Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1639

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
14/01749
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:378, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Voorlopige machtiging. Motivering indien betrokkene niet bereid is zich te doen horen (HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128).

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2014/25 met annotatie van Red.
NJB 2014/1442
RvdW 2014/947
JWB 2014/300
NJ 2014/360

Uitspraak

11 juli 2014

Eerste Kamer

nr. 14/01749

RM/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET LIMBURG,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/186497/BZ RK 13/844 van de rechtbank Limburg van 2 januari 2014 en naar de herstelbeschikking van de rechtbank van 31 januari 2014.

De beschikking van de rechtbank van 2 januari 2014 is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank van 2 januari 2014 heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De officier van justitie heeft de rechtbank op 23 december 2013 verzocht op de voet van art. 2 Wet Bopz een voorlopige machtiging te verlenen tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

(ii) De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 2 januari 2014. Daarbij was betrokkene niet aanwezig. Wel aanwezig waren de advocaat van betrokkene, de behandelend psychiater en de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige.

3.2

De rechtbank heeft bij beschikking van 2 januari 2014 (verbeterd bij herstelbeschikking van 31 januari 2014) de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden. Uit het proces-verbaal van de zitting is af te leiden dat de rechter zich heeft begeven naar het huisadres van betrokkene. Het proces-verbaal houdt onder meer in dat betrokkene niet open deed “ondanks herhaaldelijk geklop en gebonk op zijn voordeur”. In de beschikking van 2 januari 2014 (zoals verbeterd bij de hiervoor genoemde herstelbeschikking) heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De rechtbank overwoog daartoe dat betrokkene, na een behoorlijke oproeping, niet is verschenen bij de mondelinge behandeling en dat de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige ter zitting heeft verklaard dat betrokkene op de hoogte was van de zitting.

3.3

Onderdeel III klaagt dat de rechtbank in strijd met art. 8 Wet Bopz de verzochte machtiging heeft verleend zonder dat betrokkene door de rechtbank is gehoord, althans dat onbegrijpelijk is hoe de rechtbank tot het oordeel heeft kunnen komen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.

3.4

Het onderdeel slaagt.

Ingevolge art. 8 Wet Bopz dient de rechter, alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen, degene ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, te horen, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter zijn oordeel dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, toereikend te motiveren (zie onder meer HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128).

De rechtbank heeft haar oordeel omtrent de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen, gegrond op de omstandigheden dat betrokkene behoorlijk was opgeroepen, dat hij thuis niet werd aangetroffen en dat de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige ter zitting heeft medegedeeld dat betrokkene op de hoogte was van de zitting. Dat laatste vindt geen steun in het proces-verbaal van de zitting, nu dit vermeldt dat de sociaal-psychiatrisch deskundige heeft medegedeeld dat betrokkene op de hoogte was van het verzoek. Ook afgezien hiervan, zijn de door de rechtbank vermelde omstandigheden onvoldoende voor het oordeel dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat de advocaat van betrokkene blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft verklaard dat hij meerdere malen tevergeefs heeft getracht contact te krijgen met betrokkene, zelfs nog op de dag voorafgaand aan de zitting.

Het hiervoor overwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 2 januari 2014;

verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 11 juli 2014.