Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1688

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
13/01429
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:344, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:717, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek. Het ttz. in h.b. door de raadsman gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor het doen ondervragen van getuige X is een verzoek in de zin van art. 331.1, jo. art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in h.b. van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast. De Hoge Raad herhaalt vervolgens toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:1496. De raadsman heeft op de (derde) ttz. in h.b. aangevoerd dat ‘in de loop van de procedure duidelijk is geworden dat getuige X ‘Boyke’ is die eerder in diverse verklaringen een rol speelt’, zonder deze stelling nader te onderbouwen. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat onvoldoende onderbouwd is dat X de eerdergenoemde ‘Boyke’ zou zijn en dat voorts het enkele feit dat hij mogelijk eveneens bij de feiten betrokken was en mede aanwezig was bij besprekingen ter zake, onvoldoende is om de noodzaak tot zijn oproeping aan te nemen. De afwijzing van dat verzoek is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede gelet op het stadium waarin het verzoek is gedaan en in aanmerking genomen dat de raadsman niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vereiste adresgegevens niet eerder kon verschaffen. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/990
NJ 2014/448

Uitspraak

8 juli 2014

Strafkamer

nr. 13/01429

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2013, nummer 23/002218-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over 's Hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige.

2.2.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 29 maart 2010 tot en met 14 april 2010, (via de Westerschelde) in de provincie Zeeland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 282 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne

en dat

hij in de periode van 29 maart 2010 tot en met 19 april 2010, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne."

2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2013 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat het hof tijdens een pro forma-zitting van 13 november 2012 in de zaak tegen een verzoek van de raadsman tot het oproepen voor verhoor van [betrokkene 1] (bijnaam "Boyke") voorwaardelijk heeft toegewezen, in die zin dat eerst nagegaan dient te worden of de getuige daadwerkelijk op het in een brief van de raadsman van [verdachte] van 5 november 2012 vermelde adres [a-straat 1] te [woonplaats] (België), dan wel op een ander adres in België verblijft.

Voorts maakt de voorzitter melding van de korte inhoud van binnengekomen stukken, te weten:

- een proces-verbaal 19 november 2012 van [verbalisant 3], inhoudende dat [betrokkene 1] volgens mededeling van een rechercheur van de Federale gerechtelijke politie te Hasselt (België) niet op het door de raadsman opgegeven adres staat ingeschreven en tevens niet voorkomt in de Belgische politiesystemen. De voorzitter merkt op dat de door het hof gestelde voorwaarde derhalve niet is vervuld;

- een brief van de raadsman van medeverdachte [verdachte], mr. Korvinus, van 28 januari 2013, inhoudende de opgave van actuele adresgegevens van [betrokkene 1] en bevattende een aankondiging van een verzoek tot aanhouding, teneinde die [betrokkene 1] als getuige op te roepen.

De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en deelt - zakelijk weergegeven - het volgende mede.

In de loop van de procedure is duidelijk geworden dat [betrokkene 1] "Boyke" is die eerder in diverse verklaringen een rol speelt. Ik heb het proces-verbaal van 19 november 2012 ontvangen en van de inhoud daarvan kennis genomen. Ik ga ervan uit dat in België ook zoiets bestaat als een Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Er had in België onderzoek verricht kunnen worden in dat systeem. De verdediging heeft na binnenkomst van het proces-verbaal zelf onderzoek verricht. Daaruit is het in de brief vermelde adres naar voren gekomen. De adresgegevens zijn achterhaald door een privépersoon; ik kan geen nadere mededelingen doen omtrent de identiteit van die persoon. Er zijn concrete aanknopingspunten dat de getuige daadwerkelijk op dit adres woonachtig is. Hij verblijft aldaar met zijn vrouw, [de vrouw] en zijn kinderen. Ik kan desgewenst ook de bij dat adres behorende postcode verstrekken. Voorts kan ik u melden dat zijn kinderen schoolgaand zijn op de basisschool [de basisschool] in [woonplaats], en dat hij een auto heeft van het merk Mercedes, type A, voorzien van het kenteken [kenteken]. Met al deze gegevens zou het geen probleem moeten zijn om de getuige te traceren. Ik handhaaf het verzoek tot aanhouding van de zaak en verzoek [betrokkene 1] op te roepen voor verhoor. (...)

De advocaat-generaal reageert op de verzoeken van de raadslieden en verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende.

Er is genoeg naspeuring gedaan naar de identiteit van die "Boyke". Eerder is vastgesteld dat deze persoon niet bestaat. De gegevens die zijn aangeleverd door de raadsman van [verdachte] zijn te ongespecificeerd om hierover anders te oordelen. Het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium, waarbij de stand van de procedure ook een rol mag spelen. Het verzoek dient te worden afgewezen. Het bestaan van die "Boyke" doet niets af aan de specifieke betrokkenheid van de verdachten bij het binnenhalen van de zending cocaïne. (...)

De voorzitter onderbreekt de terechtzitting voor beraad.

Na hervatting deelt de voorzitter als de beslissingen van het hof het volgende mede.

Het hof beschouwt het verzoek tot het doen oproepen van [betrokkene 1] als getuige als een nieuw verzoek, nu niet is voldaan aan de voorwaarden zoals eerder door het hof gesteld aan de toewijzing van het verzoek tot het doen oproepen van 'Boyke'. Het hof ziet, gelet op de onderbouwing van het verzoek, geen noodzaak tot het doen oproepen van [betrokkene 1] voornoemd. Ten eerste is onvoldoende onderbouwd dat deze persoon de eerdergenoemde 'Boyke' zou zijn en voorts is het enkele feit dat hij mogelijk eveneens bij de feiten betrokken was en mede aanwezig was bij besprekingen terzake, onvoldoende om de noodzaak tot zijn oproeping aan te nemen."

2.4.

Het ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor het doen ondervragen van [betrokkene 1] is een verzoek in de zin van art. 331, eerste lid, in verbinding met art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast.

2.5.

Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over de motivering van de beslissing inzake een verzoek tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in:

"2.75. (...) In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. (...)

2.76.

Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) (...)

2.77.

Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen van waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet horen onderscheidenlijk doen oproepen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst."

2.6.

De raadsman heeft op de (derde) terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2013 aangevoerd dat in de loop van de procedure duidelijk is geworden dat [betrokkene 1] 'Boyke' is die eerder in diverse verklaringen een rol speelt, zonder deze stelling nader te onderbouwen. Blijkens zijn hiervoor onder 2.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat onvoldoende onderbouwd is dat [betrokkene 1] de eerdergenoemde 'Boyke' zou zijn en dat voorts het enkele feit dat hij mogelijk eveneens bij de feiten betrokken was en mede aanwezig was bij besprekingen ter zake, onvoldoende is om de noodzaak tot zijn oproeping aan te nemen. De afwijzing van dat verzoek is, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede gelet op het stadium waarin het verzoek is gedaan en in aanmerking genomen dat de raadsman niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vereiste adresgegevens niet eerder kon verschaffen.

2.7.

Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren.

5 Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en elf maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2014.