Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2660

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
13/02879
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9387
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:37, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 3.3 en art. 8.11, lid 2, Wet IB 2001 (tekst 2009). Winst uit medegerechtigdheid tot ondernemingsvermogen is geen ‘met tegenwoordige arbeid’ genoten winst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2075 met annotatie van Fiscaal up to Date
PFR-Updates.nl 2014-0250
NTFR 2015/71
V-N 2014/45.9
V-N Vandaag 2014/1804
BNB 2014/233
FED 2015/18

Uitspraak

12 september 2014

Nr. 13/02879

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 mei 2013, nr. 11/00346, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 11/517) betreffende de aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 28 januari 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in aan het onderhavige jaar (2009) voorafgaande jaren deelgenomen in een zogenoemde film-CV (hierna: de film-CV). Op grond van een tussen de adviseur van de film-CV en de Belastingdienst gesloten overeenkomst heeft de Inspecteur in het onderhavige jaar alsnog een aftrek verleend als bedoeld in het tot 1 juli 2007 gegolden hebbende artikel 3.42b Wet IB 2001.

2.1.2.

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar deelgenomen in een fonds voor gemene rekening (hierna: het Fonds). Ter zake van die deelneming heeft de Inspecteur bij de uitspraak op het tegen de onderwerpelijke aanslag gemaakte bezwaar een afschrijving toegestaan op grond van artikel 3.34 Wet IB 2001 in samenhang gelezen met de artikelen 10 tot en met 12 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 (de willekeurige afschrijving zeeschepen).

2.1.3.

Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur voor de vaststelling van de arbeidskortingsgrondslag bedoeld in artikel 8.11, lid 2, eerste volzin, Wet IB 2001 (tekst voor 2009) de bedragen die zijn gemoeid met de hiervoor in 2.1.1 en 2.1.2 genoemde aftrek en afschrijving als (negatieve) winst uit onderneming in aanmerking genomen.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de hiervoor in 2.1.1 en 2.1.2 bedoelde resultaten uit de film-CV en het Fonds niet behoren tot de arbeidskortingsgrondslag, omdat zij niet zijn genoten uit “tegenwoordige arbeid” in de zin van artikel 8.11, lid 2, eerste volzin, Wet IB 2001. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de door de Inspecteur gestelde activiteiten als vermeld in onderdeel 4.6 van ‘s Hofs uitspraak niet kunnen worden aangemerkt als tegenwoordige arbeid in voormelde zin, onder meer omdat die activiteiten niet meer omvatten dan normaal vermogensbeheer.

Tegen deze oordelen richt zich het middel.

2.3.

In het middel wordt in de eerste plaats betoogd dat voor de vaststelling van de arbeidskortingsgrondslag mede rekening moet worden gehouden met winst uit onderneming die voortvloeit uit in een eerder kalenderjaar verrichte arbeid. Het middel faalt in zoverre, aangezien dit betoog geen steun vindt in de tekst van artikel 8.11 Wet IB 2001 of in de totstandkomingsgeschiedenis daarvan.

2.4.1.

Het middel berust voor het overige op de opvatting dat voor de toepassing van artikel 8.11, lid 2, eerste volzin, Wet IB 2001 winst uit onderneming in alle gevallen is verworven dan wel moet worden geacht te zijn verworven met tegenwoordige arbeid. Bij de beoordeling van dit middelonderdeel wordt vooropgesteld dat artikel 8.11, lid 2, eerste volzin, Wet IB 2001 geen onderscheid maakt tussen winst als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001 en winst als bedoeld in artikel 3.3 Wet IB 2001.

2.4.2.

Voor zover het middelonderdeel ziet op de door belanghebbende genoten winst uit de film-CV faalt het reeds op de hiervoor in 2.3 vermelde grond, aangezien uit ‘s Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt dat met betrekking tot de film-CV in het onderhavige jaar enige tegenwoordige arbeid is verricht of dat daaromtrent iets is gesteld.

2.4.3.

Voor zover het middelonderdeel ziet op de door belanghebbende genoten winst uit het Fonds heeft het volgende te gelden.

Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat de door belanghebbende verrichte werkzaamheden niet uitgaan boven hetgeen past bij normaal vermogensbeheer. Dit brengt mee dat, anders dan waarvan het middelonderdeel uitgaat, geen sprake is van winst uit onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001.

Ingevolge artikel 3.3, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001 wordt tot de winst uit onderneming mede gerekend de winst die de belastingplichtige, anders dan als ondernemer of aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen van een onderneming geniet uit een of meer ondernemingen. Aldus genoten winst is een voordeel uit de zojuist bedoelde gerechtigdheid en kan om die reden niet worden aangemerkt als "met tegenwoordige arbeid behaalde winst" in de zin van artikel 8.11, lid 2, eerste volzin, Wet IB 2001. Het middel faalt daarom ook voor het overige.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2014.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 478.