Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1643

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
13/01164
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:343, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Contractenrecht. Schuldeisersverzuim. Moment waarop schuldeisersverzuim en gevolgen daarvan eindigen. De Hoge Raad doet zelf de zaak af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 58
Burgerlijk Wetboek Boek 6 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/176 met annotatie van P.H. Bossema-de Greef
NTHR 2015, afl. 1, p. 44
NJB 2014/1428
RCR 2014/68
RvdW 2014/948
Bb 2014/65.1
JWB 2014/292
NJ 2014/361

Uitspraak

11 juli 2014

Eerste Kamer

nr. 13/01164

RM/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

SEPEBA B.V.,
gevestigd te Zaandam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

RITO HOLDING B.V.,
gevestigd te Heiloo,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Sepeba en Rito.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 106992 / HA ZA 08-987 van de rechtbank Alkmaar van 4 maart 2009, 17 februari 2010 en 11 mei 2011;

b. de arresten in de zaak 200.089.074/01 van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2011 en 18 december 2012.

Het arrest van het hof van 18 december 2012 is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen laatstvermeld arrest van het hof heeft Sepeba beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen Rito is verstek verleend.

De zaak is voor Sepeba toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak als onder 16 van de conclusie is vermeld.

De advocaat van Sepeba heeft bij brief van 9 mei 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2 vermelde feiten. Deze komen op het volgende neer.

(i) Rito heeft in januari 2001 van Sepeba een perceel bouwgrond te Zaandam gekocht voor een koopsom van ƒ 960.000,-- (ƒ 400,-- per m2). Levering heeft plaatsgevonden op 9 maart 2001.

(ii) Partijen hebben in januari 2001 voorts een overeenkomst gesloten met betrekking tot de ontwikkeling van voormelde grond. In verband daarmee is het perceel gesplitst in vier afzonderlijke percelen, genummerd 1 t/m 4. In de overeenkomst is onder meer opgenomen dat Sepeba ten aanzien van die afzonderlijke percelen koop-/aannemingsovereenkomsten met derden zal sluiten en dat Rito op eerste verzoek van Sepeba gehouden is haar medewerking te verlenen aan de levering van de desbetreffende percelen aan die derden (door middel van een zogenoemde ABC-transactie).

(iii) Met betrekking tot de financiële afrekening na iedere verkoop van een afzonderlijk perceel is overeengekomen dat Rito over de koopsom van ƒ 960.000,-- tot aan de datum dat een perceel zal zijn verkocht en geleverd aan een derde-koper, een rentevergoeding van Sepeba zal ontvangen van 7,5% per jaar; de rente zal ingaan op de datum waarop het terrein door Sepeba aan Rito bij notariële akte zal zijn geleverd en zal (per perceel) worden berekend tot de datum van verkoop en overdracht aan de derde-koper. Voorts is bepaald op welke wijze de gerealiseerde opbrengst van de verkoop tussen partijen wordt verdeeld.

(iv) Een eerste kavel is verkocht en geleverd in 2001. Daarna viel de verkoop aan derden stil en mede daardoor ontstonden tussen partijen wrijvingen. In juni 2007 zijn nadere afspraken gemaakt over de wijze van verdeling van de te realiseren verkoopopbrengsten.

(v) Bij overeenkomst van 3 juli 2008 heeft Sepeba perceel 1 voor een bedrag van € 367.760,-- verkocht aan haar directeur [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).
In de overeenkomst is opgenomen dat levering zal plaatsvinden op 31 augustus 2008, of zoveel eerder of later als partijen nader overeenkomen. Rito heeft aan levering van het perceel geen medewerking verleend, omdat zij met Sepeba van mening verschilde over de wijze waarop de overeengekomen financiële afrekening moest plaatsvinden.

3.2

Voor zover voor de hierna volgende beoordeling nog van belang, vordert Sepeba in dit geding een bevel aan Rito om op straffe van een dwangsom op eerste verzoek bij de notaris te verschijnen teneinde haar medewerking te verlenen aan de levering van perceel 1 aan [betrokkene 1]. Zowel de rechtbank als het hof heeft deze vordering grotendeels toegewezen.

3.3

De onderdelen II en III hebben betrekking op de in verband met de levering van perceel 1 door Sepeba aan Rito te betalen rente van 7,5% per jaar (zie hiervoor in 3.1 onder (iii)). Het hof overwoog daaromtrent in rov. 3.17 – 3.19 als volgt.

“3.17. (…) Rito kan niet worden gevolgd in haar betoog dat haar niet verweten kan worden dat de levering van het perceel ‘kavel 1’ niet heeft plaatsgevonden. Rito is mogelijkerwijs wel bereid mee te werken aan de levering, maar zij wenst niet dat er zou worden afgerekend op de wijze zoals Sepeba voorstaat. Uit hetgeen hierboven is overwogen, volgt dat die opstelling geen stand houdt. De berekening van Sepeba is in beginsel juist. Rito verkeert daarom in schuldeisersverzuim en de rechtbank heeft terecht een einddatum bepaald tot waarop de rentevergoeding doorloopt.
De rechtbank heeft de dag van de inleidende dagvaarding, 3 december 2008, als einddatum genoemd. Sepeba is daartegen niet in hoger beroep opgekomen, zodat die datum in beginsel tot uitgangspunt moet worden genomen.

3.18.

De aan Rito te betalen prijs voor de grond zal derhalve moeten worden vastgesteld in plaats van op € 294,92 op (de oorspronkelijke prijs per m2 van ƒ 400,- in euro’s:) € 182,- per m2 te vermeerderen met de jaarlijks cumulerende rente van 7,5% per jaar vanaf 9 maart 2001 tot 3 december 2008. De rente zal wederom beginnen te lopen zodra Rito expliciet en schriftelijk aan Sepeba te kennen geeft dat zij in overeenstemming met de voorwaarden in het dictum van dit arrest zal meewerken aan levering van het perceel aan [betrokkene 1] en, in dat geval, doorlopen tot aan de datum van levering.

3.19.

Grief I in principaal appel slaagt in zoverre. De overige klachten in grief I falen. Met de rechtbank veronderstelt het hof dat de notaris tijdig vooraf aan Rito een conceptafrekening en een concept-transportakte toezendt en dat Rito tijdig vooraf op de hoogte zal worden gesteld van de beoogde leveringsdatum. Om daarover geen misverstand te laten bestaan, zal het hof een en ander in een nieuw geformuleerd dictum opnemen. Rito kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de concept-afrekening haar voorafgaande goedkeuring nodig heeft. (…)”

Het hof heeft vervolgens Rito op straffe van een dwangsom veroordeeld:

“om op eerste verzoek van Sepeba te verschijnen bij notaris (…), teneinde medewerking te verlenen aan de levering aan [betrokkene 1] van [perceel 1], onder de voorwaarden:

A. de leveringsdatum zal uiterlijk dertig dagen daaraan voorafgaand schriftelijk aan Rito worden meegedeeld, waarbij aan haar een concept-afrekening en een concept-transportakte zal worden toegezonden;

B. de afrekening tussen partijen zal geschieden op de wijze als in overweging 3.8 van het eindarrest is weergegeven [conform de berekening van Sepeba zoals deze bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht], echter met uitzondering van de in die opstelling genoemde prijs van € 294,92 per m2, welke prijs opnieuw zal moeten worden berekend met inachtneming van hetgeen is bepaald in overweging 3.18 van het eindarrest, en met correctie van de overige in die opstelling vermelde geldbedragen die op grond van een aanpassing van deze prijs gecorrigeerd moeten worden”.

3.4

Onderdeel II komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.18 dat de door Sepeba aan Rito te betalen prijs voor perceel 1 moet worden vastgesteld op ƒ 400,-- (€ 182,--) per m2 te vermeerderen met de jaarlijks cumulerende rente van 7,5% per jaar vanaf 9 maart 2001 tot 3 december 2008. Volgens het onderdeel begint die rente niet te lopen op 9 maart 2001 maar op 1 januari 2002, aangezien partijen de rente tot en met 31 december 2001 reeds hadden afgerekend.

Het onderdeel slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 10.

3.5

Onderdeel III is gericht tegen het oordeel van het hof in de laatste volzin van rov. 3.18 dat de rente wederom zal beginnen te lopen zodra Rito expliciet en schriftelijk aan Sepeba te kennen geeft dat zij in overeenstemming met de voorwaarden in het dictum van dat arrest zal meewerken aan levering van het perceel aan [betrokkene 1] en dat de rente, in dat geval, zal doorlopen tot aan de datum van levering. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat het schuldeisersverzuim van Rito eerst eindigt indien zij daadwerkelijk zal hebben meegewerkt aan de levering van het perceel aan [betrokkene 1], en in ieder geval niet reeds op het moment dat zij aan Sepeba te kennen zal hebben gegeven dat zij in overeenstemming met de voorwaarden in het dictum van het arrest zal meewerken aan levering.

3.6.1

In cassatie is op grond van rov. 3.17 uitgangspunt (a) dat Rito in schuldeisersverzuim verkeert doordat zij heeft belet dat Sepeba perceel 1 door middel van een ABC-transactie aan [betrokkene 1] levert en vervolgens die transactie afrekent met Rito zoals tussen hen beiden overeengekomen, en (b) dat de door Sepeba ter zake van perceel 1 aan Rito contractueel verschuldigde rente over een bedrag van ƒ 400,-- per m2, als gevolg van het schuldeisersverzuim van Rito vanaf 3 december 2008 niet langer doorloopt.

3.6.2

De beslissing van het hof in rov. 3.18 dat de rente wederom begint te lopen zodra Rito expliciet en schriftelijk aan Sepeba mededeelt dat zij in overeenstemming met het dictum van het eindarrest zal meewerken aan levering van het perceel aan [betrokkene 1], en vanaf dat moment doorloopt tot aan de datum van levering, is kennelijk gegrond op het oordeel dat door de genoemde mededeling het beletsel voor Sepeba om te leveren, en daarmee het schuldeisersverzuim van Rito, ten einde is gekomen. De tegen dit oordeel gerichte klacht is ten dele gegrond.

3.6.3

Indien, nadat de schuldeiser zich (alsnog) tot medewerking aan de nakoming bereid heeft verklaard, de schuldenaar zijn prestatie niet aanstonds kan verrichten maar daarvoor redelijkerwijs nog enige voorbereidingstijd nodig heeft, eindigen de gevolgen van het schuldeisersverzuim pas zodra de schuldenaar redelijkerwijs weer tot nakoming in staat is. Pas op dat moment is immers het van de zijde van de schuldeiser opgekomen beletsel voor de schuldenaar om zijn verbintenis na te komen, uitgewerkt.

3.6.4

In het onderhavige geval staat vast dat Sepeba, alvorens tot levering te kunnen overgaan, overeenkomstig voorwaarde A in het dictum van het arrest van het hof (hiervoor in 3.3 geciteerd) in ieder geval een termijn van dertig dagen in acht moet nemen om Rito van de voorgenomen transportdatum op de hoogte te stellen.
Deze voorwaarde is op verzoek van partijen door het hof opgelegd teneinde nieuwe problemen rond de afwikkeling en afrekening van de transactie te voorkomen, en is derhalve te beschouwen als een uitvloeisel van de door het schuldeisersverzuim van Rito veroorzaakte onenigheid. Bovendien zullen, voordat Sepeba de transportdatum aan Rito kan mededelen, redelijkerwijs ook nog enige dagen nodig zijn om de transportdatum met [betrokkene 1] en de notaris af te stemmen en de in voorwaarde A bedoelde concept-afrekening en concept-transportakte te doen opstellen. Nu de omvang van deze extra benodigde termijn een feitelijk punt van ondergeschikte aard betreft (art. 421 Rv), stelt de Hoge Raad met het oog op de afdoening van de zaak deze extra benodigde termijn in het onderhavige geval op vijf dagen.

3.6.5

Het voorgaande brengt mee dat Sepeba redelijkerwijs niet eerder dan pas na verloop van 35 dagen na de door het hof genoemde schriftelijke mededeling van Rito, in staat zal zijn het perceel aan [betrokkene 1] te leveren. Pas na verloop van deze termijn is het schuldeisers-verzuim van Rito gezuiverd doordat dan geen beletsel meer bestaat voor nakoming door Sepeba, en dient de door Sepeba te betalen contractueel overeengekomen rente weer te gaan lopen. De hiervoor in 3.5 weergegeven klacht is in zoverre gegrond.

3.6.6

De klacht faalt evenwel voor zover zij ertoe strekt dat het schuldeisersverzuim pas eindigt op het moment dat Rito daadwerkelijk zal hebben meegewerkt aan de levering van het perceel. Het is immers aan Sepeba om, wanneer zij daartoe (na het wegvallen van het door Rito opgeworpen beletsel) redelijkerwijs weer in staat is, de levering te doen plaatsvinden, bij uitblijven waarvan zij de contractueel overeengekomen rente dient te voldoen. Zou Rito wederom ten onrechte haar medewerking aan de levering weigeren, dan raakt zij vanaf dat moment opnieuw in schuldeisersverzuim.

3.7

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.8

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen op de wijze als hierna bepaald.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

bepaalt, in zoverre met vernietiging van het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 18 december 2012, dat de in rov. 3.18 van dat arrest genoemde jaarlijks cumulerende rente van 7,5% per jaar verschuldigd is vanaf 1 januari 2002 tot 3 december 2008, en dat die rente wederom zal beginnen te lopen na ommekomst van vijfendertig dagen nadat Rito expliciet en schriftelijk aan Sepeba te kennen geeft dat zij in overeenstemming met de voorwaarden in het dictum van dat arrest zal meewerken aan levering van het perceel aan [betrokkene 1] en, in dat geval, zal doorlopen tot aan de datum van levering;

veroordeelt Rito in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Sepeba begroot op € 904,89 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en M.V. Polak en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 11 juli 2014.