Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2738

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
13/01482
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:488, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BY9798, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Procesrecht. Na overname procedure door vereffenaar in verband met beneficiaire aanvaarding nalatenschap, volgt veroordeling erfgenamen in persoon. Ontvankelijkheid, belang erfgenamen bij cassatieberoep. Wie is in cassatie de (formele) procespartij in geval van bewind? Art. 1:441 lid 1 BW. Slagende motiveringsklacht over innerlijke tegenstrijdigheid tussenarrest en eindarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0071
RvdW 2014/1038
NJB 2014/1729
JWB 2014/334

Uitspraak

19 septem ber2014

Eerste Kamer

nr. 13/01482

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. Denis Leendert JAQUET, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater],
kantoorhoudende te Woerden,

2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie, verweerders in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

1. [verweerster 1],
wonende te [woonplaats],

2. [verweerster 2], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [verweerster 1],
wonende te [woonplaats], België,


VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Jaquet, [eisers 2 en 3] en [verweersters]

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 223987/HA ZA 04-2524 van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2008 en 22 oktober 2008;

b. de arresten in de zaak 200.027.096 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 26 januari 2010, 30 augustus 2011 en 27 november 2012.

De arresten van het hof van 30 augustus 2011 en 27 november 2012 zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 30 augustus 2011 en 27 november 2012 hebben Jaquet en [eisers 2 en 3] beroep in cassatie ingesteld. [verweersters] hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres 2] en [eiser 3] in hun principaal cassatieberoep, tot niet-ontvankelijkverklaring van Jaquet in het principaal cassatieberoep voor zover het zich richt tegen [verweerster 1], en tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerster 1] in haar incidenteel cassatieberoep.

De conclusie strekt voorts in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van het eindarrest van het hof en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing en in het incidenteel cassatieberoep tot verwerping.

Bij brief van 5 juni 2014 heeft de advocaat van [verweersters] op de conclusie gereageerd. De advocaat van Jaquet en [eisers 2 en 3] heeft dat bij brief van 6 juni 2014 gedaan.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerster 1] heeft bijna 30 jaar een affectieve relatie gehad met de op 5 oktober 2003 overleden [de erflater] (hierna: erflater).

(ii) Op 1 juli 1981 hebben [verweerster 1] en erflater bij een notaris een “(Kans)overeenkomst met betrekking tot niet-registergoederen” vastgelegd. Daarin is in art. 3 een wederzijdse verzorgingsverplichting opgenomen, die blijkens die bepaling mede berust op een voor elk der partijen aanwezige dringende verplichting van moraal en fatsoen en inhoudt dat partijen over en weer “naar de mate van het mogelijke (…) zorgen voor het onderhoud van de langstlevende hunner, welke natuurlijke verbintenis bij dezen wordt omgezet in een civiele verbintenis.”

(iii) Op 5 april 2001 hebben erflater en [verweerster 1] een appartement te Rotterdam gekocht en geleverd gekregen voor een bedrag van € 316.738,59 (ƒ 698.000,--). Met betrekking tot dit registergoed zijn zij bij notariële akte overeengekomen dat tussen hen (als “deelgenoten”) geldt dat zij niet afzonderlijk over het hun toebehorende aandeel in het registergoed kunnen beschikken en dat degene die de woning “metterwoon wil verlaten” of (zijn of haar aandeel in) het registergoed aan een derde wil overdragen, de ander van bedoeld voornemen bij aangetekende brief in kennis dient te stellen.

(iv) Op 22 april 2002 zijn erflater en [verweerster 1] bij notariële akte in aanvulling op deze regeling overeengekomen dat onder het begrip “metterwoon verlaten” niet wordt begrepen opname in een bejaardenverzorgingstehuis of verpleeginrichting dan wel een soortgelijke instelling en dat in geval van een dergelijke opname de kosten verbonden aan de eigendom en bewoning van het registergoed voor rekening van partijen zijn en door hen moeten worden betaald en gedragen in dezelfde verhouding als waarin zij voor de opname in deze kosten voorzagen.

(v) Bij uiterste wil van diezelfde datum heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. Daarin zijn [eisers 2 en 3] door erflater benoemd tot zijn enige en algehele erfgenamen, onder de last om een tweetal legaten uit te keren aan [verweerster 1]. Eén van de legaten houdt in dat [verweerster 1] recht heeft op een jaarlijks uit te keren lijfrentetermijn voor het bedrag van € 15.000,--.

(vi) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2002 is erflater onder curatele gesteld met benoeming van [eiser 3] tot curator.

(vii) Jaquet is door de rechtbank bij beschikking van 20 april 2009 benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van de erflater (hierna: de vereffenaar).

(viii) [verweerster 2] is bij beschikking van 17 november 2010 door de rechtbank aangesteld als bewindvoerder van [verweerster 1] (hierna: de bewindvoerder).

3.2

In de onderhavige procedure vordert [verweerster 1] de veroordeling van [eisers 2 en 3] tot betaling van € 41.169,01 (ieder: € 20.584,51) en van de na 10 augustus 2004 reeds vervallen en nog te vervallen termijnen van het legaat. [eisers 2 en 3] hebben verschillende reconventionele vorderingen ingesteld.

3.3

De rechtbank heeft [eisers 2 en 3] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [verweerster 1] van een bedrag van € 7.405,77, alsmede van de na 10 augustus 2004 reeds vervallen en nog te vervallen termijnen van de lijfrente ten bedrage van € 15.000,-- per jaar. De vorderingen in reconventie zijn door de rechtbank afgewezen.

3.4

[eisers 2 en 3] zijn hiervan in hoger beroep gekomen. Vervolgens heeft de vereffenaar een akte genomen als bedoeld in art. 225 Rv strekkende tot schorsing van het geding. Bij tussenarrest van 26 januari 2010 heeft het hof aannemelijk geacht dat [eisers 2 en 3] de nalatenschap van erflater inmiddels beneficiair hebben aanvaard. Om die reden heeft het hof het geding voor onbepaalde tijd geschorst, waarna het geding blijkens de memorie van grieven is hervat door “appellanten, inmiddels mr. D.L. Jaquet, vereffenaar”. Het hof heeft bij eindarrest de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd en hetgeen meer of anders is gevorderd afgewezen, met veroordeling van “appellanten” in de kosten van het geding.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het principale en het incidentele beroep

In het principale beroep

4.1

De vereffenaar en [eisers 2 en 3] zijn in cassatie gekomen. [verweersters] hebben betoogd dat [eisers 2 en 3] niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep omdat het geding, nadat het door het hof op de voet van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv was geschorst, is voortgezet door de vereffenaar als de formele procespartij. Dit beroep op niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. [eisers 2 en 3] zijn immers door het hof – mede door bekrachtiging van het eindvonnis van de rechtbank – in persoon veroordeeld tot betaling van bedragen aan [verweerster 1] uit hoofde van de door erflater toegekende legaten, alsmede tot betaling van de proceskosten van [verweerster 1] in hoger beroep. Zij hebben daarom recht en belang daartegen in eigen naam in cassatie op te komen, zoals zij doen door (onder meer) de onderdelen I en V van het principale middel.

4.2

In cassatie is naast de bewindvoerder ook [verweerster 1] zelf gedagvaard. Dienaangaande geldt het volgende.

4.3

In geval van bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW). Hiermee strookt dat in een geding over een onder bewind gesteld goed, waarin de rechthebbende zelf is gedagvaard, de bewindvoerder optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt aangewend. In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient derhalve de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. (HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525) Hieruit volgt dat de vereffenaar en [eisers 2 en 3] niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep voor zover het zich richt tegen [verweerster 1].

In het incidentele beroep

4.4

Het incidentele cassatieberoep is ingesteld door de bewindvoerder en [verweerster 1]. Uit hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen, volgt dat [verweerster 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar incidentele beroep.

5 Beoordeling van het middel in het principale beroep

5.1

Onderdeel I van het middel klaagt terecht dat het hof in zijn eindarrest heeft miskend dat de vereffenaar zich in de plaats heeft gesteld van [eisers 2 en 3] en dat het hof derhalve ten onrechte “appellanten”, onder wie het hof kennelijk ook [eisers 2 en 3] heeft begrepen, heeft veroordeeld in de proceskosten. Voor zover het onderdeel tevens is gericht tegen het tussenarrest van 30 augustus 2011, faalt het bij gebrek aan belang, nu in dat arrest slechts is beslist over de toelaatbaarheid van de wijziging van eis, tegen welke beslissing in cassatie niet wordt opgekomen.

5.2

De in de onderdelen II-IV aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.3.1

Onderdeel V keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 25 en 26, waarin het hof met betrekking tot de in appel door de vereffenaar gevorderde verklaring voor recht dat de nalatenschap beneficiair is aanvaard en dienovereenkomstig dient te worden afgewikkeld, heeft overwogen:

“25. (…) Door geïntimeerde wordt betwist dat door appellanten de nalatenschap beneficiair is aanvaard.

26. Het hof overweegt als volgt. (…) Voor een beneficiaire aanvaarding is noodzakelijk dat de erfgenaam een daartoe strekkende verklaring aflegt ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis van erflater. In de memorie van grieven heeft het hof niet gelezen dat een dergelijke verklaring door appellanten is afgelegd. Gezien de omvang van het procesdossier van ruim 3070 pagina's brengt een goede procesorde met zich mede dat appellanten in ieder geval aan het hof hadden dienen aan te geven waar het hof de bescheiden had kunnen aantreffen waaruit die gestelde beneficiaire aanvaarding blijkt. Het feit dat appellanten zich in eerste aanleg al in de procedure hebben gesteld geeft eerder een indicatie dat appellanten de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.”

5.3.2

Het onderdeel klaagt terecht dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Het hof heeft immers in zijn tussenarrest van 26 januari 2010 (zie 3.4 hiervoor) onder verwijzing naar een overgelegde productie geoordeeld dat het aannemelijk acht dat [eisers 2 en 3] de nalatenschap van erflater beneficiair hadden aanvaard.

5.4

Het slagen van de onderdelen I en V brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
De hiervoor niet beoordeelde klachten van het middel behoeven geen behandeling.

6 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

Het middel klaagt dat het hof niet, althans niet (voldoende) gemotiveerd, heeft gerespondeerd op de stelling van [verweerster 1] dat [eisers 2 en 3] niet meer beneficiair konden aanvaarden, omdat zij zuivere aanvaardingshandelingen hebben verricht. Het middel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden op de gronden vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 46 (slot).

7 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verklaart de vereffenaar en [eisers 2 en 3] niet-ontvankelijk in hun beroep voor zover dit is gericht tegen [verweerster 1];

verwerpt het beroep voor zover het is gericht tegen het tussenarrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 30 augustus 2011;

vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 27 november 2012;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de vereffenaar en [eisers 2 en 3] begroot op € 2.036,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verklaart [verweerster 1] niet-ontvankelijk in haar beroep;

verwerpt het beroep van de bewindvoerder;

veroordeelt de bewindvoerder en [verweerster 1] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de vereffenaar en [eisers 2 en 3] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 september 2014.