Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:2574

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
13/01585
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1416, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:4421, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht (voorwaardelijk) opzet, Wet herstructurering varkenshouderij. Het oordeel van het Hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij varkens hield zonder het vereiste varkensrecht is ontoereikend gemotiveerd. Dat de verdachte "er redelijkerwijs niet op mocht vertrouwen" dat de pachters alsnog een varkensrecht toegekend zou worden dat aan haar overgedragen kon worden nu de uitkomst van de procedure bij het College van beroep voor het bedrijfsleven "nog ongewis" was, sluit niet uit dat zij dat vertrouwen wel had, mede in aanmerking genomen dat nog niet vaststond dat de uitkomst van de lopende procedure ongunstig voor haar zou zijn.

Wetsverwijzingen
Wet herstructurering varkenshouderij
Wet herstructurering varkenshouderij 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/217 met annotatie van dr. mr. L.E.M. Hendriks
SR-Updates.nl 2014-0323
NJB 2014/1641
NJ 2014/395
RvdW 2014/1030

Uitspraak

2 september 2014

Strafkamer

nr. S 13/01585 E

IV/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 2 oktober 2012, nummer 20/004669-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [plaats].

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde opzet.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij in de jaren 2003 en 2004 te [plaats], gemeente [...], opzettelijk op een bedrijf met het mestnummer [0001] gelegen aan [a-straat 1] gemiddeld gedurende het jaar 2003 2.631 en gedurende het jaar 2004 2.479 varkens onderscheidenlijk fokzeugen, heeft gehouden, zijnde een groter aantal dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht onderscheidenlijk fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht onderscheidenlijk fokzeugenrecht."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 zijn weergegeven.

3.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen:

"B.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat zij moet worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde, omdat enige vorm van opzet niet bewezen kan worden. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat verdachte met ingang van 1 januari 2003 de pacht van de stallen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft overgenomen op basis van een verplichting aangegaan door [betrokkene 3] op een moment dat op basis van de tekst van het Besluit hardheidsgevallen erop vertrouwd mocht worden dat de pachters een varkensrecht toegekend zouden krijgen dat vervolgens in het kader van de pachtoverdracht overgedragen kon worden aan verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

De verklaring van [betrokkene 3], vertegenwoordiger van verdachte, houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - het volgende in:

"Op 1 januari 2003 hadden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] nog een procedure lopen bij het CBB voor het verkrijgen c.q. toegekend krijgen van varkensrechten m.b.t. de door hen in die stallen gehouden varkens. De uitkomst van die procedure was toen nog niet bekend."

B.3

Blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft verdachte in 2003 en 2004 varkens gehouden, terwijl zij wist dat daarvoor geen varkensrechten waren toegekend. Naar het oordeel van het hof mocht verdachte er redelijkerwijs niet op vertrouwen dat de pachters alsnog een varkensrecht toegekend zou worden dat aan haar overgedragen kon worden. De uitkomst van de procedure bij het College van beroep voor het bedrijfsleven was immers, zoals de vertegenwoordiger van verdachte ook verklaarde, nog ongewis, terwijl verdachte aan de enkele omstandigheid dat zij op basis van de tekst van het Besluit hardheidsgevallen meende dat de pachters een varkensrecht toegekend zouden krijgen, redelijkerwijs niet dat vertrouwen kon ontlenen. Immers, er zal in zijn algemeenheid slechts sprake zijn van een procedure bij het College van beroep voor het bedrijfsleven na een negatieve beslissing van een bestuursorgaan.

Verdachte heeft aldus door varkens te houden alvorens door het College van beroep voor het bedrijfsleven uitspraak was gedaan in de procedure voor het verkrijgen dan wel toegekend krijgen van varkensrechten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij varkens zou houden zonder dat de varkensrechten aanwezig waren.

Aldus heeft verdachte opzettelijk meer varkens onderscheidenlijk fokzeugen gehouden dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht onderscheidenlijk fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht onderscheidenlijk fokzeugenrecht.

B.4

Het hof verwerpt het verweer."

3.3.

Het Hof heeft overwogen dat de verdachte "er redelijkerwijs niet op [mocht] vertrouwen" dat de pachters alsnog een varkensrecht toegekend zou worden dat aan haar overgedragen kon worden nu de uitkomst van de procedure bij het College van beroep voor het bedrijfsleven "nog ongewis" was. Het enkele feit dat de verdachte dat vertrouwen niet mocht hebben, sluit niet uit dat zij dat vertrouwen wel had, mede in aanmerking genomen dat nog niet vaststond dat de uitkomst van de lopende procedure ongunstig voor haar zou zijn. Gelet hierop is 's Hofs oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij varkens hield zonder het vereiste varkensrecht ontoereikend gemotiveerd.

3.4.

Het middel slaagt.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, Economische Kamer, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2014.