Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2646

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
13/00690
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BX8202, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1313, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie tegen vrijspraak. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061, NJ 2004/480 m.b.t. de selectie en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tlgd. bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat bij deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tlgd., met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet i.v.m. een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – een andere (bewijs)beslissing toelaat. ’s Hofs oordeel dat niet w+o kan worden bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte aanwezig zijn geweest bij de tlgd moord en/of poging tot moord en evenmin dat verdachte en zijn medeverdachte opzet hadden op het medeplegen van deze delicten of op het behulpzaam zijn daarbij, is niet onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/220
SR-Updates.nl 2014-0328
NJB 2014/1686
RvdW 2014/1050

Uitspraak

9 september 2014

Strafkamer

nr. S 13/00690

SG/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 18 september 2012, nummer 21/002458-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte, mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de door het Hof gegeven vrijspraken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

2.2.1.

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd - kort gezegd - dat hij op 9/10 september 2008 op de Rijksweg A73 al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen [slachtoffer 1] heeft vermoord, althans dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen aan de moord op [slachtoffer 1] medeplichtig is geweest. Onder 2 is aan de verdachte tenlastegelegd - kort gezegd - dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepoogd [slachtoffer 2] te vermoorden, althans dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen aan de poging tot de moord op [slachtoffer 2] medeplichtig is geweest.

2.2.2.

Het hof heeft de verdachte van beide feiten vrijgesproken en daartoe in zijn arrest het navolgende overwogen:

"Aan verdachte is onder 1 primair het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] en subsidiair medeplichtigheid aan die moord ten laste gelegd. Onder 2 is hem primair het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer 2] en subsidiair de medeplichtigheid aan die poging tot moord ten laste gelegd.

De advocaat-generaal heeft zowel ten aanzien van het onder 1 primair als het onder 2 primair aan verdachte ten laste gelegde gerequireerd tot bewezenverklaring en tot veroordeling van verdachte.

Verdachte heeft elke betrokkenheid bij deze feiten ontkend.

De beoordeling door het hof.

Het hof bespreekt hierna zowel de moord op [slachtoffer 1] als de poging tot moord op [slachtoffer 2] in de zaken van de beide verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] gezamenlijk. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat beide verdachten zich gezamenlijk aan bedoelde feiten schuldig zouden hebben gemaakt. De overwegingen hebben daarom op hen allebei betrekking. Daarbij worden verdachten verder ook [verdachte] en [medeverdachte 1] genoemd.

Vaststaande feiten.

Bij de beoordeling gaat het hof uit van de hierna te vermelden vaststaande feiten. Daarbij overweegt het hof dat het uitsluitend gaat om die feiten, waarover vanwege het daarnaar gedane onderzoek over de juistheid van de corresponderende bewijsmiddelen geen enkele discussie kan bestaan. Het hof stelt - met dit uitgangspunt - de volgende vaststaande feiten vast:

- [slachtoffer 1] is op 10 september 2008 om ongeveer 02.49 uur doodgeschoten op de Rijksweg A73 bij Malden/Nijmegen. Daarbij is [slachtoffer 2], die de auto (een Ford Escort met kenteken [AA-00-AA]) bestuurde waarin [slachtoffer 1] als passagier aanwezig was, gewond geraakt door een schampschot.

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren in de avond van 9 september 2008 samen naar het casino in Venlo gereden om te gaan gokken. [verdachte] wist dat [slachtoffer 1] die avond naar dat casino zou gaan.

- Bij onderzoek aan de Ford Escort werd op 12 september 2008 een peilbaken aangetroffen, dat achter aan de onderzijde met een magneetplaat was bevestigd. Het betrof een GPS baken van het merk Trackstar III. Het baken combineert een GPS ontvanger met een GSM-zender. In het baken zat een simkaart van T-Mobile. Het baken ontvangt satellietsignalen waarmee de locatie kan worden bepaald. De locatiegegevens worden via sms doorgestuurd naar een tevoren ingeprogrammeerde telefoon (de zogenaamde tracer). De tracer die bij dit baken hoort was van het merk Palm Treo 680.

- De simkaart van het baken had het nummer 06-[0001] (met bijbehorend imei-nummer [...]). De voorgeprogrammeerde tracer had het nummer 06 [0002] (met bijbehorend imei-nummer [...]).

- Het baken en de tracer vormen tezamen de zogenaamde uitpeilset. Deze set is in de avond van 9 september 2008 door [verdachte] en [medeverdachte 1] opgehaald bij [A] in Amsterdam. De uitpeilset is, ook naar hun eigen zeggen, in elk geval tot 23.15 uur op 9 september 2008 in hun bezit geweest.

- Na hun bezoek aan [A] in Amsterdam zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] naar het voormalige woonadres van [verdachte] aan [a-straat] in [plaats] gereden.

- Op 10 september 2008 om 00.06 uur is geprobeerd om de tracer op te waarderen. Dit mislukte omdat getracht werd dit te doen bij Vodafone, terwijl de simkaart in de tracer afkomstig was van T-Mobile. De poging tot opwaarderen vond plaats onder bereik van de zendmast aan de St. Willibrordusstraat te Berghem. De voormalige woning van [verdachte] aan [a-straat] te [plaats] valt onder het bereik van dezelfde zendmast.

- Gelet op de technische gegevens zijn baken en tracer tot de periode van ongeveer 00.41 uur - 01.15 uur onder het bereik van dezelfde opeenvolgende zendmasten geweest (zij stralen in elk geval dezelfde masten aan). Uiteindelijk komen baken en tracer onder het bereik van de zendmast, die ook de parkeerplaats van het casino te Venlo omvat, waar op dat moment de Ford Escort geparkeerd staat. Daarna verwijdert de tracer zich, terwijl het baken onder het bereik van de zendmast bij het casino blijft. Dit betekent dat het baken op 10 september 2008 in het tijdsbestek van 00.41 uur tot 01.15 uur onder de auto van [slachtoffer 1] moet zijn "geplakt".

- Om ongeveer 02.20 uur verplaatst het baken (en dus de auto van [slachtoffer 1]) zich en blijft niet langer onder het bereik van de zendmast bij het casino. Ter hoogte van de Radioweg te Sambeek komen baken en tracer vervolgens weer onder het bereik van opeenvolgend dezelfde zendmasten.

- Om 02.49 uur komen baken en tracer onder het bereik van de zendmast aan de Weezenhof te Nijmegen. Vanaf 02.51 uur verplaatst het baken zich niet meer. Het baken bevindt zich dan onder het bereik van de zendmast aan de Staddijk te Nijmegen. Onder het bereik van die mast valt de plaats waar de Ford Escort met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot stilstand is gekomen op de Rijksweg A73.

- Uit de gegevens blijkt dat de tracer zich richting Oss/Berghem verplaatst. Via de zendmasten aan de St. Willibrordusstraat te Berghem en de Graafsebaan te Oss komt de tracer uiteindelijk onder het bereik van de zendmast aan de Wapendrager te Oss.

- [medeverdachte 1] had ten tijde van voormelde gebeurtenissen de loods aan de [b-straat 1] te [plaats] gehuurd. De zendmast aan de St. Willibrordusstraat te Berghem en die aan de Graafsebaan te Oss hebben allebei zowel de voormalige woonplaats van [verdachte] aan [a-straat] te [plaats] als de loods aan de [b-straat 1] te [plaats] onder hun bereik.

- Op de Rijksweg A73 wordt op de plaats delict munitie aangetroffen. Het betreft 9 hulzen, 9 mm Parabellum met bodemstempel PMC MRP Geco Luger en 63 hulzen, 9 mm Parabellum met bodemstempel Geco. De kogels zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afgevuurd uit twee verschillende vuurwapens: twee Uzi's. De sporen passen bij het gebruik van 2 patroonhouders in de ene Uzi en twee of drie patroonhouders in de andere Uzi.

- In de door [medeverdachte 1] gehuurde loods aan de [b-straat 1] te [plaats] wordt tijdens de doorzoeking op 21 april 2009 in een latex handschoen munitie aangetroffen. Het betreft 63 patronen: 49 patronen 9 mm Parabellum met bodemstempel Geco Luger en 14 patronen 9 mm Parabellum met bodemstempel PMC Luger.

- In de deskundigenrapportages wordt geconcludeerd dat de matrijssporen/bodem-stempels op vijf van de patroonhulzen van de plaats delict op de Rijksweg A73 overeen komen met de matrijssporen/bodemstempels van 14 patroonhulzen, gevonden in de bewuste loods. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de bodemstempels door dezelfde matrijs zijn aangebracht en dat deze patroonhulzen een gemeenschappelijke oorsprong hebben. Door één matrijs kunnen vele duizenden tot honderdduizenden bodemstempels worden aangebracht. De waarschijnlijkheid waarmee twee patroonhulzen met dezelfde matrijssporen worden aangetroffen, hangt af van hoeveel patroonhulzen van een bepaalde partij in een land/regio werden geïmporteerd. Verder is uit het onderzoek gebleken dat van de 63 in de loods aangetroffen patronen er 31 zeer waarschijnlijk in dezelfde patroonhouder zijn geplaatst als 24 van de 73 op de plaats delict op de Rijksweg A73 aangetroffen munitie. Er kan niet worden vastgesteld of de in de loods aangetroffen munitie op de plaats delict is geweest.

- Zowel op de magneetplaat van het onder de Ford Escort aangetroffen baken als op de latex handschoen die in de loods werd aangetroffen en waarin zich voormelde munitie bevond, zijn DNA-sporen aangetroffen. Het deskundigenrapport van IFS vermeldt hierover allereerst dat in het extract van de bemonstering van de magneetplaat DNA is aangetroffen dat door drie personen is gedoneerd. De uitkomst van de DNA-analyses biedt zeer weinig steun voor de hypothese dat betrokkenen - [slachtoffer 1] of [verdachte] of [medeverdachte 1] - DNA hebben bijgedragen aan dit extract. Ook in het extract van de bemonstering van de latex handschoen is DNA aangetroffen dat eveneens door drie personen is gedoneerd. Er is zeer weinig steun voor de hypothese dat betrokkenen [slachtoffer 1] of [verdachte] of [medeverdachte 1] DNA aan dit extract hebben bijgedragen. Het is niet geheel uitgesloten dat voormelde betrokkenen aan de bemonsteringen van de magneetplaat en de latex handschoen hebben bijdragen. Indien dit het geval is, dan hebben zij zo weinig bijgedragen dat een deel van de DNA-kenmerken in hun profielen niet is aangetroffen in de verkregen mengprofielen.

- Uit het onderzoek is gebleken dat de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 1] vanaf 23.15 uur geen enkele zendmast meer aanstralen. Op 10 september 2008 wordt om 02.49 uur met de huistelefoon van het pand [c-straat 1] te [plaats] (de woonplaats van [medeverdachte 1]) met het nummer [0003] gebeld met het bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde mobiele nummer 06-[0004]. Er komt geen verbinding tot stand. Op 10 september 2008 om 03.01 en 03.07 uur wordt met het bij de echtgenote van [verdachte] in gebruik zijnde nummer 06-[0005] gebeld naar het bij [verdachte] in gebruik zijnde mobiele nummer 06-[0006]. Er komt geen verbinding tot stand.

- [slachtoffer 1] heeft op 10 september 2008 om ongeveer 02.26 uur vanuit de Ford Escort telefonisch contact gezocht met het mobiele nummer dat in gebruik was bij [betrokkene 1], de man van [betrokkene 2]. [slachtoffer 1] had een geheime liefdesrelatie met [betrokkene 2].

De bewijsoverwegingen:

De kernvraag, waar het hof zich voor geplaatst ziet, luidt: Kan ten aanzien van [medeverdachte 1] en [verdachte] op grond van (onder meer) de vaststaande feiten medeplegen van of medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 1] en de poging tot moord op [slachtoffer 2] worden aangenomen?

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daarbij het volgende.

- Het meest belastende bewijsmiddel tegen verdachten is het in Amsterdam ophalen van peilbaken en tracer. Het in het bezit krijgen van een peilbaken en tracer kan in dit geval op niets anders duiden dan het nastreven van een geheim doel, namelijk het door verdachten of door degenen ten behoeve van wie verdachten de set hebben opgehaald, traceren van iets of iemand die daarvan geen weet heeft.

- Het in hun bezit krijgen van de tracer en het baken (waarvan het laatste op de plaats van het delict onder de auto van het slachtoffer wordt aangetroffen), zou gelet op de omstandigheden van het geval in beginsel als zeer bezwarend voor verdachten kunnen gelden. Maar kan hieruit, mede gezien de overige beschikbare bewijsmiddelen, worden geconcludeerd dat verdachten het (al dan niet voorwaardelijk) opzet hadden op het plegen van een levensdelict (althans op medeplichtigheid daaraan)?

Het hof zal hierna allereerst de belangrijkste overwegingen ten aanzien van het bewijs weergeven. Daarna zal worden ingegaan op een aantal specifieke, door zowel de advocaat-generaal als de verdediging opgeworpen vraagpunten met betrekking tot onderdelen van de bewijsvraag.

- Belangrijk is dat de aanwezigheid van [medeverdachte 1] en [verdachte] op de plaats en het tijdstip van de schietpartij op de A73 niet kan worden vastgesteld. Er is geen bewijs dat zij op de A73 op plaats en tijd van het plegen van het delict aanwezig zijn geweest en dat zij daar op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geschoten. Er zijn geen getuigen die hen op de plaats delict op het bewuste tijdstip hebben gezien, noch zijn er technische sporen gevonden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat zij feitelijk bij de schietpartij aanwezig zijn geweest en daaraan zouden hebben deelgenomen.

- Een belangrijk - en tijdens de procedure zowel bij de rechtbank als bij het hof veel besproken - aspect van deze strafzaak betreft de in eerste aanleg door de officier van justitie met betrekking tot de uitpeilset naar voren gebrachte redenering - kort weergegeven - "kopen is plakken, plakken is schieten". In de visie van het openbaar ministerie, ook in hoger beroep, moet worden aangenomen dat de personen die de uitpeilset hebben gekocht, die ook onder de Ford Escort hebben geplakt en dat die personen vervolgens dezelfde zijn als die hebben geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Nu vast staat dat [medeverdachte 1] en [verdachte] die uitpeilset op 9 september 2008 in Amsterdam hebben opgehaald, zou dit in deze redenering moeten leiden tot de vaststelling dat zij ook de daders van de (poging tot) moord zijn.

- Deze redenering veronderstelt allereerst dat vast komt te staan dat er een verband is tussen de aanschaf en het in bezit hebben van de uitpeilset door verdachten en de schietpartij. Daarvoor is van belang dat vastgesteld zou moeten kunnen worden dat verdachten degenen zijn geweest die de uitpeilset op 9 september 2008 ook na 23.15 uur in hun bezit hebben gehouden en het baken bij het casino in Venlo onder de auto van [slachtoffer 1] hebben geplakt. Althans, voor zover zij de set aan een ander zouden hebben gegeven, zou moeten blijken dat deze dan in opdracht van hen zou hebben gehandeld.

- Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is door verdachten aangevoerd dat zij de uitpeilset om ongeveer 23.15 uur aan een derde hebben gegeven. Daarbij is, in een zeer laat stadium (- zij het dat [verdachte] dit al veel eerder schriftelijk aan een toenmalige raadsman zou hebben laten weten en deze zou hebben geadviseerd dit voor zich te houden; de brief die tot bewijs daarvan zou moeten dienen is aan het hof overgelegd -), door verdachten aangegeven dat die derde [betrokkene 2] zou zijn. Zij zou, aldus [verdachte], op verzoek van [slachtoffer 1] het baken bij hem aan [a-straat] in [plaats] zijn komen ophalen. [betrokkene 2], die zoals vermeld een geheime liefdesrelatie met [slachtoffer 1] onderhield, zou het baken kennelijk nodig hebben gehad om in de auto van haar vaste partner, [betrokkene 1], te plaatsen, beweerdelijk om te ontdekken of deze vreemd ging. Om die reden zou [slachtoffer 1] haar eerder ook een telefoon hebben aangeboden waarmee [betrokkene 1] zou zijn af te luisteren. Op de een of andere manier is het baken vervolgens echter onder de auto van [slachtoffer 1] geplaatst, aldus verdachten. Zij wisten daar naar eigen zeggen niets van.

- Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat uit het onderzoek in deze zaak geen bewijs naar voren is gekomen dat [betrokkene 2] de set heeft opgehaald. Het SMS-verkeer met [slachtoffer 1] die dag geeft geen steun voor de veronderstelling dat hij haar opdracht heeft gegeven de set op te halen. Het tegendeel is het geval, aldus de advocaat-generaal. Hij heeft het standpunt ingenomen dat hier sprake is van een kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte over de afgifte van de uitpeilset aan [betrokkene 2]. In zijn optiek versterkt dit het bewijs tegen verdachten.

- De verdediging heeft hiertegen verweer gevoerd. Dit komt er op neer dat als het hof al zou aannemen dat verdachten liegen, hieraan nog niet de conclusie zou mogen worden verbonden dat zij dus schuldig zijn aan de schietpartij. Als verdachten de set niet op verzoek van [slachtoffer 1] zouden hebben opgehaald en aan [betrokkene 2] afgegeven, zou dit met andere woorden de mogelijkheid onverlet laten dat de set aan een ander is afgegeven en dat de aanschaf en het bezit van de uitpeilset mogelijk een ander doel dienden. Zoals bijvoorbeeld het traceren en rippen van wiethokken van [slachtoffer 1]. Dan zou het niet noodzakelijk gaan om het medeplegen van een (poging tot een) levensdelict (of medeplichtigheid daaraan). In dit alternatieve scenario zouden verdachten dan opzet hebben gehad op een ander delict, te weten het stelen van hennep, maar niet op een levensdelict.

- Het hof merkt allereerst op dat de proceshouding van verdachten, waarin deze pas zeer laat in de procedure hebben onthuld aan wie zij tracer en baken zouden hebben afgegeven, verbazing heeft gewekt. Ook lijkt de advocaat-generaal gelijk te hebben dat er geen concreet bewijs is dat [betrokkene 2] de set heeft opgehaald. De mogelijke leugenachtigheid van de desbetreffende verklaring van verdachten, die zou moeten volgen uit de ontkenning door [betrokkene 2] en haar SMS-contacten op 9 september met [slachtoffer 1], leidt echter niet zonder meer tot ontkrachting van het door de verdediging genoemde alternatieve scenario en is daardoor dus nog niet zonder meer redengevend voor het bewijs van het medeplegen van de moord, poging tot moord of medeplichtigheid daaraan. Indien het hof de conclusie van de advocaat-generaal zou overnemen dat hier sprake is van een kennelijk leugenachtige verklaring, maakt dat deze derhalve nog niet tot een bruikbaar bewijsmiddel. Het feit dat verdachten op dit punt zouden liegen, brengt voor het hof evenmin mee dat het mogelijke alternatieve scenario buiten beschouwing zou moeten blijven. Het hof heeft immers een eigen verantwoordelijkheid bij waarheidsvinding.

- In dit verband heeft het hof overwogen of zich hier mogelijk de situatie voordoet dat de lezing van verdachten met betrekking tot het mogelijke doel van de aanschaf van de uitpeilset in opdracht van een ander en de afgifte aan een ander, in het licht van de bewijsmiddelen dermate ongeloofwaardig of onvoorstelbaar is, dat het wel zo moet zijn geweest dat de uitpeilset is aangeschaft met het oog op de liquidatie door of in opdracht van verdachten van [slachtoffer 1] en de poging tot moord op [slachtoffer 2], zoals het openbaar ministerie heeft betoogd.

- Het hof trekt die conclusie niet, in het licht van zowel het ontbreken van bewijsmiddelen die verdachten direct verbinden aan plaats en tijd delict als van na te bespreken bewijsmiddelen die ruimte laten voor het scenario dat inderdaad anderen dan verdachten verantwoordelijk zijn voor het gepleegde levensdelict.

- Met betrekking tot het "plakken" van het baken, overweegt het hof dat niet is vast te stellen dat verdachten het baken onder de auto van [slachtoffer 1] hebben bevestigd. Uit niets blijkt dat verdachten in de nacht van 9 op 10 september 2008 bij het casino in Venlo zijn geweest en/of toen het baken onder de auto van [slachtoffer 1] hebben bevestigd. De (ter zitting van het hof bekeken) camerabeelden van 9 en 10 september 2008 van de bewakingscamera’s bij het casino geven geen uitsluitsel, terwijl een bij het casino die nacht aanwezige bewaker (- [betrokkene 3], van wie de verklaring pas in hoger beroep bekend is geworden -) geen relevante informatie op dit punt heeft verschaft. De uitkomst van de DNA-analyses van de bemonstering van de magneetplaat biedt voorts "zeer weinig steun" voor de hypothese dat verdachten DNA hebben bijgedragen aan dit extract. Hoewel onbekend is gebleven wie dan wel heeft bijgedragen aan dit DNA, en of dit de daders zijn geweest, is betrokkenheid van andere personen dus niet uit te sluiten.

- Het gegeven dat de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 1] na 23.15 uur op 9 september 2008 zouden hebben uitgestaan uitgestaan kan naar het oordeel van het hof nog niet met zich brengen dat daarmee zou vast staan dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op de plaats delict aanwezig waren en dat zij met het uitzetten van hun telefoons hun aanwezigheid daar zouden hebben willen verhullen. Het uitzetten van mobiele telefoons is immers niet zó uitzonderlijk dat dit op zichzelf al verdacht is en daarvoor geen andere, legitieme, verklaringen bestaan. Ook bijvoorbeeld [betrokkene 1] heeft die nacht zijn telefoon uitgeschakeld. Zeer belastend is dit gegeven op zichzelf dus niet.

- Het hof overweegt voorts dat uit het feit dat de tracer en het baken ter hoogte van de Radioweg te Sambeek weer onder het bereik van opeenvolgend dezelfde zendmasten en tenslotte om 02.49 uur onder het bereik van de zendmast aan de Weezenhof te Nijmegen komen, nog niet noodzakelijkerwijs volgt (zoals door de verdediging is aangevoerd), dat de schoten van uit de auto zijn gelost, waarin de PalmTreo zich bevond. Al lijkt die conclusie voor de hand te liggen, noodzakelijk is zij niet. Aan de hand van de technische gegevens, kan namelijk niet worden vastgesteld op welke afstand de tracer zich van het baken bevond op de momenten dat zij beide dezelfde zendmasten aanstraalden. De zendmasten hebben immers een vrij groot bereik en dat gegeven sluit de mogelijkheid niet uit dat de tracer zich op relatief grote afstand van het baken is blijven bevinden. Evenmin valt vast te stellen of de tracer zich (telkens) voor of achter het baken heeft bevonden. Anders gezegd: niet volledig uitgesloten kan worden dat er zich tussen de tracer en het baken een andere auto heeft bevonden, van waaruit op de Ford Escort is geschoten of zelfs dat op dat moment de tracer voor de Ford Escort uit gereden heeft.

- Het openbaar ministerie hecht groot belang aan de overeenkomsten tussen de in de door [medeverdachte 1] gehuurde loods aangetroffen munitie met de op de plaats delict aangetroffen munitie. Naar het oordeel van het hof kan aan deze omstandigheid echter niet zodanig gewicht worden toegekend, dat mede daarop een veroordeling voor deze feiten kan worden gebaseerd. Allereerst overweegt het hof daartoe, dat niet gebleken is dat de in de loods aangetroffen munitie ook aanwezig is geweest op de plaats van het delict. Dit is van belang, nu de munitie in de loods pas op 21 april 2009, dus ruim een half jaar na de schietpartij, is aangetroffen en niet duidelijk is wanneer die munitie in de loods terecht is gekomen. Voorts is van belang dat aannemelijk is dat bedoelde loods door meer/andere personen dan [medeverdachte 1] en [verdachte] werd gebruikt en de munitie dus ook door andere personen dan de beide verdachten daar kan zijn achtergelaten. Ten derde acht het hof het van belang dat de op de latex handschoen aangetroffen DNA-sporen niet wijzen in de richting van een van beide verdachten, hetgeen wel voor de hand had gelegen als zij de munitie in die handschoen hadden gedaan. Ten vierde wijst het hof op de door de deskundigen aangegeven omstandigheid dat met een matrijs vele duizenden, zo niet honderdduizenden bodemstempels worden aangebracht en dat zonder nadere gegevens, die ontbreken, niet gezegd kan worden dat de in de loods aangetroffen munitie tot de zelfde specifieke aangeschafte partij munitie behoort als de munitie die is aangetroffen op de plaats delict. Ten vijfde overweegt het hof dat uit het deskundigenbericht weliswaar blijkt dat een aantal in de loods aangetroffen patronen in dezelfde patroonhouder hebben gezeten als een aantal van de op de plaats delict aangetroffen hulzen, maar dat uit niets blijkt op welk tijdstip dat zou zijn geweest, noch wie die houder gehanteerd heeft.

- Het vonnis van de rechtbank steunt onder meer op verklaringen van de getuige [betrokkene 5]. De verdediging heeft daartegenover een groot aantal argumenten gesteld waarom deze verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn. Zo zou [betrokkene 5] zijn veroordeeld voor oplichting en heeft de vader van [betrokkene 5], ten overstaan van de raadsheer-commissaris gehoord, diverse verklaringen van zijn zoon met stelligheid ontkend.

- Wat daarvan zij, [betrokkene 5] heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 14 juni 2010 verklaard dat hij bij [verdachte] thuis twee wapens heeft gezien. [betrokkene 5] verklaart echter dat hij dacht (cursivering hof) dat het wapen met daaraan een zwarte band een automatisch wapen was. Hij geeft echter niet aan waarom hij dat dacht en verklaart tegelijkertijd dat hij weinig kennis van wapens heeft. Het hof acht de inhoud van die verklaring daarom, bij gebrek aan ander ondersteunend bewijs, van onvoldoende gewicht om er de conclusie aan te kunnen verbinden dat [verdachte] de beschikking had over een of meer Uzi's. De door de getuige gestelde (en door [verdachte] bestreden) mededelingen van [verdachte] tegenover deze getuige over de manier waarop omgegaan zou moeten worden met Uzi's en over het daadwerkelijk oefenen met schieten met Uzi's maken dit niet anders, nu de verklaring van de getuige niet wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal (bijvoorbeeld technisch bewijsmateriaal zoals DNA).

- De (door verdachte betwiste) verklaring van getuige [betrokkene 5] dat [verdachte] op een tijdstip kort voor de moord op [slachtoffer 1] tegen een onbekend gebleven man met "een Rudi Völler-kapsel" gezegd zou hebben dat [slachtoffer 1] binnenkort wel eens 'opgeruimd' zou kunnen worden, vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Niemand kan het bestaan van die man bevestigen of weet wie die man geweest zou kunnen zijn, laat staan dat er ondersteunend bewijs is voor wat [verdachte] tegen die man gezegd zou hebben.

- Aan het gegeven dat er op 21 april 2009 tijdens de doorzoeking van de woning van [betrokkene 4] aan [a-straat 1] te [plaats] een patroon 9 mm Parabellum merk Geco is aangetroffen met daarop DNA van [verdachte] verbindt het hof, anders dan de rechtbank, niet de conclusie dat dit bijdraagt aan het bewijs van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Immers, niet is komen vast te staan dat deze - op zich veel voorkomende type - patroon iets te maken heeft met de bewuste schietpartij op de A73, dat deze patroon zich in een patroonhouder van één van de bij de schietpartij gebruikte wapens heeft bevonden of dat [verdachte] wel moet hebben beschikt over automatische wapens van het type dat bij de schietpartij is gebruikt. Als de hypothese is dat verdachten de niet gebruikte munitie hebben gedeponeerd in de eerder besproken loods, is immers niet duidelijk hoe deze bij [betrokkene 4] gevonden patroon in die hypothese past.

- Het alternatieve scenario wordt evenmin ontkracht door de mislukte opwaardeerpoging van de set bij Vodafone en door het terugkeren van de tracer naar de mast waarmee hij voor vertrek contact had. Als de daders immers in de omgeving (- in letterlijke en figuurlijke zin -) van verdachten moeten worden gezocht, zijn deze aspecten ook in dat alternatieve scenario verklaarbaar.

Resumerend

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachten aanwezig zijn geweest bij de moord en of poging tot moord op de A73 en dat zij daar hebben geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Evenmin kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachten opzet hadden op het medeplegen van het levensdelict of op het behulpzaam zijn daarbij. De bewijsmiddelen zijn - ook in onderlinge samenhang bezien - daarvoor onvoldoende redengevend. Verdachten zijn niet door bewijsmiddelen te koppelen aan plaats en tijd van het delict. Er moet, ook al wordt door het openbaar ministerie aangenomen dat zij de uitpeilset niet aan [betrokkene 2] hebben afgegeven, een te grote stap worden gezet om te concluderen dat zij de set ook na 23.15 uur in hun bezit hebben gehouden, het baken hebben geplakt, de auto met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gevolgd en op hen, na 2.20 uur, hebben geschoten, dan wel dat anderen dat in hun opdracht hebben gedaan of althans dat zij aan deze misdaad medeplichtig zijn geweest.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen en de kanttekeningen die daarbij kunnen worden geplaatst, kan een ander scenario waarbij verdachten geen opzet hadden op het plegen van het tenlastegelegde niet als zo ongeloofwaardig worden beoordeeld, dat het alleen daarom al terzijde zou moeten worden geschoven, omdat het niet anders kan zijn dat verdachten de daders of medeplichtigen zijn."

2.3.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In cassatie kan niet worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen.

Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR2004:AO5061, NJ 2004/480).

2.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachte aanwezig zijn geweest bij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, de moord en/of de poging tot moord op de Rijksweg A73, en evenmin dat de verdachte opzet hadden op het medeplegen van deze delicten of op het behulpzaam zijn daarbij. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2014.