Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2768

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
13/04995
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1611, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht diefstal in vereniging. Wegnemen. ’s Hofs oordeel dat vd en zijn medevd de fiets tezamen en in vereniging hebben “weggenomen” in de in art. 310 Sr bedoelde zin door de fiets op te pakken, te verslepen, in de auto te laden en daarmee weg te rijden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/1119

Uitspraak

23 september 2014

Strafkamer

nr. 13/04995

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 oktober 2013, nummer 20/001338-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde diefstal in vereniging niet uit de gebezigde bewijsvoering kan volgen.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 11 augustus 2010 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (Sparta), toebehorende aan [betrokkene 1]."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

"2. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Gemert-Laarbeek, nr. PL2212 2010122214-12, d.d. 12 augustus 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent (p. 13-14 van het proces-verbaal met registratienummer PL2212 2010122214-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2]:

Op 11 augustus 2010 was ik op bij de Elisabethplaats te Gemert. Ik zag dat een man met een afgesloten fiets vanuit de richting van de Nettorama kwam gelopen. De man kwam bij een auto waar een andere man stond te wachten. Deze mannen hebben toen samen de fiets achter in de auto geladen. De auto reed snel met piepende banden weg. Het was een groene auto, ik heb het kenteken opgenomen. Dit nummer heb ik bij de receptie van de Nettorama achtergelaten. Ik weet nu niet meer welk kenteken het was, het begon met [AA-00].

3. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Gemert-Laarbeek, nr. PL2212 2010122214-4, d.d. 11 augustus 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent van politie (p. 34-36 van het proces-verbaal met registratienummer PL2212 2010122214-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen:

Op 11 augustus 2010 troffen wij, verbalisanten, ter hoogte van de [a-straat 1] te Uden een groene Saab met het kenteken [AA-00-BB] aan. Dit betreft een appartementencomplex. Op het moment dat we bij dit voertuig stonden kwamen er twee mannen uit dit appartementencomplex gelopen die wij aanspraken en vroegen of een van hen zojuist in de Saab had gereden. Een van deze mannen gaf aan dat hij zojuist in het voertuig had gereden. Deze persoon legitimeerde zich als [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats].

Vervolgens hebben wij aan de tweede persoon gevraagd of hij ook in het voertuig had gezeten en deze gaf aan samen met [verdachte] te hebben gereden. Deze persoon legitimeerde zich als [betrokkene 3].

Deze persoon (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) werd door mij [verbalisant 2] gevraagd even met mij mee te lopen waardoor ik hem ongestoord wat vragen kon stellen. Ik, [verbalisant 2], vroeg hem of hij zojuist in Gemert was geweest en of ze daar een fiets hadden meegenomen. Hierop antwoordde hij dat dit inderdaad het geval was en een fiets had opgehaald. De fiets stond bij [betrokkene 3] in de berging op de [a-straat 2].

De fiets, een Sparta met doorgeslepen ringslot, werd door de politie te Uden meegenomen.

4. (...)

5. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Gemert-Laarbeek, nr. PL2212 2010122214-13, d.d. 12 augustus 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent (p. 28-31 van het proces-verbaal met registratienummer PL2212 2010122214-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3]:

Op 11 augustus 2011 ben ik met [verdachte] in een groene Saab naar Gemert gereden. Bij de supermarkt Nettorama heb ik een nieuwe Sparta fiets gepakt. Ik zag dat de fiets op slot stond. Ik heb de fiets opgepakt en ben ermee weggelopen. Bij de auto hebben [verdachte] en ik de fiets in de kofferbak van de auto gelegd. Wij reden naar mijn woning. Wij hebben samen de fiets uit de kofferbak getild en ik heb de fiets de berging ingeduwd.

6. Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Gemert-Laarbeek, nr. PL2212 2010122214-14, d.d. 12 augustus 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent (p. 45-48 van het proces-verbaal met registratienummer PL2212 2010122214-1), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte [verdachte]:

Op 11 augustus 2010 ben ik met [betrokkene 3] in een groene Saab, met kenteken [AA-00-BB] naar Gemert gereden. [betrokkene 3] zei tegen mij op de parkeerplaats dat ik moest stoppen, zodat hij via een steegje langs de Nettorama de fiets kon ophalen. Ik zag dat [betrokkene 3] terugkwam met de fiets. Ik zag dat [betrokkene 3] de fiets aan de bagagedrager optilde omdat de fiets op slot stond. Ik zag dat het een damesfiets van het merk Sparta betrof. Ik kreeg direct de indruk dat het niet goed zat en dat [betrokkene 3] zojuist een fiets had weggenomen. Ik maakte de kofferbak van de auto open en pakte het achterwiel van de fiets. Ik hielp [betrokkene 3] mee de fiets in de kofferbak te leggen. Ik ben in de auto gestapt en [betrokkene 3] kwam op de passagiersstoel naast mij zitten. Ik hoorde dat [betrokkene 3] zei: "Rijden, rijden." Ik ben direct naar zijn huis gereden. Wij hebben samen de fiets uit de achterbak genomen. Ik heb in de berging het slot van de fiets met een slijptol doorgeslepen. [betrokkene 3] stond hierbij en keek ernaar terwijl ik hiermee bezig was."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen:

"II.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden bewezen dat hij opzet heeft gehad ten aanzien van het medeplegen van de onderhavige diefstal. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat medeverdachte [betrokkene 3] de verdachte wijs had gemaakt dat hij op verzoek van een vriendin een fiets in Gemert zou ophalen en dat hij zijn vriend aldus te goeder trouw daarbij heeft geholpen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte en medeverdachte hebben beiden bij gelegenheid van hun verhoren door de politie verklaard dat het hun bedoeling was om op verzoek van een zekere "[betrokkene 4]" een fiets op te halen die zou staan bij supermarkt Nettorama in Gemert. Uit het opsporingsonderzoek noch het onderzoek ter terechtzitting is een enkele aanwijzing naar voren gekomen die het bestaan van deze "[betrokkene 4]" dan wel van de door de verdachte gestelde afspraak met deze persoon aannemelijk zou maken. Het hof schuift de verklaring van de verdachte dienaangaande dan ook als ongeloofwaardig terzijde.

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen heeft het hof de overtuiging bekomen dat de verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [betrokkene 3], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, de onderhavige fiets heeft weggenomen.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

III.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd."

2.3.

Ter toelichting op de klacht van het middel wordt betoogd dat het Hof het verweer dat de verdachte te goeder trouw de medeverdachte heeft geholpen met het vervoer van de fiets ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof, door als ongeloofwaardig terzijde te stellen de verklaring van de verdachte dat het de bedoeling van hem en zijn medeverdachte was om op verzoek van een zekere [betrokkene 4] de fiets op te halen, de mogelijkheid heeft open gelaten dat de medeverdachte de verdachte had wijsgemaakt dat zo'n verzoek voorlag.

2.4.

Met de terzijdestelling als ongeloofwaardig van die verklaring van de verdachte heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte van een zodanig verzoek van [betrokkene 4] ook niet mocht uitgaan omdat zijn medeverdachte hem dat had wijsgemaakt. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.5.

Voorts heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte de in de bewezenverklaring genoemde fiets tezamen en in vereniging hebben "weggenomen" in de in art. 310 Sr bedoelde zin door deze fiets op te pakken, te verslepen, in de auto te laden en daarmee weg te rijden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt is het eveneens tevergeefs voorgesteld.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2014.