Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:22

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-01-2014
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
12/02707
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2239, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:5311, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. De vaststelling dat verdachte blijkens een hem betreffend UJD d.d. 21 maart 2012 “al eens onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit”, is niet zonder meer begrijpelijk aangezien voormeld UJD daarvoor geen steun biedt. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/154
SR-Updates.nl 2014-0014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 januari 2014

Strafkamer

nr. 12/02707

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 april 2012, nummer 22/005270-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W. Anker, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal J. Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt over de strafmotivering.

3.2.

De verdachte is ter zake van (parketnummer 10/692192-10 onder 1) "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", (parketnummer 10/692192-10 onder 2 en parketnummer 10/702201-10) "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en (parketnummer 10/692192-10 onder 3) "wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf voor de duur van 70 uren, subsidiair 35 dagen hechtenis. De strafoplegging is onder meer als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 maart 2012, waaruit blijkt dat de verdachte al eens onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen."

3.3.

De vaststelling dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 21 maart 2012, "al eens onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit", is niet zonder meer begrijpelijk aangezien voormeld uittreksel daarvoor geen steun biedt. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.

3.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2014.