Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2755

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
13/03644
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:924, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gebruik van bij de politie afgelegde, nadien bij de R-C of ttz. ingetrokken, getuigenverklaringen voor het bewijs. Voortbouwend appel. Verplichting tot oproeping van de betreffende getuige. De HR ziet in ‘voortbouwend appel’ aanleiding de regels gesteld in ECLI:NL:HR:1994:AB7528, NJ 1994/427, wat betreft de appelfase, te nuanceren.

Met een ‘voortbouwend appel’ valt immers niet goed te verenigen dat de rechter in h.b. steeds ambtshalve als getuige moet oproepen de persoon wiens in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring, welke tijdens een verhoor door de R-C of tijdens de tz. in e.a. is ingetrokken, het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van vd bij het tlgd. rechtstreeks kan volgen. Het ligt bij voortbouwend appel in de rede dat het aan de procespartijen en de appelrechter wordt overgelaten te beoordelen of een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dat die persoon op de tz. als getuige wordt gehoord.

Het Hof heeft vastgesteld dat X, nadat zij t.o.v. de politie de bedoelde verklaringen had afgelegd, door de R-C is gehoord en t.o.v. deze die eerder afgelegde verklaringen heeft gewijzigd en een op essentiële punten vd ontlastende, nadere verklaring heeft afgelegd. I.c. doet zich hier, gelet op de verklaring van Y, niet de situatie voor dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van X het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van vd bij het tlgd. rechtstreeks kan volgen. Deze zaak moet niettemin met zodanige situatie op één lijn worden gesteld, nu deze wordt gekenmerkt door de bijz. omst. dat de verklaring van Y omtrent de betrokkenheid van vd bij het tlgd. uitsluitend is gebaseerd op hetgeen X haar heeft meegedeeld, terwijl X kort daarop bij de politie haar - nadien ingetrokken - verklaring omtrent die betrokkenheid heeft afgelegd. Het p-v van de tz. in h.b. houdt in dat vd aldaar is verschenen en ook zijn raadsvrouwe aanwezig was. Het p-v houdt niet in dat aldaar door of namens vd is verzocht X als getuige op te roepen met het oog op het tlgd., zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat een zodanig verzoek niet is gedaan. Evenmin heeft het Hof ambtshalve de oproeping van X als getuige ttz. bevolen. ’s Hofs oordeel dat diens in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen voor het bewijs van het tlgd. kunnen worden gebruikt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Cag: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0363
RvdW 2014/1116

Uitspraak

23 september 2014

Strafkamer

nr. 13/03644

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 8 juli 2013, nummer 21/003370-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 18 oktober 2012 te Nieuwegein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer] eenmaal (met kracht) met zijn vuist tegen het gezicht en/of de rechteroogkas van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond is gevallen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 40-41 van het proces-verbaal genummerd 2012232897) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:

Op 18 oktober 2012 omstreeks 17.02 uur kregen wij verbalisanten de melding te gaan naar de Zonnestudio op de [a-straat] te Nieuwegein. Er zou daar een vrouw zijn geslagen door een ex vriend. Omstreeks 17.05 waren wij ter plaatse. Wij zagen dat de genoemde vrouw een hoofdwond had net boven haar rechteroog. Wij zagen dat deze wond aan het bloeden was. De vrouw gaf op te zijn [slachtoffer].

Wij hoorden haar in het kort verklaren:

- dat ze met een vriendin naar de zonnestudio was gegaan

- dat ze bij het aankleden iemand op de deur hoorde kloppen

- dat ze de deur opendeed en dat haar ex naar binnen liep

- dat ze zag dat hij boos was en steeds bozer werd

- dat ze op een gegeven moment een harde klap kreeg, met vermoedelijk zijn vuist en dat ze hierdoor op de grond viel

- dat ze gelijk voelde dat ze begon te bloeden

- dat ze bij het opstaan zag dat haar ex inmiddels was verdwenen

- dat ze hier absoluut geen aangifte wilde doen omdat ze bang was voor de gevolgen van een aangifte

- dat haar ex [verdachte] zou heten.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 45 van het proces-verbaal genummerd 2012232897) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

Op 19 oktober 2012 heb ik gebeld met [slachtoffer]. [slachtoffer] vertelde het volgende:

- dat zij met een vriendin in een zonnestudio in Nieuwegein was

- dat haar ex-vriend [verdachte] ineens binnen was gekomen en haar in haar gezicht had geslagen waardoor zij een snee boven haar oog had

- dat in het ziekenhuis was gebleken dat ze een gebroken oogkas had door de mishandeling

- dat zij bang was dat [verdachte] haar wat aan zou doen als ze aangifte tegen [verdachte] zou doen.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een verslag CT van M.J.L. Descamps, radioloog (als bijlage op pagina 52 van het proces-verbaal genummerd 2012232897) voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Vraagstelling en/of klinische informatie: status na vuistslag op rechteroogkas waarna val op achterhoofd met bewustzijnsverlies. Conclusie: er is een fractuur van de rechter orbitabodem.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 71-72 van het proces-verbaal genummerd 2012232897) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige]:

Op 18 oktober 2012 zat ik op de bank in de zonnestudio op de [a-straat] in Nieuwegein. Ik hoorde een luid gegil komen uit hokje 2 of 3. Ik zag dat de deur open ging en dat er een hele brede man uit dit hokje kwam lopen. Achter deze man zag ik op de grond een vrouw liggen. Ik zag dat ze bloedde aan de rechterzijkant van haar gezicht. Ik zag op de grond naast haar hoofd bloed liggen. Ik zag dat ze een wond had boven haar rechteroog. Toen wij op de politie zaten te wachten vertelde de vrouw aan ons dat haar man boos was omdat ze iets heeft weg laten halen. Ze vertelde dat hij haar net had geslagen.

5. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 24 juni 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

U vraagt mij waar wij op 18 oktober 2012 ruzie over hadden. [slachtoffer] en ik hadden sowieso al ruzie, zij belde mij om het goed te maken. Ik ben daarom naar de zonnestudio gegaan."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. [slachtoffer] heeft op 18 en 19 oktober 2012 tegenover de politie verklaard dat zij door haar ex-vriend [verdachte] in haar gezicht was geslagen. [slachtoffer] durfde uit angst voor de gevolgen geen aangifte te doen. [slachtoffer] heeft haar verklaring later bij de rechter-commissaris gewijzigd. [slachtoffer] zou zijn uitgegleden en ten val zijn gekomen bij het duwen en trekken om een mobiele telefoon in handen te krijgen. Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer], afgelegd op 18 en 19 oktober 2012 (opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen) geloofwaardiger dan haar latere verklaring bij de rechter-commissaris. Het hof acht deze eerste verklaringen geloofwaardiger, mede omdat haar latere verklaring is afgelegd toen het contact tussen verdachte en [slachtoffer] weer was hersteld. De eerste verklaringen van [slachtoffer] passen bovendien bij het geconstateerde letsel. Het hof acht op grond van die eerste verklaring van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een poging heeft gedaan om aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door haar met zijn vuist tegen het gezicht (oogkas) te slaan."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer] (bewijsmiddelen 1 en 2) voor het bewijs heeft gebezigd.

3.2.

In zijn arrest van 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994: AB7528, NJ 1994/427, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

(i) Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het tenlastegelegde feit door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient op te roepen dan wel dat de rechter zodanige oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voor zover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

(ii) Dit zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal, inhoudend een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd. Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.

3.3.

Nadien is op 1 maart 2007 de Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de tenlastelegging (Stb. 470, hierna: Wet stroomlijnen hoger beroep) in werking getreden. Die wet strekt ter invoering van een zogenoemd voortbouwend appel. Dit is in art. 415, tweede lid, Sv aldus verwoord:

"Het gerechtshof richt het onderzoek ter terechtzitting op de bezwaren die door de verdachte en het openbaar ministerie worden ingebracht tegen het vonnis, in eerste aanleg gewezen, en op hetgeen overigens nodig is."

3.4.

Aan het voortbouwend appel ligt onder meer de gedachte ten grondslag dat, hoewel de behandeling van de zaak in hoger beroep in beginsel als een nieuwe behandeling van de zaak moet worden aangemerkt, de appelrechter nochtans de bevoegdheid wordt geboden de behandeling van de zaak te concentreren op de geschilpunten die door de procesdeelnemers zijn kenbaar gemaakt, bijvoorbeeld door middel van de appelschriftuur als bedoeld in art. 410 Sv, en dat hij aan onbestreden onderdelen van het vonnis in eerste aanleg in beginsel geen aandacht behoeft te besteden mits hij deze onderdelen niet uit hoofde van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juiste beoordeling van de vragen van de art. 348 en 350 Sv aan de orde wil stellen.

3.5.

In de omstandigheid dat in verband met de Wet stroomlijnen hoger beroep een strafzaak - in daarvoor in aanmerking komende gevallen - in hoger beroep niet in volle omvang ter terechtzitting behandeld behoeft te worden, ziet de Hoge Raad thans aanleiding zijn eerdere rechtspraak, zoals hiervoor onder 3.2 weergegeven, wat betreft de appelfase te nuanceren. Met een 'voortbouwend appel' valt immers niet goed te verenigen dat de rechter in hoger beroep steeds ambtshalve ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moet oproepen de persoon wiens in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring welke tijdens een verhoor door de rechter-commissaris of tijdens de terechtzitting in eerste aanleg is ingetrokken, het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen. Het ligt bij een voortbouwend appel in de rede dat het aan de procespartijen en de appelrechter wordt overgelaten te beoordelen of een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dat die persoon op de terechtzitting als getuige wordt gehoord.

3.6.

Blijkens zijn hiervoor onder 2.3 weergegeven overweging heeft het Hof vastgesteld dat [slachtoffer], nadat zij ten overstaan van de politie de in het middel bedoelde verklaringen had afgelegd, door de Rechter-Commissaris is gehoord en ten overstaan van deze die eerder afgelegde verklaringen heeft gewijzigd en een op essentiële punten de verdachte ontlastende, nadere verklaring heeft afgelegd.

3.7.

Hoewel, gelet op de verklaring van [getuige] (bewijsmiddel 4), zich hier niet de situatie voordoet dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer] de enige bewijsmiddelen zijn waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen, moet de onderhavige zaak niettemin met zodanige situatie op één lijn worden gesteld. De onderhavige zaak wordt immers gekenmerkt door de bijzondere omstandigheid dat de verklaring van [getuige] omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit uitsluitend is gebaseerd op hetgeen [slachtoffer] haar heeft medegedeeld, terwijl [slachtoffer] kort daarop bij de politie haar - nadien ingetrokken - verklaring omtrent die betrokkenheid heeft afgelegd.

3.8.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte aldaar is verschenen en ook zijn raadsvrouwe aanwezig was. Het proces-verbaal houdt niet in dat aldaar door of namens de verdachte is verzocht [slachtoffer] als getuige op te roepen met het oog op het tenlastegelegde, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat een zodanig verzoek niet is gedaan. Evenmin heeft het Hof ambtshalve de oproeping van [slachtoffer] als getuige ter terechtzitting bevolen. Het oordeel van het Hof dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van [slachtoffer] voor het bewijs van het tenlastegelegde kunnen worden gebruikt, getuigt - mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.9.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2014.