Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:234

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
12/02023
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2231, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BH3079. Het Hof heeft de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen tot het bewijs van de feiten 3, 5 en 6 gebezigd. Daarmee heeft het Hof miskend dat een dergelijk verzuim behoudens een tweetal door de HR genoemde uitzonderingen z.m. tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Het middel is wat betreft de feiten 3 en 6 terecht voorgesteld. Wat betreft feit 5 behoeft het niet tot cassatie te leiden, nu de bewezenverklaring ook met weglating van de bewuste verklaring van verdachte toereikend is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0057
RvdW 2014/315

Uitspraak

4 februari 2014

Strafkamer

nr. 12/02023

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 maart 2012, nummer 20/002401-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over de feiten 3 en (de Hoge Raad leest:) 6 en de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met een gevoerd verweer de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering van de feiten 3, 4, 5 en 6 heeft betrokken.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

"3. hij op 21 september 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel verblijfsontzegging, afgegeven voor de periode 5 september 2008 tot 13 oktober 2008, krachtens artikel 2.75 Algemene plaatselijke verordening gemeente Venlo gedaan namens de burgemeester van de gemeente Venlo, die was belast met de uitoefening van enig toezicht, door toen en aldaar met dat opzet te verblijven binnen het in het bevel aangewezen gebied, te weten de Parade;

4. hij op 21 september 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], agent van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Jij blonde hoer" en "Kuthoer" en "Vuile slet", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

5. hij op 21 september 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 2], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid in dier gezicht heeft gespuugd.

6. hij omstreeks 28 september 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel verblijfsontzegging, afgegeven voor de periode 5 september 2008 tot 13 oktober 2008 krachtens artikel 2:75 Algemene plaatselijke verordening gemeente Venlo gedaan namens de burgemeester van de gemeente Venlo, die was belast met de uitoefening van enig toezicht, door toen en aldaar met dat opzet te verblijven binnen het in het bevel aangewezen gebied, te weten op de Lohofstraat."

3.2.2.

Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsvoering:

"Feiten 3, 4, 5 en 6

"Door de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 2] en [verbalisant 1] is een proces-verbaal van aanhouding opgemaakt. Zij relateren het navolgende.

Op zondagmorgen 21 september 2008 waren wij, verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 2] en [verbalisant 1], belast met de openbare orde dienst in het gebied Venlo-centrum. Op zondag 21 september 2008 omstreeks 00.15 uur liepen wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], over de Parade te Venlo. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag de mij ambtshalve bekende [verdachte] het café 'De Witte' gelegen op de Parade, inlopen. Ons was bekend dat genoemde verdachte een gebiedsontzegging heeft van 6 weken, geldig van vrijdag 5 september 2008 tot en met maandag 13 oktober 2008. Deze ontzegging is in deze periode geldig van vrijdag 18.00 uur tot en met maandag 6.00 uur. Genoemde locatie valt binnen het genoemde gebied waar deze ontzegging geldig is.

Op zondag 21 september 2008, omstreeks 00:45 uur, kreeg ik, [verbalisant 2], telefonisch door dat mensen van het stadstoezicht hadden gezien dat de ons ambtshalve bekende en nader te noemen verdachte [verdachte] uit een café, genaamd 'De Witte', kwam gelopen. Genoemd café is gelegen op de Parade te Venlo.

Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4], troffen genoemde verdachte vervolgens zittend aan op de Lohofstraat te Venlo, tegenover de aldaar gelegen jongerenkerk. Even later kwamen wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], ook ter plaatse. Naar aanleiding van bovenstaande hebben wij de verdachte [verdachte] aangehouden.

Even later zagen wij dat genoemde verdachte wegrende in de richting van de Nassaustraat. Na een achtervolging te voet werd genoemde verdachte ingehaald waarna we hem onder controle hebben gebracht. Ten tijde van het onder controle brengen van de verdachte [verdachte] hoorden wij, verbalisant [verbalisant 1] verbalisant [verbalisant 2] en verbalisant [verbalisant 3] dat de verdachte [verdachte] zei: 'Jij blonde hoer kuthoer vuile slet", of woorden van gelijke strekking. Wij, verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zagen dat de verdachte [verdachte] tijdens bovengenoemde belediging met zijn gezicht in de richting van verbalisant [verbalisant 1] keek. Ik, verbalisant [verbalisant 1], voel mij door de bovengenoemde belediging in mijn eer en goede naam aangetast.

Op het moment dat de verdachte [verdachte] in het opvallende dienstvoertuig werd geplaatst zagen wij, verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 1] dat verdachte [verdachte] de verbalisant [verbalisant 2] in haar gezicht spuwde. Ik, verbalisant [verbalisant 2], voel mij door het spuwen in mijn gezicht door de verdachte aangetast in mijn eer en goede naam.

De verdachte heeft bij de politie op 21 september 2008 als volgt verklaard:

Ik zat vannacht op de rand van een muurtje van de jongerenkerk bij de Lohofstraat.

De politie kwam en vertelde mij dat ze mij op de stadscamera's hadden gezien in het centrum. Ze vertelden mij dat ik een stadsverbod had. Ik wist dit.

Ik ben weggerend. Toen kwam de politie. Ik heb naar een politieagente gespuugd.

(Op de vraag wanneer de gebiedsontzegging is ingegaan:) Dit was volgens mij de derde week en hierna volgden nog twee weken. Volgens mij ben ik gisteravond in een gebied gekomen waar ik niet mocht komen.

(...)

De verdachte heeft op 28 september 2008 bij de politie verklaard:

Over gisteravond kan ik vertellen dat ik op de rand van het gebied ben geweest, misschien ben ik er een stukje binnen geweest. Ik was nog geen 5 minuten binnen het gebied. Ik wist dat ik niet de stad in mocht. Ik heb een gebiedsontzegging voor 6 weken en volgens mij is dit mijn op één na laatste week. Deze ontzegging is voor zowat het hele centrum van Venlo. Ik ben gisteren bij Ormix geweest."

3.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Salduz-jurisprudentie van toepassing op verklaringen cliënt. 1e en 2e verklaring afgelegd vóór advocaat:

p 28 en 33: eerst advocaat spreken. Zelfs vóór IVS:

2e verklaring 14.14, IVS 14.30 uur. Uitsluiten: cliënt heeft niet de mogelijkheid gehad om na zijn aanhouding, voorafgaand aan zijn verhoor een advocaat te raadplegen.

(...)

Feit 3+6

(...)

Bevel niet rechtmatig gegeven dus vrijspraak. Subsidiair achteraf gebleken: had niet mogen worden opgelegd, dus ook geen vervolg-vervolgingen op baseren. 9A SR. Zeker nu verklaringen cliënt dienen te worden uitgesloten agv Salduz-jurisprudentie vanwege het niet hebben kunnen raadplegen van een advocaat na aanhouding maar voor verhoor."

3.4.

Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (vgl. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349).

3.5.

Het Hof heeft de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen tot het bewijs van - klaarblijkelijk alleen - de feiten 3, 5 en 6 gebezigd. Daarmee heeft het Hof miskend dat, naar uit genoemd arrest van de Hoge Raad volgt, een dergelijk verzuim behoudens een tweetal door de Hoge Raad genoemde uitzonderingen zonder meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Doen die uitzonderingen zich niet voor dan zal de desbetreffende verklaring van de verdachte dus niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

3.6.

Tot cassatie behoeft het onjuiste gebruik voor het bewijs van de bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte van 21 september 2008 wat betreft de bewezenverklaring van feit 5 niet te leiden. Voor het bewijs van feit 5 heeft het Hof tevens gebruik gemaakt van het, onder 3.2 weergegeven, proces-verbaal, houdende verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Gelet op de inhoud van dat proces-verbaal, moet worden geoordeeld dat de bewezenverklaring ook met weglating van de bewuste verklaring van de verdachte toereikend is gemotiveerd, zoals het Hof ook de bewezenverklaring van feit 4 op de voet van art. 344, tweede lid, Sv heeft kunnen gronden alleen op het daartoe gebezigde proces-verbaal van de verbalisanten. De verdachte heeft derhalve onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak.

3.7.

Het middel is wat betreft de bewijsvoering van de feiten 3 en 6 terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vierde en het vijfde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 en 6 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2014.