Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2648

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
11/05058
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1236, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Het Hof heeft zijn oordeel kennelijk gebaseerd op de opvatting dat de geldbedragen die het voorwerp vormden van het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen reeds daardoor w.v.v. vormden. Die opvatting is niet juist. Dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen d.m.v. of uit baten van dat feit is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0327
RvdW 2014/1048

Uitspraak

9 september 2014

Strafkamer

11/05058 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 juni 2011, nummer 20/003981-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak bewezenverklaarde medeplegen van witwassen ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.

In de bestreden uitspraak heeft het Hof het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 436.107,08 en - na aftrek van een bedrag van € 5000,- ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep - aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van € 431.107,08 te betalen.

2.3.

Het Hof heeft het oordeel dat de betrokkene door middel van het in de strafzaak bewezenverklaarde medeplegen van witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ontleend aan de inhoud van de bewijsmiddelen vermeld in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de betrokkene op 4 juni 2007 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel op zijn naam een eenmanszaak heeft ingeschreven onder de naam [A], die werd gedreven voor rekening van de betrokkene.

Ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Hof overwogen dat het zich uitsluitend heeft gebaseerd op het voordeel dat is behaald uit betalingen die door cliënten van het advocatenkantoor [A] zijn overgemaakt op de rekeningen ten name van [A] en op de privérekeningen van de betrokkene. Daarmee heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezen verklaarde medeplegen van witwassen ertoe heeft geleid dat de betrokkene het bedoelde voordeel heeft verkregen.

2.4.

Kennelijk heeft het Hof zijn oordeel gebaseerd op de opvatting dat de geldbedragen die het voorwerp vormden van het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Die opvatting is niet juist. Dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

2.5.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2014.