Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2743

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
13/02960
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1531, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, art. 511f Sv. HR herhaalt relevante overweging uit HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544, inhoudende dat krachtens art. 511f Sv de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts kan worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. De door het Hof bevestigde uitspraak, waarin in de kern niet meer wordt overwogen dan dat wordt "uitgegaan van de uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen voortvloeiende - als aannemelijk aan te merken - gegevens waarop ook" een financieel rapport is gebaseerd, voldoet niet aan dit vereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0354
RvdW 2014/1055

Uitspraak

9 september 2014

Strafkamer

nr. S 13/02960 P

ABG/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van
26 maart 2013, nummer 24/001745-11, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat de door het Hof bevestigde uitspraak van de Politierechter in de Rechtbank Zwolle-Lelystad niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

2.2.1.

De uitspraak van de Politierechter houdt ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende in:

"1. Het onderzoek van de vordering

(...)

De politierechter heeft kennis genomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak met opgemeld parketnummer tegen veroordeelde, te weten:

- de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt door [verbalisant 3], inspecteur van Politie Flevoland, onder nummer 2007-04-17 9008 1300;

- de stukken van het opsporingsonderzoek van Politie Flevoland, Recherche Zeewolde, nummer 2007015507;

- het vonnis van de politierechter van heden.

2.1

De beoordeling

De officier van justitie heeft gevorderd dat [betrokkene] zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel dat hij heeft genoten door middel van het feit zoals bewezen is verklaard in de strafzaak met opgemeld parketnummer (het voorhanden hebben van hennepstekken), alsmede wegens het inzamelen van hennepafval, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 3.153,76.

[betrokkene] heeft slechts als verweer gevoerd dat de vordering afgewezen moet worden omdat hij van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De berekening wederrechtelijk verkregen voordeel betreft twee feiten: het voorhanden hebben (en verhandelen) van hennepstekken, en het inzamelen van hennepafval. Het vonnis heeft alleen betrekking op het voorhanden hebben van hennepstekken. De politierechter acht het bedrijfsmatig afval inzamelen zonder vergunning niet een soortgelijk feit en zal daarom met het daarmee gemoeide voordeel geen rekening houden.

Op grond van de stukken van voornoemd voorbereidend onderzoek en gelet op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, is de politierechter van oordeel dat [betrokkene] wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de baten van het verhandelen van de voorhanden zijnde hennepstekken, waarvoor [betrokkene] bij opgemeld vonnis is veroordeeld, en soortgelijke feiten (het in eerdere perioden voorhanden hebben en verhandelen van hennepstekken), waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

De politierechter schat dit voordeel op € 745,00. De politierechter is daarbij uitgegaan van de uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen voortvloeiende - als aannemelijk aan te merken - gegevens, waarop ook bovenvermeld rapport is gebaseerd.

De politierechter ziet geen grond voor matiging van de vordering, omdat niet gebleken is dat de financiële situatie van [betrokkene] betaling van voornoemd bedrag (ook in de toekomst) niet toe zou laten.

De politierechter zal derhalve de vordering van de officier van justitie, zijnde deze vordering ook overigens op de wet gegrond, toewijzen tot dat bedrag."

2.2.2.

De uitspraak van de Politierechter bevat geen afzonderlijke opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

2.2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene aldaar het volgende aangevoerd:

"Nu in de strafzaak het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dient de ontnemingsvordering te worden afgewezen."

2.2.4.

Het Hof heeft de uitspraak van de Politierechter bevestigd, behalve wat betreft de hoogte van het aan de Staat te betalen bedrag, en heeft de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,−. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de staat.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op dat onderdeel worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof acht gronden aanwezig om het door de veroordeelde te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

(...)

Op grond van het bovenstaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro)."

2.3.

Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen (vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544). De door het Hof bevestigde uitspraak, waarin in de kern niet meer wordt overwogen dan dat wordt "uitgegaan van de uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen voortvloeiende - als aannemelijk aan te merken - gegevens waarop ook" een financieel rapport is gebaseerd, voldoet niet aan dit vereiste.

2.4.

Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2014.