Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2764

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
12/05887
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1542, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring. Het als bewijs bezigen van een beroep op het zwijgrecht is niet toelaatbaar. De HR herhaalt de toepasselijke rechtsregel uit ECLI:NL:HR:1997:ZD0733. I.c. heeft het Hof de weigering van verdachte te verklaren over de in de bewezenverklaring vermelde auto als bewijsmiddel gebezigd. Dat is in strijd met voornoemde rechtsregel. In zoverre is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed. Dat het Hof de juistheid van een nadien door verdachte afgelegde verklaring over de in de bewezenverklaring vermelde auto niet aannemelijk heeft geacht leidt niet tot een ander oordeel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 29
Wetboek van Strafvordering 339
Wetboek van Strafvordering 341
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/246
SR-Updates.nl 2014-0361
RvdW 2014/1072

Uitspraak

16 september 2014

Strafkamer

nr. S 12/05887

SG/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 december 2012, nummer 23/000289-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde ten onrechte mede heeft doen steunen op de omstandigheid dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 6 april 2009 te Amsterdam een auto Audi A4 TD, kenteken [AA-00-AA], voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:

"8. Proces-verbaal van verhoor van de verdachte met nummer 2009092786-21 van 6 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 46 en verder).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Vraag: we hebben je auto - een Audi kenteken [AA-00-AA] - in beslag genomen. Hoe kom je aan dit waardevolle goed?

Antwoord: Ik wil daar geen antwoord op geven."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde voorts nog het volgende overwogen:

"Audi A4

Uit het proces-verbaal van witwassen blijkt dat de Audi A4 ten tijde van de aankoop door de verdachte op 27 januari 2009 een waarde had van € 12.225,–. Gelet op de hoge waarde van de auto mag van de verdachte een verklaring voor de herkomst van het daarvoor benodigde geld verlangd worden. De verdachte heeft verklaard dat hij de Audi heeft gekocht met de € 15.000,– die hij van [betrokkene 1] heeft geleend. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 7 januari 2011 verklaard dat hij aan [betrokkene 1] geen rente hoefde te betalen voor de lening en dat hij het geld terug zou betalen door werkzaamheden te verrichten voor [betrokkene 1]. De terugbetaling zou vanaf juli 2009 beginnen. [betrokkene 1] heeft bij de politie op 9 december 2009 (dossierpagina's 39 tot en met 41) verklaard dat hij een geldbedrag van € 15.000,– aan de verdachte heeft geleend, dat hij alleen zakelijk contact heeft met de verdachte, dat de verdachte werkzaamheden voor hem heeft verricht en daarmee een gedeelte van de lening heeft verrekend, dat zijn boekhouder van de leningovereenkomst niet weet, maar wel van de facturen die de verdachte heeft gegeven voor de door hem verrichte werkzaamheden. De boekhouder van [betrokkene 1], [betrokkene 2] heeft echter op 9 december 2009 ten overstaan van de politie verklaard (dossierpagina's 42 en 43) dat in de boekhouding van [betrokkene 1] geen crediteur met de naam "[verdachte]" bekend is en dat [betrokkene 1] telefonisch aan hem heeft medegedeeld dat de facturen nog bij hem, [betrokkene 1], zijn.

Onder de hiervoor omschreven omstandigheden acht het hof de verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het bezit van de Audi A4 niet aannemelijk geworden. Het hof acht het hoogst onwaarschijnlijk dat [betrokkene 1] een dergelijk hoog geldbedrag aan de verdachte zou hebben uitgeleend zonder rente of terugbetalingsregeling. Dat de verdachte werkzaamheden heeft verricht voor [betrokkene 1] en die diensten heeft verrekend met de lening is niet aannemelijk geworden gelet op de voormelde verklaring van [betrokkene 2].

Blijkens het proces-verbaal van witwasconstructie van 7 januari 2010, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], is het kenteken van de Audi op 28 januari 2009 op naam van de verdachte gesteld, terwijl bij de belastingdienst geen gegevens van de verdachte bekend zijn in de jaren 2008 en 2009, zodat aangenomen kan worden dat de verdachte in die periode geen legale inkomsten heeft gehad waarmee hij de auto kon financieren. De sloopwerkzaamheden of de klusjes die de verdachte af en toe zou hebben uitgevoerd zijn niet nader geconcretiseerd, zodat niet aannemelijk is geworden dat de beloning daarvoor toereikend was om een auto ter waarde van € 12.225,- aan te kunnen schaffen.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de Audi A4 is verkregen uit enig misdrijf."

2.3.

Bij de beoordeling van de klacht moet het volgende worden vooropgesteld. De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).

2.4.

Blijkens hetgeen hiervoor onder 2.2.2 is weergegeven heeft het Hof de weigering van de verdachte te verklaren over de in de bewezenverklaring vermelde auto als bewijsmiddel gebezigd. Dat is in strijd met voornoemde rechtsregel. In zoverre is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed en slaagt het middel. Dat het Hof, blijkens hetgeen hiervoor onder 2.2.3 is weergegeven, de juistheid van een nadien door de verdachte afgelegde verklaring over de in de bewezenverklaring vermelde auto niet aannemelijk heeft geacht, leidt niet tot een ander oordeel.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2014.