Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:238

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
12/02919
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2326, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:2290, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.2.2e volzin Sv, uos m.b.t. betrouwbaarheid getuigenverklaringen en art. 9a Sr. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Beide middelen falen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 9a
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/102
SR-Updates.nl 2014-0065
RvdW 2014/300
NJ 2014/279

Uitspraak

4 februari 2014

Strafkamer

nr. 12/02919

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 15 mei 2012, nummer 21/004555-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde de zaak in zoverre opnieuw te doen berechten.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3].

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 21 juni 2010 te Vianen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een mes voorgehouden".

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"4. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 1], agent van politie Utrecht, district Lekstroom, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0960/2010152969-1, gesloten en getekend op 21 juni 2010 te Vianen, als bijlage (p. 20 t/m p. 23) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de aangifte van [betrokkene 1], - zakelijk weergegeven -:

Op 21 juni 2010 was ik bij mijn zus te Vianen op de [a-straat 1]. Ik was daar met meerdere vrienden, waaronder [betrokkene 3] en [betrokkene 2]. Ik ben met deze twee vrienden de flat ingegaan en mijn zus [betrokkene 4]. Mijn twee vrienden bleven in de gang van de flat staan. Ik liep door de woonkamer in. In de woonkamer zag ik [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) op mij afkomen lopen en hoorde ik mijn twee vrienden tegen mij roepen: "Kom terug, hij heeft iets in zijn hand". Ik ben gelijk achteruit gelopen. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "wegwezen uit mijn huis anders steek ik je neer". Ik zag op dat moment dat [verdachte] in zijn rechterhand een mes vasthield. Het mes zag er uit als een keukenmes. Ik zag dat mijn zus de politie belde. Ik voelde mij door [verdachte] bedreigd.

5. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 2], hoofdagent van politie Utrecht, district Lekstroom, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0960/2010152969-11, gesloten en getekend op 22 juni 2010 te Nieuwegein, als bijlage (p. 24 t/m p. 26) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [betrokkene 2], - zakelijk weergegeven -:

Ik wil aangifte doen van bedreiging met een mes. Gisteren, 21 juni 2010, had ik afgesproken met [betrokkene 1]. [betrokkene 1] had mij gevraagd om mee te gaan naar het huis van zijn zus [betrokkene 4]. Wij zijn met in totaal acht personen naar de woning van [betrokkene 4] gegaan. De woning van [betrokkene 4] en haar ex is een flatwoning. [betrokkene 1] opende de voordeur met de sleutel van [betrokkene 4]. De ex van [betrokkene 4] kwam vanuit de woonkamer. Ik zag dat hij boos was en hoorde hem tegen [betrokkene 1] roepen: dat hij op moest rotten. [betrokkene 1] was het eerst de woning binnen gegaan. Daarna een andere vriend en daarna ik. Ik zag dat hij (het hof begrijpt: verdachte) de keuken in liep. Ik zag dat hij daarna vanuit de keuken de deur opende tussen de keuken en het halletje. Ik zag dat hij een keukenmes in zijn hand had met een snijvlak van ongeveer 25 centimeter. Ik stond in het halletje direct achter de deur van de keuken, dus toen hij uit de keuken kwam, was ik de eerste die hem tegen kwam toen hij dat mes had gepakt. Hij liep daarna in de richting van [betrokkene 1] en die andere jongen. Ik hoorde hem roepen: "Ik ga je steken". Ik hoorde hem zeggen dat wij weg moesten gaan. Wij zijn de woning uit gegaan om op de politie te wachten.

6. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 3], agent van politie Utrecht, district Lekstroom, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0960/2010152969-2, gesloten en getekend op 21 juni 2010 te Vianen, als bijlage (p. 27 t/m p. 28) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [betrokkene 3], - zakelijk weergegeven -:

Ik werd vrijdagmiddag 18 juni 2010 door [betrokkene 1] gebeld. [betrokkene 1] vroeg aan mij of ik zondag 20 juni 2010 wilden helpen met verhuizen. Ik heb [betrokkene 1] verteld dat mij maandagavond 21 juni 2010 beter uitkwam. Ik heb vervolgens met [betrokkene 1] afgesproken om omstreeks 19.00 uur bij hem thuis te zijn. Ik ben vervolgens samen met [betrokkene 1] en andere vrienden van [betrokkene 1] omstreeks 20.00 naar [a-straat 1] te Vianen gereden. Daar aangekomen zijn wij naar boven gegaan. Daar heeft [betrokkene 1] de deur van de woning door middel van een sleutel geopend. Ik liep vervolgens samen met [betrokkene 1] het appartement in. Ik zag vervolgens een schim. Ik ben samen met [betrokkene 1] doorgelopen naar de woonkamer. Ik hoorde vervolgens iemand schreeuwen "Ga mijn huis uit". Ik heb mij vervolgens omgedraaid. Ik zag een man in de gang staan. De man had in zijn rechterhand een mes. Ik zag dat het een vleesmes was. Ik zag dat het lemmet van het mes ongeveer 30 centimeter lang was. Ik ben samen met [betrokkene 1] meteen de woning uitgelopen.

7. Een in wettelijke vorm door [verbalisant 4], brigadier van politie Utrecht, district Lekstroom, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0960/2010152969-6, gesloten en getekend op 22 juni 2010 te Nieuwegein, als bijlage (p. 16 t/m p. 17) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende de bevindingen van verbalisant, - zakelijk weergegeven -:

Op 21 juni 2010 was ik ambtshalve in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Vianen. Ik trof in de keuken op de grond een vleesmes aan. [betrokkene 2] verklaarde dat dit het mes was waarmee gedreigd was. Ik zag dat het een zogenaamd vleesmes was van ongeveer 32 centimeter lang."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen."

2.2.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Feit 2 bedreiging op 21 juni 2010

Tegenover de verklaring van [verdachte] staan de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

Allen verklaren dat zij met meerdere (7 of 8) personen naar de woning van [verdachte] gingen om spullen van [betrokkene 4] te verhuizen.

Volgens de verklaring van [betrokkene 1] zou hij de flat met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in zijn gegaan. [betrokkene 1] was de woonkamer in gegaan en zag [verdachte] op hem afkomen lopen. Zijn vrienden riepen tegen [betrokkene 1] dat [verdachte] iets in zijn handen had. Daarna zag hij ([betrokkene 1]) dat [verdachte] een mes in zijn handen had. Toen zijn zij allen achterwaarts de woning uitgelopen.

Bij de verhoren van de RC verklaart [betrokkene 1] anders. Hij was eerst de keuken in gegaan, en daarna de woonkamer. [betrokkene 1] keek en zag iets in Nijons rechterhand. [verdachte] zag [betrokkene 1] en zei "wegwezen". Frappant is dat bij de RC, anders dan bij politie, de cruciale woorden "anders steek ik je neer" niet door [betrokkene 1] worden genoemd; woorden die indien ze daadwerkelijk zouden zijn geuit, toch wel een dermate impact zouden hebben gehad dat deze bij de RC zouden worden herhaald. Bij de RC wordt door hem verklaard dat het mes in gestrekte arm langs Nijons lichaam werd gehouden, en nadien dat [verdachte] het mes achter zijn rug zou hebben gehouden, dit staat haaks op de eerste verklaring van [betrokkene 1] bij de politie waar nog gewag gemaakt van stekende bewegingen. Uit de verklaring bij de RC blijkt dat geen bedreiging met een mes heeft plaatsgevonden, althans blijkt niet dat een stekende beweging zou zijn gemaakt. Men moet niet vergeten dat [verdachte] in zijn eigen huis was en als hij een mes naast zijn lichaam zou hebben, dit niet als enige vorm van bedreiging kan worden opgevat.

Bij de politie verklaart [betrokkene 1] dat er twee vrienden in de hal aanwezig zouden zijn, [betrokkene 1] hebben gewaarschuwd dat [verdachte] iets in zijn hand zou hebben. In de verklaring bij de RC vertelt [betrokkene 1] dat hij niet weet of zijn vrienden in de woning aanwezig waren, hij ziet zelf het mes en komt later op de gang 1 vriend tegen.

Niet alleen de verklaring van [betrokkene 1] is wisselend bij de politie en de RC ook de anderen verklaren bij de RC niet overeenkomstig de aangifte bij de politie. Dit versterkt het standpunt van de verdediging dat de aangevers de verklaringen hebben afgestemd bij de politie en bij de RC door de mand zijn gevallen. Ik wijs u op enkele opvallende tegenstijdigheden. [betrokkene 2] stelt bij de politie dat [betrokkene 1] de deur opende en dat [verdachte] meteen vanuit de woonkamer, niet zijnde de keuken zoals [betrokkene 1] stelt, aan kwam lopen. [betrokkene 1], [betrokkene 2] en nog een andere zouden de woning in zijn gegaan. [verdachte] zou teruggelopen zijn naar de woning en vervolgens naar de keuken. Vanuit de keuken opende hij de deur die in verbinding staat met het gangetje. [verdachte] zou een mes in zijn handen hebben gehad. [betrokkene 2] kwam [verdachte] als eerste tegen en maakte richting hem steekbewegingen, dit staat haaks op de verklaring van [betrokkene 1], die zegt dat hij als eerste met het mes van [verdachte] zou zijn bedreigd.

In de verklaring bij de RC stelt [betrokkene 2] dat hij als vierde persoon de woning in is gegaan en dus niet als derde. [verdachte] was toen in de keuken, en niet in de woonkamer, pas later was [verdachte] in de woonkamer. Toen [verdachte] meerdere personen zag zou hij vanuit de keuken terug gegaan zijn naar de woonkamer (hoe kwam hij eerst weer vanuit de woonkamer in de keuken?).

Vervolgens verklaart [betrokkene 2] dat toen hij binnenkwam [verdachte] vanuit de keuken naar de hal gegaan zou zijn gegaan, met een groot mes in de hand, en daarbij zou hij, in tegenstelling tot zijn eerdere verklaring bij de politie, [verdachte] niet hebben gezegd "ik ga je steken", maar hebben gevraagd "wat komen jullie doen". De vraag wat komen jullie doen, al dan niet in combinatie met een mes in de hand, is geen gedraging van zodanige aard en is niet onder zodanige omstandigheden geschied dat de redelijke vrees kon ontstaan dat werd gedreigd met enig misdrijf, er is geen sprake van een directe of indirecte bedreiging, daarbij rekening houdende met het feit dat [betrokkene 2] een dergelijke vraag kon verwachten nu hij zonder toestemming van de bewoner ([verdachte]) de woning betrad.

De verklaring van [betrokkene 4] is tegenstrijdig met de verklaringen van de overige getuigen. Zij stelt dat alleen haar broer ([betrokkene 1]) de woning heeft betreden. [verdachte] zou op [betrokkene 1] en [betrokkene 4] af komen rennen vanuit de woonkamer naar de gang. Hij zou vervolgens naar de keuken zijn gelopen en terug zijn gekomen met een mes in zijn hand. De anderen zouden [betrokkene 4] hebben weggetrokken, en haar broer zou in de gang bij de voordeur hebben gestaan en dus nagenoeg de woning niet hebben betreden.

Conclusie:

VRIJSPRAAK. Gelet op de innerlijke tegenstrijdigheid van de verklaringen van de getuigen en aangevers bij de politie en de RC en hun onderlinge tegenstrijdigheid zijn de verklaringen kennelijk leugenachtig en dienen van het bewijs te worden uitgesloten. De verdediging is van mening dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van de gestelde bedreiging te komen nu de bestanddelen niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, en de opzet op de bedreiging niet is komen vast te staan. Alsook dat niet uit de bewezenverklaring kan blijken dat de gedraging van zodanige aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij het slachtoffer redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd, daadwerkelijk zou worden uitgevoerd."

2.3.

Ingevolge art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv dient een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat door de rechter niet is aanvaard, in de uitspraak beargumenteerd te worden weerlegd. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393)

2.4.

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de verklaringen die [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij de politie en bij de Rechter-Commissaris hebben afgelegd innerlijk en onderling tegenstrijdig zijn en derhalve als leugenachtig van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Het Hof heeft, in afwijking van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, de verklaringen die [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij de politie hebben afgelegd, voor het bewijs gebezigd. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat hetgeen namens de verdachte is aangevoerd strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde, wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen en dat het geen reden heeft aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daarin ligt als (gemotiveerd) oordeel van het Hof besloten dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen in zoverre overeenstemmen dat de verdachte in het zicht van de anderen een mes in zijn hand had en in zoverre niet onderling tegenstrijdig zijn en dat de gestelde onderlinge tegenstrijdigheden en de door de verdediging gesignaleerde afwijkingen tussen de verklaringen die bij de politie zijn afgelegd en de verklaringen die bij de Rechter-Commissaris zijn afgelegd niet van die aard en ernst zijn dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Aldus heeft het Hof ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het Hof is aanvaard. Mede gelet op hetgeen in 2.3 is overwogen behoefde het Hof niet nader in te gaan op hetgeen door de raadsvrouwe voor het overige en met betrekking tot de inhoud van de verklaringen is aangevoerd.

2.5.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat art. 9a Sr moet worden toegepast.

4.2.

Hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in verband met de strafoplegging naar voren heeft gebracht, is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 19.

4.3.

Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1. mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel" en 2. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis, de verdachte veroordeeld aan de benadeelde partij [betrokkene 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een schadevergoeding te betalen van € 250,-, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging tot aan de datum van de uitspraak begroot op € 459,- en aan de verdachte de verplichting opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van [betrokkene 4], een bedrag te betalen van € 250,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

4.4.

De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift 'Oplegging van straf en/of maatregel' het volgende in:

"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken."

4.5.

Het kennelijke oordeel van het Hof dat het onderdeel van de pleitnota dat betrekking heeft op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte met daaraan toegevoegd "9A (schuld zonder strafoplegging)" niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv oplevert, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

4.6.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2014.