Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2739

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
13/02489
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:499, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BY6511, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Grenzen geschil cassatie en verwijzing. Uitleg gedingstukken. Is de verwijzingsrechter gebonden aan in cassatie niet of tevergeefs bestreden proceskostenveroordeling van de eerdere appelrechter?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 237
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 424
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2015/2 met annotatie van mr. R.L. Bakels
TvPP 2014, afl. 6, p. 190
Prg. 2014/263
NJB 2014/1730
RBP 2014/88

Uitspraak

19 september 2014

Eerste Kamer

nr. 13/02489

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

1. [verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerders]

1 Het geding

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0658;

b. het arrest in de zaak 200.090.724 van het gerechtshof te Arnhem van 11 december 2012, hersteld bij arrest van 23 april 2013.

Het arrest van het hof van 11 december 2012 is aan dit arrest gehecht.

2 Het tweede geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 6 juni 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2–2.4 vermelde feiten. Deze komen, kort samengevat, erop neer dat [verweerders] bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem van 17 november 1998 zijn veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [eiser], op te maken bij staat. Deze veroordeling berust op het oordeel dat [verweerders] onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij bij het sluiten van de koopovereenkomst in 1985 waarbij [eiser] zijn aandelen in het familieconcern heeft verkocht, bedrieglijk bepaalde informatie hebben achtergehouden waardoor [eiser] zijn aandelen voor een te lage koopprijs heeft verkocht.

3.2

In de onderhavige schadestaatprocedure gaat het, voor zover in cassatie van belang, vooral nog om de vraag over welke periode de door [eiser] gevorderde compensatoire rente op grond van art. 1282 (oud) BW toegewezen moet worden (onderdeel 1 van het middel).

Daarnaast zijn in cassatie de door het hof uitgesproken kostenveroordelingen voor de eerste aanleg (onderdeel 5) en voor het hoger beroep (onderdeel 6) aan de orde.

De onderdelen 2, 3 en 4 van het middel zijn ingetrokken.

Compensatoire rente

3.3.1

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 augustus 2006 de schade bestaande in het verschil tussen de feitelijk door [eiser] ontvangen koopprijs en de koopprijs die zonder het bedrog van [verweerders] zou zijn overeengekomen (hierna: de ‘koopprijs-schade’) bepaald op een bedrag van € 88.005,--. Het heeft voorts geoordeeld dat [eiser] over dit bedrag rente heeft gederfd en dat [verweerders] op grond van het in deze zaak nog toepasselijke art. 1282 (oud) BW die renteschade moeten vergoeden door betaling van compensatoire rente, waarbij het deze rente heeft berekend over de periode van 15 mei 1985 (de datum waarop [eiser] de koopprijs heeft ontvangen) tot 7 december 1990 (de datum waarop de inleidende dagvaarding in de hoofdzaak is uitgebracht). Tezamen met nog enkele andere schadeposten heeft het hof in totaal een bedrag van € 140.005,-- aan schadevergoeding toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2000 (de datum waarop de schadestaat aan [verweerders] is betekend en voor het eerst overeenkomstig art. 1286 (oud) BW aanspraak is gemaakt op wettelijke rente).

3.3.2

Genoemd arrest is op het (eerdere) cassatieberoep van [eiser] vernietigd door de Hoge Raad bij arrest van 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0658, NJ 2008/415. Daarin is in de eerste plaats in rov. 3.3 de klacht van onderdeel IA gegrond bevonden, die was gericht tegen de uitgangspunten op grond waarvan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de koopprijs-schade had bepaald op € 88.005,--. Voorts is in rov. 3.4.2 de klacht van onderdeel IIA gegrond bevonden, die was gericht tegen het oordeel dat de compensatoire rente slechts over de periode tot 7 december 1990 moet worden berekend.

3.3.3

Na verwijzing heeft het gerechtshof Arnhem bij het thans in cassatie bestreden arrest de koopprijs-schade bepaald op € 132.382,-- (rov. 2.10); dat bedrag staat in cassatie niet ter discussie. Het hof heeft voorts de compensatoire rente over genoemd bedrag berekend over de periode van 15 mei 1985 tot 9 juni 2000 (rov. 2.12–2.13). Tezamen met nog een andere schadepost zijn [verweerders] op grond daarvan veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van in totaal (zoals verbeterd bij herstelarrest van 23 april 2013) € 406.140,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2000.

3.4.1

Onderdeel 1 van het middel bevat de klacht dat het hof de compensatoire rente ten onrechte niet, zoals gevorderd, heeft berekend over de gehele periode vanaf 15 mei 1985 tot en met 17 augustus 2004 (de datum van de memorie van grieven, waarin voor het eerst compensatoire rente is gevorderd), met dien verstande dat de wettelijke rente over de totale schadevergoeding (inclusief de compensatoire rente tot en met 17 augustus 2004) dan ook pas na laatstgenoemde datum zou moeten ingaan. Daarbij wijst het onderdeel erop dat in de memorie van grieven van 17 augustus 2004 de compensatoire rente is gevorderd “tot en met heden” (dus 17 augustus 2004), en dat daarop ook na verwijzing voor het gerechtshof Arnhem aanspraak is gemaakt.

3.4.2

De klacht faalt. Zoals de Hoge Raad in de eerste volzin van rov. 3.4.1 van zijn arrest van 11 juli 2008 in deze zaak heeft overwogen, kwam onderdeel IIA van het toenmalige cassatiemiddel op tegen de afwijzing van de door [eiser] gevorderde compensatoire rente “over de periode tussen 7 december 1990 en 9 juni 2000”. De aldus in dat onderdeel door de Hoge Raad gelezen beperking van de rechtsstrijd betreffende de periode waarover de compensatoire rente moet worden berekend (een beperking van die periode tot uiterlijk 9 juni 2000), berustte op uitleg van de gedingstukken, waaronder – naast de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.7 opgenomen tekst van dat onderdeel II – de volgende passage uit de schriftelijke toelichting op genoemd onderdeel:

“Voorop mag staan de ruiterlijke erkenning dat de door onderdeel II bestreken materie vooral is voortgevloeid uit het verzuim van (de advocaat van) [eiser] om in de dagvaarding d.d. 7 december 1990 waarmee de ‘hoofdzaak’ is ingeleid, reeds dadelijk de wettelijke rente over de koopprijs-schade te vorderen.

(…)

Aannemelijk is namelijk dat, indien zulks wél was gebeurd, en de periode van mei 1985 (storting koopprijs) tot december 1990 – net als in ’s Hofs arrest – alsnog door ‘compensatoire rente’ was gedekt, voor [eiser] minder behoefte zou hebben bestaan om ook voor de periode van december 1990 tot juni 2000 compensatoire rente bij wijze van schadevergoeding te vorderen. Onderdeel II betoogt evenwel dat bovenbedoeld ‘verzuim’ onder het – in casu nog toepasselijke – oude renterecht niet aan zo’n ‘herstel’-vordering van compensatoire rente in de weg behoeft te staan.”

Hieruit valt af te leiden dat het onderdeel alleen betrekking had op de periode van december 1990 tot juni 2000, en dat in cassatie geen bezwaar (meer) bestond tegen toekenning van wettelijke in plaats van compensatoire rente over de periode vanaf 9 juni 2000.

Het gerechtshof Arnhem heeft daarom in rov. 2.11 terecht geoordeeld dat het, gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad, had te onderzoeken of [eiser] ook aanspraak heeft op compensatoire rente over de periode van 7 december 1990 tot 9 juni 2000.

Kostenveroordeling voor de eerste aanleg

3.5

In eerste aanleg zijn [verweerders] bij eindvonnis in conventie (de reconventie speelt in cassatie geen rol) veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 109.631,90. De rechtbank heeft hen blijkens rov. 2.6 van het eindvonnis als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

[verweerders] zijn tegen deze veroordelingen in (incidenteel) beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Dat hof heeft, in zoverre met vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank, een hogere schadevergoeding toegekend (ten bedrage van € 140.005,--). Het heeft voorts het eindvonnis van de rechtbank ten aanzien van de beslissing omtrent de proceskosten in conventie bekrachtigd. De proceskosten in principaal en incidenteel appel heeft het hof in die zin gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

[verweerders] zijn tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet (incidenteel) in cassatieberoep gekomen. Op het cassatieberoep van [eiser] is het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch door de Hoge Raad vernietigd op de hiervoor in 3.3.2 vermelde gronden.

Na verwijzing heeft het gerechtshof Arnhem in het thans bestreden arrest (zoals verbeterd bij zijn herstelarrest) het eindvonnis van de rechtbank in conventie (grotendeels) vernietigd, [verweerders] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 406.140,--, en de kosten van het geding in beide instanties gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof heeft de compensatie van de proceskosten gemotiveerd door te overwegen dat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld (rov. 3).

3.6.1

Onderdeel 5 betoogt dat [verweerders] tegen de beslissing van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch omtrent de proceskosten in eerste aanleg geen (incidentele) klacht in cassatie hebben gericht, en dat het daarom het gerechtshof Arnhem niet meer vrijstond om deze voor [eiser] gunstige en inmiddels verbindende proceskostenveroordeling, in het nadeel van [eiser] om te zetten in een algehele compensatie van proceskosten.

3.6.2

Het gerechtshof Arnhem was als verwijzingsrechter gebonden aan de beslissingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch die in cassatie niet of tevergeefs zijn aangevochten. Dit lijdt uitzondering voor beslissingen die voortbouwen op of onverbrekelijk samenhangen met een beslissing waarover in cassatie met succes is geklaagd. Van deze uitzondering is in het onderhavige geval evenwel geen sprake, omdat de beslissing van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch omtrent de proceskosten in eerste aanleg kennelijk gebaseerd is op zijn (met dat van de rechtbank overeenstemmende) oordeel dat [verweerders], gelet op de uitkomst van de procedure en de hoogte van het aan [eiser] toegewezen bedrag, zijn aan te merken als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. De door de Hoge Raad gegrond bevonden klachten van [eiser] konden op dat oordeel geen invloed meer uitoefenen, nu zij juist ertoe strekten dat de door het hof aan [eiser] toegekende schadevergoeding na verwijzing op een nog hoger bedrag zou worden vastgesteld (hetgeen ook daadwerkelijk is geschied). Dit een en ander brengt mee dat de door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in aanmerking genomen uitkomst van de procedure en het aan [eiser] toegewezen bedrag, na verwijzing niet meer ten nadele van [eiser] konden worden gewijzigd, en dat daarom ook de daarop gebaseerde beslissing omtrent de proceskosten in eerste aanleg na verwijzing niet ten nadele van [eiser] kon worden gewijzigd.

Aan het voorgaande doet niet af dat het geding na verwijzing een voortzetting is van de appelinstantie en de appelrechter ambtshalve heeft te oordelen over de kosten van het geding, ook die van de eerste aanleg. Dit laat immers onverlet dat de verwijzingsrechter gebonden is aan de beslissingen van de eerdere appelrechter die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, en die – zoals hier het geval is – niet voortbouwen op of onverbrekelijk samenhangen met een beslissing waarover in cassatie met succes is geklaagd (vgl. HR 17 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2254, NJ 1997/221, rov. 3.8.3).

Het stond het gerechtshof Arnhem daarom niet vrij de kosten van het geding in eerste aanleg aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het onderdeel is gegrond.

3.7

De klachten van onderdeel 6 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.8

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen, door het vonnis van de rechtbank op dit punt alsnog te bekrachtigen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem van 11 december 2012, doch uitsluitend voor zover daarin, met vernietiging in zoverre van het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 december 2003 in conventie, de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 december 2003 in conventie, voor zover daarin [verweerders] in de kosten zijn veroordeeld;

veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.036,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 september 2014.