Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:179

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
12/01734
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2422, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:1159. Slagende bewijsklacht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/301
NJ 2014/107 met annotatie van
NBSTRAF 2014/95
VA 2015/5
JIN 2014/95 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
SR-Updates.nl 2014-0049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 januari 2014

Strafkamer

nr. 12/01734

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 maart 2012, nummer 23/002635-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

1.1.

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J. Kuijper en mr. S.J. van der Woude, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

1.2.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1159, geoordeeld dat het eerste en het derde middel niet tot cassatie kunnen leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over het tweede middel.

1.3.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen ten aanzien van feit 1 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof zijn oordeel dat de in de bewezenverklaring onder 1 bedoelde voorwerpen waren bestemd tot het begaan van het "misdrijf van artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld en/of afpersing)" en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht, ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2.1.

Het Hof heeft, behoudens ten aanzien van de strafoplegging, het vonnis van de Rechtbank - met aanvulling van gronden - bevestigd. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat hij:

"1. op 4 september 2009 te Amsterdam ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld en/of afpersing), opzettelijk

- een vuurwapen (revolver opschrift BEL 00057) en

- patronen (.38 en .357 Magnum) en

- bivakmutsen en

- een paar handschoenen en

- een moker en

- ducktape,

kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2. op 4 september 2009 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een revolver (opschrift BEL 00057) en munitie van categorie III, te weten patronen (.38 SPE en .357 Magnum), voorhanden heeft gehad."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

"3.2.1 Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte de bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 3 heeft begaan op de hieronder zakelijk weergegeven feiten en omstandigheden, die in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen zijn vervat. Uit deze bewijsmiddelen is het volgende gebleken.

Op 4 september 2009 te 00.59 uur bevonden verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zich in een opvallend dienstvoertuig op de openbare weg, de Dollingadreef, te Amsterdam. Daar zagen de verbalisanten een zwarte auto, een Opel Vectra, en op grond van de Wegenverkeerswet besloten de verbalisanten de bestuurder van voornoemde auto te controleren. De verbalisanten zagen dat in de auto vier personen zaten, waarvan een vrouwelijke inzittende op de passagiersstoel aan de voorzijde zat. Na verificatie van het kenteken bleek dat voornoemde auto op naam stond van verdachte. Vervolgens heeft de verbalisant de bestuurder van voornoemde auto aangesproken en hem gevraagd naar zijn rijbewijs en autopapieren. Uit het rijbewijs bleek de bestuurder [betrokkene 1] te zijn genaamd. De bestuurder verklaarde dat de eigenaar van de auto achterin zat. Verbalisant zag dat [betrokkene 1] met de hand in de richting van een passagier, verdachte, wees, die op de achterbank zat aan de bijrijderzijde, en dat deze passagier een etui van de grond pakte, hieruit het kentekenbewijs haalde en daarbij zijn rijbewijs overhandigde.

Vervolgens zag de verbalisant dat de inzittende op de achterbank, aan de bestuurderszijde, een nerveuze indruk maakte, waarop de verbalisant hem ambtshalve als [betrokkene 2] herkende. Hierop werden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ter zake van hun signaleringen aangehouden.

Verdachte vroeg vervolgens aan de verbalisant of hij de onbekend gebleven mevrouw, die als passagier op de voorstoel in de auto zat, naar huis mocht brengen. De verbalisant stemde daarmee in, waarna verdachte en de onbekend gebleven mevrouw de auto verlieten.
[betrokkene 2] werd aan een veiligheidsfouillering onderworpen, waarbij in de broekzak een vuurwapen werd aangetroffen. Dit vuurwapen bleek bij later onderzoek half geladen te zijn. Bij het uitstappen van [betrokkene 2] zag de verbalisant een zwart schoudertasje op de achterbank ter hoogte van de middenarmsteun liggen. De verbalisant zag door de opening van het tasje een zilverkleurig metalen voorwerp liggen. De verbalisant tilde het tasje op en zag direct dat het een revolver betrof. In het tasje werd ook nog een [A] personeelspas aangetroffen op naam van verdachte.

Vervolgens is de auto veiliggesteld en aan een nader onderzoek onderworpen.

Dit onderzoek heeft de volgende goederen opgeleverd:

- voor bestuurdersstoel (zitplaats [betrokkene 1]) een Puma rugzak, inhoudende:

1 bivakmuts;

1 met doek omwikkelde moker;
1 met ducktape omwikkelde handdoek.

- bij de passagier achter bestuurder (zitplaats [betrokkene 2]) op de grond:

2 bivakmutsen;

1 paar dunne stoffen zwarte handschoenen.

- bij de passagier naast [betrokkene 2] op achterbank (zitplaats verdachte) op de grond:

1 grijze zogenoemde wielrenhandschoen;

1 rol ducktape;

1 kluwen ducktape.

- middenarmsteun achterbank (ruimte tussen verdachte en [betrokkene 2]):
1 zwart tasje met een zilverkleurige revolver;

1 plastic zakje met 3 .38 patronen en 2 .357 magnum patronen;

1 personeelspas van [A] op naam van verdachte.

Naast dit tasje lag een paar dunne handschoenen.

- kofferbak:

zwarte tas merk Puma met daarin blauwe rugtas met daarin:

1 poloshirt, 1 trui en 1 baseballcap in de kleuren van en met logo van TNT.

- muntbakje voorzijde voertuig:

1 wikkel met daarin heroïne gelijkende stof.

Alle genoemde goederen zijn inbeslaggenomen. Het vuurwapen en patronen zijn onderzocht door een taakaccenthoudende Wet wapens en munitie, waaruit is gebleken dat het vuurwapen een revolver betreft van categorie III en de munitie patronen betreft van categorie III.

De wikkel met vermoedelijk heroïne is opgestuurd naar deskundige drs. R. Jellema, waar is gebleken dat deze wikkel 0,29 gram heroïne bevat. De verdachte verklaart dat de in de auto gevonden wikkel met heroïne van hem is en ook de tas waar de revolver inzat, maar de revolver niet. Verdachte voelde wel dat de tas zwaarder was dan anders. Verdachte verklaart over de personen in zijn auto dat hij hen niet echt bij naam kent en hen ook nog niet zo lang kende. Verdachte weet niet hoe al die spullen in zijn auto zijn gekomen. Wat betreft de bivakmuts verklaart verdachte dat hij die eens eerder heeft gezien bij een rapper die hij door het hele land had rondgereden naar optredens. Daarbij zegt verdachte dat hij zijn auto vaak aan anderen heeft uitgeleend.

3.2.2

Nadere bewijsoverweging

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is geweest van enige bewustheid met betrekking tot de aanwezigheid van de bewezen voorwerpen in de auto. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder mee laten wegen dat de auto waarin de voorwerpen zijn aangetroffen, op naam is gesteld van de verdachte. Daarenboven heeft verdachte geen geloofwaardige dan wel aannemelijke verklaring afgelegd omtrent de aangetroffen voorwerpen in zijn auto.

Vooropgesteld wordt dat voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen is vereist dat kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, voorhanden heeft.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte deze voorwerpen opzettelijk aanwezig heeft gehad, gaat de rechtbank ervan uit dat de auto, waarin de voorwerpen zijn aangetroffen, op naam is gesteld van verdachte en verdachte ten tijde van het aantreffen van die voorwerpen ook in de auto zelf ook aanwezig was. Uitgangspunt is dat verdachte in beginsel verantwoordelijk kan worden gehouden voor voorwerpen, die zichtbaar, dan wel minder zichtbaar in de auto aanwezig zijn. Voorts acht de rechtbank de redenen die verdachte heeft opgegeven om het voorhanden hebben van de revolver en de andere voorwerpen te verklaren ("de revolver zat in mijn tas maar ik weet er niets vanaf; ik leen mijn auto vaak uit aan anderen en die laten wel eens spullen hierin achter; een vriend van mij gebruikt een van de bivakmutsen bij optredens terwijl hij niet in beeld wil komen") niet geloofwaardig. Dit brengt mee dat verdachte de betreffende voorwerpen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Daarenboven zal bewezen moeten worden dat de in de auto van verdachte aangetroffen voorwerpen bestemd zijn tot het begaan van een dergelijk misdrijf. Daarbij is van belang dat de voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte voor ogen stond (Hoge Raad 20 februari 2007, LJN AZ0213).

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de combinatie en onderlinge samenhang van de hiervoor vermelde aangetroffen voorwerpen (in het bijzonder de moker, de bivakmutsen, de zwarte handschoenen, de ducktape, de revolver en de 3 .38 en 2 .357 patronen) worden afgeleid dat verdachte deze voorwerpen voorhanden heeft gehad met het voornemen om daarmee diefstal met (bedreiging van) geweld, dan wel afpersing te plegen. Van belang is in de eerste plaats dat de auto waarin voormelde voorwerpen zijn aangetroffen, op naam van verdachte is gesteld. Voorts kunnen de auto van verdachte en de hierin aangetroffen voorwerpen naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig zijn voor een misdadig doel zoals aan verdachte ten laste is gelegd. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden bewezen."

2.3.

Aangezien de bewezenverklaring onder 1, voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad die waren "bestemd tot het begaan" van het "misdrijf van artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld en/of afpersing)", niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk is het kennelijke oordeel van het Hof dat uit die bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt welk "misdadig doel (...) de verdachte voor ogen stond". De door het Hof in dat verband in aanmerking genomen omstandigheden dat in de auto van de verdachte voorwerpen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij het plegen van diefstal met geweld en/of afpersing en dat de verdachte met het voorhanden hebben van die voorwerpen bekend was, volstaan daartoe niet.

2.4.

Het middel slaagt in zoverre.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2014.