant - doorslaggevende betekenis toekomt aan de voorwaarde van het beschikken over voldoende voor de functie relevante ervaring. Aldus begrepen geeft het door het middel bestreden oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

2.4.3.

Het Hof is ervan uitgegaan dat de tot schaarse specifieke deskundigheid bijdragende ervaring door een (jonge) voetballer slechts kan worden opgedaan door te trainen en spelen op een niveau dat vergelijkbaar is met dat van de Nederlandse eredivisie. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende heeft aangevoerd om te voldoen aan de op hem rustende last te bewijzen dat hij over voldoende voor de functie relevante ervaring beschikt. Daarmee heeft het Hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kunnen deze oordelen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

2.4.4.

Gelet op hetgeen hiervoor in de onderdelen 2.4.2 en 2.4.3 is overwogene faalt het middel.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2014.