Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1626

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
12/01083
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6889, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:702, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR ambtshalve: gedeeltelijke verjaring feit 7. HR verklaart de OvJ in zoverre alsnog n-o in de vervolging. Voor vermindering van de opgelegde gevangenisstraf bestaat echter onvoldoende grond, aangezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet worden aangetast door bedoelde partiële n-o verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0314
RvdW 2014/962

Uitspraak

8 juli 2014

Strafkamer

nr. 12/01083

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 februari 2012, nummer 23/004243-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 7 primair ten laste gelegde feit, voor zover dat zou zijn begaan in of omstreeks de periode van 22 juli 1999 tot en met 10 juni 2002, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Rechtbank in dit opzicht is vernietigd, tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging van dat feit voor zover deze betrekking heeft op deze periode, en tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van die straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 De bestreden uitspraak

Het Gerechtshof heeft de verdachte wegens 1, 3, 4, 5 en 8 "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd", 2 primair "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd", 6 "als oprichter, leider of bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 7 "het, anders dan als ambtenaar, optredend in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn werk heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

3 Beoordeling van het eerste middel en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 32 maanden.

5 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 24 tot en met 28 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 7 primair tenlastegelegde gedeeltelijk – te weten voor zover dit zou zijn begaan tot twaalf jaar vóór de uitspraakdatum van de Hoge Raad, derhalve tot 8 juli 2002 – is verjaard, dat de Officier van Justitie in zoverre alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, maar dat voor vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 32 maanden, onvoldoende grond bestaat, aangezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet worden aangetast door bedoelde partiële niet-ontvankelijkverklaring.

6 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak allereerst wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 7 primair tenlastegelegde, voor zover dit zou zijn begaan vóór 8 juli 2002;

verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 7 primair tenlastegelegde, voor zover dit zou zijn begaan vóór 8 juli 2002;

vernietigt de bestreden uitspraak voorts wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 28 maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2014.