Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:226

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
12/02540
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ5116, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0876, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 29, lid 1, aanhef en letter a, Wet OB; art. 3a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968; na verbreking van de fiscale eenheid is de uitgetreden werkmaatschappij en niet de fiscale eenheid gerechtigd tot teruggaaf van omzetbelasting wegens oninbaarheid van vorderingen van de werkmaatschappij op haar afnemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0267 met annotatie van Fiscaal up to Date
JOR 2014/223
NTFR 2015/111
V-N Vandaag 2013/752
V-N Vandaag 2014/227
V-N 2014/10.16
Belastingadvies 2014/6.11
BNB 2014/73
FED 2014/39

Uitspraak

7 februari 2014

nr. 12/02540

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Fiscale eenheid [X] B.V. c.s. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 april 2012, nr. BK 11/00353, betreffende een beschikking inzake omzetbelasting.

1 Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van over de jaren 2002 en 2003 op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting. Bij gezamenlijke beschikking van 24 oktober 2008, heeft de Inspecteur de verzoeken om teruggaaf niet-ontvankelijk verklaard, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 09/4088 OB) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd met instandhouding van de rechtsgevolgen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 28 februari 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3 Beoordeling van de klachten

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

Tot 20 juli 2005 werden [A] (hierna: [A]), [B] B.V. (hierna: de Holding) en [C] B.V. (hierna: de Werkmaatschappij) aangemerkt als één ondernemer in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). [A] hield alle aandelen in de Holding, de Holding hield alle aandelen in de Werkmaatschappij.

3.1.2.

In de jaren 2002 en 2003 zijn door de Werkmaatschappij aan ondernemers facturen met omzetbelasting uitgereikt voor door haar jegens die ondernemers verrichte, belaste prestaties. Deze omzetbelasting is op aangifte voldaan.

3.1.3.

Op 20 juli 2005 heeft de Holding de aandelen in de Werkmaatschappij vervreemd. Vanaf die datum werden [A] en de Holding als één ondernemer in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet aangemerkt. Op 16 januari 2006 is de Werkmaatschappij failliet verklaard.

Op 21 december 2006 heeft [A] de aandelen in de Holding vervreemd aan [D] B.V.

3.1.4.

In december 2007 en in juni 2008 is namens de fiscale eenheid [A], [B] B.V. en [C] B.V. aan de Inspecteur verzocht om op de voet van artikel 29, lid 1, letter a, van de Wet teruggaaf te verlenen van een gedeelte van de hiervoor in 3.1.2 vermelde op aangifte voldane omzetbelasting op de grond dat vast was komen te staan dat bepaalde afnemers de aan hen in rekening gebrachte bedragen aan omzetbelasting, in totaal € 114.382, niet hadden betaald en niet zouden betalen.

De Inspecteur heeft de verzoeken afgewezen.

3.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat wanneer in het onderhavige geval het recht op teruggaaf op de voet van artikel 29, lid 1, letter a, van de Wet is ontstaan in de periode dat de Werkmaatschappij nog deel uitmaakte van de fiscale eenheid, de onderhavige verzoeken te laat zijn ingediend, en reeds om die reden belanghebbende niet is gerechtigd tot die teruggaaf.

3.2.2.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat wanneer in het onderhavige geval het recht op teruggaaf op de voet van artikel 29, lid 1, letter a, van de Wet is ontstaan nadat de Werkmaatschappij uit de fiscale eenheid was getreden, de onderhavige verzoeken niet tijdig zijn ingediend dan wel is het, gelet op artikel 3a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Uitvoeringsbeschikking), niet belanghebbende die is gerechtigd tot de teruggaaf, aangezien de oninbare vorderingen tot het bedrijfsvermogen van de Werkmaatschappij behoren.

3.3.

De klachten zijn onder meer gericht tegen het hiervoor in 3.2.2 laatstvermelde oordeel van het Hof en voeren aan dat uitsluitend de fiscale eenheid, die de omzetbelasting heeft voldaan, gerechtigd is tot de teruggaaf en dat artikel 3a van de Uitvoeringsbeschikking toepassing mist.

3.4.1.

Op grond van artikel 7, lid 4, van de Wet (tekst vanaf 18 december 1995) kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld ter zake van de vorming, wijziging en beëindiging van de fiscale eenheid. Hieraan is uitvoering gegeven met artikel 3a van de Uitvoeringsbeschikking. Ingevolge lid 2 van deze bepaling worden bij beëindiging van een fiscale eenheid de natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR), die de fiscale eenheid vormden, voor het berekenen van de door hen verschuldigde belasting geacht in de plaats te zijn getreden van de fiscale eenheid voor het deel dat tot hun bedrijfsvermogen behoort. Dit artikellid is ingevolge artikel 3a, lid 3, letter b, van de Uitvoeringsbeschikking van overeenkomstige toepassing bij uittreding uit de fiscale eenheid van een natuurlijke persoon of lichaam in de zin van de AWR.

3.4.2.

Anders dan de klachten verdedigen moet onder de in artikel 3a, leden 2 en 3, letter b, van de Uitvoeringsbeschikking opgenomen zinsnede ‘het berekenen van de door hen verschuldigde belasting’ worden verstaan het bedrag aan omzetbelasting dat krachtens de wettelijke bepalingen per saldo moet worden voldaan in een tijdvak na beëindiging van een fiscale eenheid dan wel na uittreding uit een fiscale eenheid. Dit saldo wordt gevormd door enerzijds de bedragen aan omzetbelasting die in dat tijdvak verschuldigd worden, en anderzijds de bedragen aan omzetbelasting ter zake waarvan in dat tijdvak recht op aftrek of teruggaaf ontstaat. Dit laatste is mede het geval met betrekking tot de in artikel 29, lid 1, van de Wet bedoelde teruggaaf, ook indien deze teruggaaf omzetbelasting betreft die voor de beëindiging van of de uittreding uit de fiscale eenheid in rekening is gebracht en door de fiscale eenheid is voldaan. In zoverre falen derhalve de klachten.

3.4.3.

Uit het oordeel van de Rechtbank en hetgeen belanghebbende in hoger beroep en in cassatie heeft aangevoerd volgt dat het recht op teruggaaf is ontstaan in tijdvakken waarin de Werkmaatschappij – tot wier bedrijfsvermogen de vorderingen op de afnemers behoorden – geen deel uitmaakte van belanghebbende. Daarvan uitgaande en gelet op hetgeen hiervoor 3.4.2 is overwogen, is juist het oordeel van het Hof dat ingevolge artikel 3a, lid 3, letter b, van de Uitvoeringsbeschikking niet belanghebbende degene is die aanspraak kan maken op de teruggaaf. Voor zover de klachten zijn gericht tegen het hiervoor in 3.2.1 omschreven oordeel van het Hof alsmede tegen het in 3.2.2 eerstvermelde oordeel van het Hof omtrent het niet tijdig zijn gedaan van de verzoeken om teruggaaf, kunnen die klachten mitsdien niet tot cassatie leiden.

3.5.

Aangezien uit hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen volgt dat de verzoeken, ook indien deze tijdig zouden zijn ingediend, terecht zijn afgewezen, behoeven de klachten voor het overige geen behandeling.

4 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2014.