Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:164

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-01-2014
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
13/01256
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1265
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BY2853
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uitleg EEX-Vo (Brussel I). Vordering tegen in Duitsland woonachtige partij op grond van onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder dan wel werknemer van in Nederland gevestigde vennootschap; art. 2:9 BW, art. 7:661 lid 1 BW en art. 6:162 BW. Bevoegdheid Nederlandse rechter. Prejudiciële vragen. Verzetten de art. 18-20 EEX-Vo zich tegen toepassing van art. 5 aanhef en onder 1 (a) en onder 3 EEX-Vo, indien de vordering mede gebaseerd is op arbeidsovereenkomst? Vormt de op bestuurder rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling een verbintenis uit overeenkomst of uit onrechtmatige daad in de zin van art. 5, aanhef en onder 1 (a) of onder 3 EEX-Vo? Plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, art. 5 lid 1 aanhef en onder 1 (a) EEX-Vo; plaats waar het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen, art. 5 lid 3 EEX-Vo.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 9
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 661
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2014/73 met annotatie van
NJB 2014/259
RvdW 2014/197
RO 2014/27
Ondernemingsrecht 2014/64 met annotatie van T.M.C Arons
JWB 2014/58
JONDR 2014/546
NTHR 2014, afl. 2, p. 93
JOR 2014/191 met annotatie van prof. mr. P.M. Veder
AR-Updates.nl 2014-0070
PS-Updates.nl 2019-0418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 januari 2014

Eerste Kamer

nr. 13/01256

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. FERHO BEWEHRUNGSSTAHL GMBH,
gevestigd te Essen, Duitsland,

3. FERHO VECHTA GMBH,
gevestigd te Vechta, Duitsland,

4. FERHO FRANKFURT GMBH,
gevestigd te Frankfurt, Duitsland,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. P.A. Fruytier,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats], Duitsland,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Eiseressen tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] c.s., eiseres tot cassatie onder 1 als [eiseres 1], en verweerder als [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 117333/HA ZA 11-14 van de rechtbank Almelo van 13 juli 2011;

b. het arrest in de zaak 200.096.289 van het gerechtshof te Arnhem van 13 november 2012.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] c.s. toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiseres 1] is gevestigd in Nederland; [verweerder] heeft woonplaats in Duitsland.

(ii) Op 25 april 2001 is [verweerder] bij [eiseres 1] in dienst getreden als directeur. In dit verband hebben partijen op 7 mei 2001 een in de Duitse taal opgestelde arbeidsovereenkomst ondertekend.

(iii) [verweerder] was daarnaast bestuurder/procuratiehouder van de vennootschappen naar Duits recht (GmbH’s) Ferho Bewehrungsstahl, Ferho Vechta en Ferho Frankfurt, die alle zijn gevestigd in Duitsland.

(iv) Op 31 december 2005 is een einde gekomen aan de betrekking van [verweerder] met Ferho Frankfurt; op 31 december 2006 is een einde gekomen aan de betrekking van [verweerder] met [eiseres 1], Ferho Bewehrungsstahl en Ferho Vechta.

3.2.1

[eiseres] c.s. verwijten [verweerder] dat hij bij de uitoefening van zijn hiervoor in 3.1 onder (ii) en (iii) genoemde functies ernstige fouten heeft gemaakt, die tot schade voor [eiseres] c.s. hebben geleid. Op grond daarvan vorderen [eiseres] c.s., naast een verklaring voor recht, veroordeling van [verweerder] tot betaling van schadevergoeding.

Voor zover in cassatie van belang houdt het primaire standpunt van [eiseres] c.s. in dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder van [eiseres] c.s. en uit dien hoofde jegens deze vennootschappen aansprakelijk is. Voorts hebben [eiseres] c.s. zich beroepen op opzet dan wel bewuste roekeloosheid van [verweerder] bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met [eiseres 1], een en ander als bedoeld in art. 7:661 BW. Subsidiair voeren [eiseres] c.s. aan dat de ernstige fouten die [verweerder] heeft gemaakt bij de uitoefening van zijn functies, meebrengen dat sprake is van onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens [eiseres] c.s.

3.2.2

[verweerder] heeft aangevoerd dat de rechtbank Almelo niet bevoegd is om van de vorderingen van [eiseres] c.s. kennis te nemen. Daartoe heeft [verweerder] zich beroepen op Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo).

3.3.1

De rechtbank heeft geoordeeld dat haar noch op grond van art. 5, aanhef en onder 1, EEX-Vo noch op grond van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo bevoegdheid toekomt, en heeft zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen van [eiseres] c.s. kennis te nemen.

3.3.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het hof heeft onderscheid gemaakt tussen de door [eiseres 1] ingestelde vorderingen die zijn gebaseerd op het niet-nakomen door [verweerder] van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn functie als directeur van [eiseres 1] enerzijds (rov. 4.2-4.5) en de door Ferho Bewehrungsstahl, Ferho Vechta en Ferho Frankfurt tegen [verweerder] ingestelde vorderingen uit overeenkomst dan wel onrechtmatige daad anderzijds (rov. 4.6).

Ten aanzien van de vorderingen van [eiseres 1] die zijn gebaseerd op het niet-nakomen door [verweerder] van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn functie als directeur van [eiseres 1], heeft het hof overwogen dat in afdeling 5 van hoofdstuk II van de EEX-Vo een bijzondere regeling van de rechterlijke bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is opgenomen, en dat deze regeling ertoe strekt de positie van de werknemer als zwakkere partij te beschermen. Tevens heeft het hof overwogen dat het begrip ‘arbeidsovereenkomst’ in art. 18 lid 1 EEX-Vo autonoom dient te worden uitgelegd. (rov. 4.4)

Vervolgens heeft het hof ten aanzien van de vorderingen van [eiseres 1] drie mogelijkheden onderzocht (rov. 4.5):

(i) Voor zover [eiseres 1] haar vorderingen baseert op onbehoorlijk bestuur, zonder daaraan een overeenkomst ten grondslag te leggen, biedt de EEX-Vo geen bijzonder forum, zodat in beginsel de hoofdregel van art. 2 lid 1 EEX-Vo geldt en [verweerder] slechts kan worden opgeroepen voor de Duitse rechter.

(ii) De rechtsverhouding tussen [eiseres 1] en [verweerder] moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 18 lid 1 EEX-Vo, gelet op de door [eiseres 1] en [verweerder] gesloten arbeidsovereenkomst en in aanmerking genomen dat [eiseres 1] geen feiten heeft gesteld die een andere conclusie rechtvaardigen.
Op grond van art. 20 lid 1 EEX-Vo kan een vordering van de werkgever slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft. Nu [verweerder] woonplaats in Duitsland heeft, komt aan de Nederlandse rechter ten aanzien van de door [eiseres 1] ingestelde vorderingen geen bevoegdheid toe.

(iii) Hetgeen hiervoor onder (ii) is vermeld, geldt ook voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. Het autonoom uit te leggen art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo bestrijkt elke rechtsvordering die beoogt de aansprakelijkheid van de verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van art. 5, aanhef en onder 1, EEX-Vo, met dien verstande dat de bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit arbeidsovereenkomst, die was opgenomen in art. 5 EEX-verdrag, in de EEX-Vo is geregeld in afdeling 5 van hoofdstuk II. De op onrechtmatige daad gebaseerde vordering houdt duidelijk verband met de vordering uit de individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst in de zin van art. 18 EEX-Vo en kan gelet op het voorgaande niet leiden tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter.

Ten aanzien van de door Ferho Bewehrungsstahl, Ferho Vechta en Ferho Frankfurt tegen [verweerder] ingestelde vorderingen uit overeenkomst en onrechtmatige daad heeft het hof geoordeeld dat de bijzondere bevoegdheidsregels van art. 5, aanhef en onder 1, en art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo niet tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter kunnen leiden (rov. 4.6).

3.4

[eiseres] c.s. komen in cassatie niet op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.6 dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid toekomt ten aanzien van de door Ferho Bewehrungsstahl, Ferho Vechta en Ferho Frankfurt tegen [verweerder] ingestelde vorderingen uit overeenkomst en onrechtmatige daad. Het cassatieberoep van [eiseres] c.s. betreft uitsluitend het oordeel van het hof in rov. 4.4 en 4.5 dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid toekomt ten aanzien van de vorderingen van [eiseres 1] die zijn gebaseerd op het niet-nakomen door [verweerder] van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn functie als directeur van [eiseres 1].

3.5.1

Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd dan wel dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, indien het ervan is uitgegaan dat [verweerder] louter op grond van een arbeidsovereenkomst bij [eiseres 1] werkzaam was. Zoals blijkt uit rov. 2.1 van het vonnis van de rechtbank, hebben [eiseres] c.s. gesteld dat [verweerder] vanaf 25 april 2001 directeur en van 20 juli 2001 tot 31 december 2006 bestuurder is geweest van [eiseres 1], en deze stelling is door [verweerder] in eerste aanleg en in hoger beroep niet bestreden, aldus de klacht. Onderdeel 1.2 klaagt over een onbegrijpelijke uitleg van de processtukken voor zover het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 1] haar vorderingen louter heeft gebaseerd op de tussen haar en [verweerder] gesloten arbeidsovereenkomst, en niet mede op schending door [verweerder] van de krachtens art. 2:9 BW op hem rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling.

3.5.2

De onderdelen missen feitelijke grondslag.
Uit hetgeen het hof in rov. 4.5 heeft overwogen, blijkt dat het hof niet heeft miskend dat [verweerder] bij [eiseres 1] werkzaam was zowel op basis van een tussen hem en [eiseres 1] gesloten arbeidsovereenkomst als in de hoedanigheid van bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van [eiseres 1]. Voorts blijkt uit rov. 4.5 dat het hof heeft onderkend dat [eiseres 1] haar vorderingen mede heeft gebaseerd op schending door [verweerder] van de krachtens art. 2:9 BW op hem rustende verplichting tot behoorlijke vervulling van zijn taak.

3.6

De onderdelen 2 en 3 klagen dat het hof in de hiervoor in 3.3.2 weergegeven rov. 4.4 en 4.5 heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechts- en motiveringsklachten bestrijden de uitleg en toepassing van de hier relevante bevoegdheidsbepalingen van de EEX-Vo, te weten art. 5, aanhef en onder 1 (a), art. 5, aanhef en onder 3, art. 18 lid 1 en art. 20 lid 1, mede in hun onderlinge samenhang.

3.7

Voor zover in cassatie van belang, kan de onderhavige zaak als volgt worden gekenschetst.

[eiseres 1] heeft [verweerder], die woonplaats in Duitsland heeft, gedagvaard voor de rechtbank Almelo en een verklaring voor recht alsmede betaling van schadevergoeding gevorderd. Volgens [eiseres 1] heeft [verweerder] ernstige fouten gemaakt bij de uitoefening van zijn functie bij haar, een in [plaats] gevestigde vennootschap.

In dit geval moet ervan worden uitgegaan dat [verweerder] niet alleen op grond van een tussen hem en [eiseres 1] gesloten arbeidsovereenkomst als directeur bij deze vennootschap in dienst was, maar dat hij ook als bestuurder (in vennootschapsrechtelijke zin) van [eiseres 1] was aangesteld.

[eiseres 1] stelt zich primair op het standpunt dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder van [eiseres 1] en uit dien hoofde op grond van art. 2:9 BW jegens haar aansprakelijk is. Voorts heeft [eiseres 1] zich beroepen op opzet dan wel bewuste roekeloosheid van [verweerder] bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met haar, een en ander als bedoeld in art. 7:661 BW. Subsidiair voert [eiseres 1] aan dat de ernstige fouten die [verweerder] heeft gemaakt bij de uitoefening van zijn functie bij [eiseres 1], meebrengen dat sprake is van onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens haar in de zin van art. 6:162 BW.

[verweerder] heeft zich beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank Almelo ingevolge de EEX-Vo.

3.8.1

De beoordeling van de hiervoor in 3.6 bedoelde klachten noopt in de eerste plaats tot beantwoording van de vraag naar de verhouding tussen de bevoegdheidsbepalingen van afdeling 5 van hoofdstuk II (art. 18-21) EEX-Vo enerzijds en de bevoegdheidsbepalingen die zijn neergelegd in art. 5, aanhef en onder 1 (a), en art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo anderzijds. Meer in het bijzonder rijst de vraag of afdeling 5 van hoofdstuk II EEX-Vo zich ertegen verzet dat art. 5, aanhef en onder 1 (a), dan wel art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo toepassing vindt in een geval als het onderhavige, waarin de verweerder niet alleen in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen door die vennootschap wordt aangesproken, maar ook afgezien van deze hoedanigheid door die vennootschap wordt aangesproken op grond van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en die vennootschap is gesloten.

3.8.2

Ter inleiding van deze vraag dient dat naar Nederlands recht onderscheid wordt gemaakt tussen de aansprakelijkheid van een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap (uit hoofde van schending van zijn vennootschapsrechtelijke verplichting tot behoorlijke taakvervulling krachtens art. 2:9 BW dan wel uit hoofde van onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW) en de afgezien van deze hoedanigheid op die persoon rustende aansprakelijkheid als werknemer van die vennootschap (uit hoofde van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:661 BW).

3.8.3

Op grond van punt 13 van de considerans van de EEX-Vo dient (onder meer) in het geval van een arbeidsovereenkomst de zwakke partij te worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels. Dit uitgangspunt pleit voor een uitleg van de EEX-Vo waarbij afdeling 5 van hoofdstuk II zich verzet tegen toepassing van art. 5, aanhef en onder 1 (a), dan wel art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, indien – of althans voor zover – de verweerder niet alleen in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen door die vennootschap wordt aangesproken, maar ook afgezien van deze hoedanigheid door die vennootschap wordt aangesproken op grond van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en die vennootschap is gesloten.

Steun voor deze uitleg kan voorts worden gevonden in HvJEU 22 mei 2008, zaak C-462/06 (Glaxosmithkline/Rouard), ECLI:NL:XX:2008:BD7181, Jur. 2008, p. I-3965, NJ 2009/393, waarin is beslist dat de bevoegdheidsregel van art. 6, aanhef en onder 1, EEX-Vo geen toepassing kan vinden in geschillen die vallen binnen het toepassingsgebied van afdeling 5 van hoofdstuk II EEX-Vo.

3.8.4

De hiervoor in 3.8.1 bedoelde vraag laat zich niet zonder redelijke twijfel beantwoorden, zodat de Hoge Raad deze vraag aan het HvJEU zal voorleggen.

3.9.1

Indien de hiervoor in 3.8.1 bedoelde vraag aldus moet worden beantwoord dat afdeling 5 van hoofdstuk II EEX-Vo zich niet ertegen verzet dat de rechter toepassing geeft aan art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo dan wel aan art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, rijst vervolgens de vraag of een van deze bevoegdheidsregels dan wel beide bevoegdheidsregels voor toepassing in aanmerking komt respectievelijk komen in een geval als het onderhavige, voor zover een vennootschap een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap aanspreekt op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen.

3.9.2

Voor toepassing van art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo pleit dat het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ autonoom moet worden uitgelegd en – blijkens HvJEU 2 maart 1983, zaak 34/82 (Peters/ZNAV), ECLI:NL:XX:1983:AC7911, Jur. 1983, p. 987, NJ 1983/644 – onder meer ziet op verbintenissen die hun grondslag hebben in de tussen een (privaatrechtelijke) vereniging en haar leden bestaande lidmaatschapsverhouding.
Dit biedt steun aan een uitleg waarbij ook de tussen een bestuurder en de door hem bestuurde vennootschap bestaande verbintenissen, in het bijzonder de op de bestuurder rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling, worden aangemerkt als ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in de zin van art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo.

3.9.3

Voor toepassing van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo pleit dat de vordering waarmee een vennootschap haar bestuurder aanspreekt op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel onrechtmatig handelen, niet wezenlijk verschilt van een vordering uit hoofde van delictuele aansprakelijkheid, hetgeen zou meebrengen dat de hieruit voortvloeiende verbintenissen worden aangemerkt als ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ als bedoeld in art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo.

3.9.4

Nu de hiervoor in 3.9.1 bedoelde vraag zich evenmin zonder redelijke twijfel laat beantwoorden, zal de Hoge Raad deze vraag eveneens aan het HvJEU voorleggen.

3.10.1

Indien in een geval als het onderhavige toepassing kan worden gegeven aan art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo, rijst ten slotte de vraag welke de plaats is ‘waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd’.
Bij toepassing van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, in een geval als het onderhavige rijst de vraag welke de plaats is ‘waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’.

3.10.2

Het ligt voor de hand om als ‘verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt’ in de zin van art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo aan te merken de op de bestuurder rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling, en om als plaats van uitvoering hiervan aan te merken de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in art. 60 lid 1, aanhef en onder b en c, EEX-Vo.

3.10.3

Voorts ligt voor de hand om als ‘het schadebrengende feit’ in de zin van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo aan te merken de gestelde onbehoorlijke taakvervulling dan wel het gestelde onrechtmatig handelen van de bestuurder, en om als plaats waar deze onbehoorlijke taakvervulling respectievelijk dit onrechtmatig handelen zich heeft voorgedaan aan te merken – overeenkomstig hetgeen hiervoor in 3.10.2 is overwogen – de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in art. 60 lid 1, aanhef en onder b en c, EEX-Vo.

3.10.4

De Hoge Raad zal ook deze vragen aan het HvJEU voorleggen.

4. Omschrijving van de feiten waarop de door het HvJEU te geven uitleg moet worden toegepast

De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor in 3.1 vermelde feiten, waarvan te dezen moet worden uitgegaan.

5 Vragen van uitleg

De vragen van uitleg van Unierecht waarvan de Hoge Raad, blijkens het hiervoor in 3.6-3.10 overwogene, beantwoording door het HvJEU nodig acht voor zijn beslissing op het cassatieberoep, zijn de volgende:

1. Moeten de bepalingen van afdeling 5 van hoofdstuk II (art. 18-21) van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de rechter toepassing geeft aan art. 5, aanhef en onder 1 (a), dan wel aan art. 5, aanhef en onder 3, van deze Verordening in een geval als het onderhavige, waarin de verweerder niet alleen in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap door die vennootschap wordt aangesproken op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen, maar ook afgezien van deze hoedanigheid door die vennootschap wordt aangesproken op grond van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en die vennootschap is gesloten?

2 ( a). Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt, moet dan het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ van art. 5, aanhef en onder 1 (a), van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een geval als het onderhavige, waarin een vennootschap een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap aanspreekt op grond van schending van de op hem rustende verplichting tot behoorlijke vervulling van zijn vennootschapsrechtelijke taak?

2 ( b). Indien het antwoord op vraag 2 (a) bevestigend luidt, moet dan het begrip ‘plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is of moet worden uitgevoerd’ van art. 5, aanhef en onder 1 (a), van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het ziet op de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in art. 60 lid 1, aanhef en onder b en c, van die Verordening?

3 ( a). Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt, moet dan het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ van art. 5, aanhef en onder 3, van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het mede ziet op een geval als het onderhavige, waarin een vennootschap een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap aanspreekt op grond van onbehoorlijke vervulling van zijn vennootschapsrechtelijke taak dan wel onrechtmatig handelen?

3 ( b). Indien het antwoord op vraag 3 (a) bevestigend luidt, moet dan het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ van art. 5, aanhef en onder 3, van Verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat het ziet op de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in art. 60 lid 1, aanhef en onder b en c, van die Verordening?

6 Beslissing

De Hoge Raad:

verzoekt het HvJEU met betrekking tot de hiervoor in 5 geformuleerde vragen uitspraak te doen;

houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding tot het HvJEU naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 januari 2014.