Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2740

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
13/04274
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:490, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8562, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Aansprakelijkheid voor Roemeense strafrechtelijke aangifte. HR 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, NJ 2004/130. Zorgplicht aangever die de Roemeense taal niet machtig is en die niet wist dat de aangifte een ongegronde beschuldiging bevatte? Onbegrijpelijk oordeel?

Vrijheid rechter bij vaststelling vergoeding van immateriële schade (art. 6:106 BW). Aantasting eer uitsluitend indien derden van de beschuldiging kennis nemen? HR 6 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5710. Onvoldoende gemotiveerd oordeel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvPP 2014, afl. 6, p. 193
RvdW 2014/1037
RAV 2014/100
NJB 2014/1731
JWB 2014/336
NJ 2015/3

Uitspraak

19 september 2014

Eerste Kamer

nr. 13/04274

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. S.M. Kingma,

t e g e n

[verweerster],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 478329/HA ZA 10-4040 van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2011 en 15 februari 2012;

b. het arrest in de zaak 200.103.518/01 van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat, en mr. K.J.O. Jansen, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 6 juni 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.9. Verkort weergegeven komen die neer op het volgende.

(i) [eiser] heeft op advies van een zekere [betrokkene 1], en door deze vertegenwoordigd, onroerende zaken in Roemenië gekocht. [eiser] heeft in dat kader € 330.000,-- aan [betrokkene 1] betaald. Achteraf is gebleken dat [betrokkene 1] in samenwerking met derden [eiser] heeft opgelicht door de onroerende zaken op zijn eigen naam en op die van een van deze derden te laten zetten.

(ii) Op vordering van [eiser] heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam [betrokkene 1] bevolen notariële akten aan [eiser] ter beschikking te stellen die [eiser] in staat zouden stellen bij de uitoefening van rechten met betrekking tot de onroerende zaken [betrokkene 1] te vertegenwoordigen. Ter uitvoering van dit vonnis is bij notariële akte een volmacht verstrekt.

(iii) De Roemeense notaris bleek niet zonder meer bereid om op basis van de hiervoor in (ii) bedoelde stukken een akte van overdracht van de onroerende zaken aan [eiser] te passeren. Hij heeft [eiser] verzocht in persoon te verschijnen.

(iv) [verweerster], beëdigd gerechtstolk en vertaler in onder meer de Roemeense taal, is vervolgens ingeschakeld als tolk in die taal in verband met de kwestie tussen [eiser] en [betrokkene 1]. [eiser] heeft met [verweerster] Roemenië bezocht om te trachten door tussenkomst van de Roemeense notaris de onroerende zaken op zijn naam gesteld te krijgen. De notaris heeft een aantal notariële akten verleden.

(v) Ongeveer twee jaar later heeft een door [eiser] ingeschakelde Roemeense advocaat een aangifte in de Roemeense taal opgesteld tegen verschillende personen, onder wie [verweerster]. In de aangifte heeft de advocaat weergegeven wat hij had begrepen uit de mededelingen die [eiser] in de Engelse taal aan hem had verstrekt.
De aangifte is ondertekend door [eiser] en ingediend bij de Roemeense autoriteiten.

(vi) De aangifte vermeldt (in beëdigde vertaling uit het Roemeens) onder meer het volgende:

“Met betrekking tot [[verweerster]] verklaar ik dat zij door ondergetekende in dienst was genomen als vertaalster en als gemachtigde van de ondergetekende. Echter, in plaats van dat zij de volmacht gebruikte om toe te zien op het respecteren van mijn belangen, heeft zij gebruikmakend van het feit dat ik de Roemeense taal niet kende, samengewerkt met de andere plegers met hetzelfde criminele voornemen en gericht op hetzelfde doel, om mij te bedriegen en geld te verkrijgen van ondergetekende.”

(vii) Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie van Roemenië aan [verweerster] bericht dat zij niet zal worden vervolgd.

3.2

In het onderhavige geding vordert [verweerster] schadevergoeding van [eiser] op de grond dat de aangifte jegens haar door [eiser] valselijk is gedaan en derhalve onrechtmatig is. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.000,-- voor vergoeding van immateriële schade. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:

“2.8 De zorgvuldigheid die een aangever in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens degene die in de aangifte als verdachte wordt aangemerkt, brengt mee dat de aangever zich voldoende moeite getroost om zich ervan te vergewissen dat een namens hem ingediende aangifte geen beschuldigingen bevat van gedragingen waarvan de aangever de verdachte niet verdenkt en geen beschuldigingen van gedragingen waarvoor een voldoende feitelijke basis voor verdenking ontbreekt. Hoeveel moeite de aangever zich daarvoor naar maatstaven van zorgvuldigheid dient te getroosten, hangt af van de omstandigheden van het geval. In dit geval is [eiser] onverkort verantwoordelijk voor de inhoud van de aangifte. De omstandigheden dat niet hij, maar een advocaat de aangifte heeft opgesteld en hem heeft geadviseerd [verweerster] in de aangifte te betrekken, en dat de tekst in het Roemeens is opgesteld, welke taal [eiser] niet machtig is, doen daaraan niet af. Niet is gesteld dat de advocaat hem heeft geadviseerd om [verweerster] een verdergaande strafbare rol toe te dichten dan overeenkwam met de verdenking die [eiser] koesterde, nog daargelaten of dat [eiser] in dat geval zou kunnen baten. Evenmin is gesteld dat de advocaat [verweerster] heeft voorgespiegeld dat de inhoud van de aangifte minder vergaand was. Indien de Roemeense volksaard in het algemeen wat opvliegender en directer is dan de Nederlandse, zoals [eiser] heeft gesteld, doet ook dat niet aan het voorgaande af.

2.9

Aangezien de aangifte jegens [verweerster] beschuldigingen van gedragingen bevat waarvan [eiser] haar niet verdacht en waarvoor geen voldoende feitelijke basis bestond, heeft [eiser] onrechtmatig jegens [verweerster] gehandeld door deze aangifte te laten indienen bij de Roemeens autoriteiten. Zij is daardoor in haar eer en goede naam geschaad en heeft daarom recht op immateriële schadevergoeding. (…).

2.10

De hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld op € 5.000,00. Hierbij wordt in aanmerking genomen, enerzijds dat de beschuldigingen zeer grievend zijn en de aangifte, naar [eiser] wist of in elk geval moest begrijpen, geschikt was tot gevolg te hebben dat [verweerster] zou worden gehinderd bij haar werkzaamheden als tolk voor justitiële autoriteiten en bij haar werkzaamheden in Roemenië, en anderzijds dat niet is gebleken dat de aangifte bekendheid heeft verkregen in ruimere kring dan bij de Roemeense autoriteiten en dat de zaak tegen [verweerster] is geseponeerd zonder dat gesteld is dat [verweerster] is verhoord of enig strafvorderlijk dwangmiddel op haar is toegepast.”

3.4.1

Volgens onderdeel 1 van het middel is het hof uitgegaan van een onjuiste maatstaf bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van een strafrechtelijke aangifte. Het onderdeel voert daartoe aan dat het doen van een strafrechtelijke aangifte in beginsel alleen dan onrechtmatig is indien degene die aangifte deed, wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de beschuldiging in de aangifte ongegrond was (HR 21 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0498, NJ 2004/130). Samengevat weergegeven wijst het onderdeel erop dat de beschuldigingen in de aangifte verstrekkender zijn uitgevallen dan [eiser] had beoogd zonder dat [eiser] dat wist of behoorde te weten, aangezien hij de Roemeense taal niet machtig was. Indien het hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, heeft het hof volgens het onderdeel zijn uitspraak in het licht van de door [eiser] gestelde omstandigheden onvoldoende gemotiveerd.
Het onderdeel verwijt het hof ten onrechte te zijn uitgegaan van een actieve zorgplicht te voorkomen dat een aangifte onbedoelde of ongegronde beschuldigingen bevat.

3.4.2

In het arrest van 21 november 2003 heeft de Hoge Raad – voor zover voor het onderhavige cassatieberoep van belang – geoordeeld dat het doen van een strafrechtelijke aangifte in beginsel alleen dan jegens de betrokkene onrechtmatig kan zijn als degene die aangifte deed, wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de beschuldiging ongegrond was. In het onderhavige geval dient in cassatie tot uitgangspunt dat [eiser] niet wist dat zijn aangifte een ongegronde beschuldiging bevatte.

3.4.3

Het hof heeft de maatstaf van het arrest van 21 november 2003 niet miskend. Het heeft vooral acht geslagen op de omstandigheid dat de aangifte niet is opgesteld door [eiser] zelf, maar door een derde. Het is daarbij ervan uitgegaan dat de aangever in dat geval jegens degene die in de aangifte als verdachte wordt aangemerkt een zorgplicht heeft, die meebrengt dat hij zich voldoende moeite moet getroosten om zich ervan te vergewissen dat een door hem ondertekende aangifte overeenstemt met zijn bedoeling. Volgens het hof hangt het af van de omstandigheden van het geval hoeveel moeite de aangever in dit opzicht moet doen. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het onderhavige geval was het hof kennelijk van oordeel dat [eiser] onzorgvuldig jegens [verweerster] heeft gehandeld omdat hij een onjuist gebleken aangifte in een taal die hij niet machtig was heeft ondertekend zonder te hebben onderzocht of laten onderzoeken of de inhoud van die aangifte overeenstemde met hetgeen hij wilde verklaren. Kennelijk heeft het hof in dit geval het risico van miscommunicatie van dien aard geacht dat dit onderzoek, mede gelet op de mogelijke gevolgen van een strafrechtelijke aangifte, van [eiser] kon worden gevergd. Een verdergaande, algemene, zorgplicht als in het onderdeel bedoeld, heeft het hof niet aangenomen. Dit oordeel berust op een aan het hof voorbehouden waardering van de omstandigheden van het geval, die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden onderzocht. Onbegrijpelijk is het oordeel niet.

3.4.4

De klachten van onderdeel 1 stuiten op het bovenstaande af.

3.5

De klachten van onderdeel 2 liggen in het verlengde van die van onderdeel 1 en falen op grond van het bovenstaande eveneens.

3.6.1

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 2.9 en 2.10, waarin het hof heeft overwogen dat [verweerster] in haar eer en goede naam is aangetast en dat haar naar billijkheid een schadevergoeding van € 5.000,-- wordt toegekend. Volgens het onderdeel geeft het hof hier blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

3.6.2

Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. Art. 6:106 BW geeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij in zijn eer of goede naam is geschaad. De rechter heeft bij het bepalen van de omvang van de schadevergoeding grote vrijheid (zie Parl. gesch. Boek 6, p. 380).

3.6.3

Het onderdeel benadrukt vooral dat de aangifte geen ruimere bekendheid heeft verkregen dan in de kring van de verantwoordelijke autoriteiten en zonder verdere strafvorderlijke consequenties is geseponeerd. Voor zover het onderdeel betoogt dat hieruit voortvloeit dat van een aantasting van de eer of goede naam van [verweerster] geen sprake kan zijn geweest, doet het dit tevergeefs. In het bijzonder voor het schaden van iemands eer geldt niet de eis dat daarvan alleen sprake kan zijn indien derden van de beschuldigingen kennis nemen (vgl. HR 6 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5710), nog daargelaten dat van dit laatste wel degelijk sprake is geweest, nu de aangifte in handen is gesteld van de Roemeense autoriteiten. Daarbij verdient opmerking dat het hier niet gaat om eventuele vermogensschade die in een geval als het onderhavige zou kunnen voortvloeien uit eventuele bekendheid van de beschuldigingen bij derden, maar om de immateriële aantasting in de persoon, die [verweerster] door die beschuldigingen heeft ondervonden.

Het hof heeft gewezen op de grievende aard van de beschuldigingen en op de potentiële gevolgen daarvan voor [verweerster]. Anders dan het onderdeel bepleit, volstaat dit ter motivering van een aantasting van [verweersters] eer. Voorts heeft het hof blijkens rov. 2.10 rekening gehouden met de omstandigheid dat de aangifte geen bekendheid heeft verkregen in ruimere kring dan bij de Roemeense autoriteiten en dat de zaak tegen [verweerster] is geseponeerd, in die zin dat het de vergoeding om die reden heeft verlaagd. Voor zover het onderdeel op die grond een verdere verlaging van de vergoeding bepleit, miskent het de grote vrijheid die de feitenrechter op dit punt heeft.

Waar het onderdeel erop wijst dat het door het hof gesignaleerde potentiële verlies van verdienvermogen niet redengevend kan zijn voor de vaststelling van immateriële schade, faalt het eveneens. Niet valt in te zien waarom de door het hof genoemde omstandigheden niet medebepalend zouden kunnen zijn voor de ernst van een aantasting in iemands eer of goede naam. Zij kunnen een factor zijn bij de bepaling van de vergoeding voor immateriële schade, ook indien van materiële schade uiteindelijk geen sprake blijkt te zijn.

Het onderdeel betoogt nog dat het hof ten onrechte voor de hoogte van de schadevergoeding van belang heeft geacht wat [eiser] over de gevolgen van de aangifte wist of moest begrijpen, terwijl juist vaststaat dat [eiser] niet op de hoogte was van de ernst van de in de aangifte opgenomen beschuldigingen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag, want de kennelijke strekking van de desbetreffende overweging is dat [eiser] kon beseffen dat een strafrechtelijke aangifte tegen [verweerster] de door het hof genoemde gevolgen kon hebben.

3.6.4

Ook onderdeel 3 faalt derhalve.

3.7

Onderdeel 4 bouwt voort op de eerdere onderdelen en deelt in hun lot.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 september 2014.