Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1644

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
13/02595
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2013:1576
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11 juli 2014

Nr. 13/02595

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2013, nr. 11/00106, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/5377) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het middel klaagt op zichzelf bezien terecht over de tegenstrijdigheid tussen enerzijds de beslissing van het Hof, waarin de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd en waarin niet is opgenomen dat de Inspecteur wordt gelast tot vergoeding van griffierecht, en anderzijds de overweging van het Hof omtrent het griffierecht, waarin wordt geoordeeld dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en het griffierecht door de Inspecteur moet worden vergoed.

Omdat de door het middel gewraakte, en klaarblijkelijk op een verschrijving berustende, overweging de beslissing van het Hof niet draagt, faalt het middel echter bij gebrek aan belang. Uit die beslissing volgt dat de Inspecteur niet gehouden was het griffierecht te vergoeden.

4 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2014.