Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1615

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
13/00807
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:345, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:697, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek. Het ttz. in h.b. door de raadsman gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor het doen ondervragen van getuige X is een verzoek in de zin van art. 331.1, jo. art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in h.b. van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast. De Hoge Raad herhaalt vervolgens toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:1496. De raadsman heeft zich op de (vijfde) ttz. in h.b. aangesloten bij het verzoek van de raadsman van medeverdachte om getuige X als getuige te horen en heeft in dat kader m.b.t. de identiteit van deze getuige aangevoerd ‘dat er nu concrete informatie is dat die ‘Boyke’ wel degelijk bestaat’, zonder deze stelling nader te onderbouwen. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof m.b.t. de afwijzing van het verzoek overwogen dat de raadsman niet heeft gemotiveerd dat en waarom de getuige van wie de oproeping wordt verzocht, de persoon zou zijn die door verdachte in zijn verhoren als ‘Boyke’ is aangeduid. De afwijzing van dat verzoek is,gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en het stadium waarin het verzoek is gedaan, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0306
RvdW 2014/989
NJB 2014/1516
NJ 2014/447

Uitspraak

8 juli 2014

Strafkamer

nr. 13/00807

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2013, nummer 23/002239-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt over 's Hofs afwijzing van het verzoek tot het horen van [betrokkene 1]als getuige.

3.2.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 29 maart 2010 tot en met 14 april 2010, (via de Westerschelde) in de provincie Zeeland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 282 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne

en dat

hij in de periode van 29 maart 2010 tot en met 19 april 2010, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne."

3.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2013 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat het hof tijdens de zitting van 13 november 2012 in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] een verzoek van de raadsman tot het oproepen voor verhoor van [betrokkene 1](bijnaam "Boyke") voorwaardelijk heeft toegewezen, namelijk dat nagegaan dient te worden dat de getuige daadwerkelijk op het in een brief van de raadsman van [medeverdachte] van 5 november 2012 vermelde adres [a-straat 1] te [woonplaats] (België), dan wel op een ander adres in België verblijft.

De raadsman van medeverdachte [medeverdachte], mr. Korvinus, deelt mede zijn eerder gedane verzoek [betrokkene 1]op te roepen voor verhoor te handhaven.

De raadsman van de verdachte deelt - zakelijk weergegeven - het volgende mede.

De verdediging heeft tijdens de regiezitting van 19 maart 2012 verzocht nader onderzoek te doen naar de persoon "Boyke". Het hof heeft dat verzoek destijds afgewezen, aangezien eerder onderzoek naar deze "Boyke" niets had opgeleverd en er ook geen aanknopingspunten voorhanden waren voor het doen van nader onderzoek. Er is nu concrete informatie dat die "Boyke" wel degelijk bestaat. Hij speelt in de zaak van de verdachte een zeer belangrijke rol, aangezien hij een verklaring kan afleggen omtrent het eerste traject van het cocaïnetransport tot aan de haven in Antwerpen. Bovendien stelt de verdachte dat hij door "Boyke" onder druk is gezet. Naar de mening van de verdediging is sprake van psychische overmacht. Het is noodzakelijk die "Boyke" hierover te bevragen en ik sluit mij dus aan bij het verzoek van mr. Korvinus.

(...)

De advocaat-generaal reageert op de verzoeken van de raadslieden en verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende.

Er is genoeg naspeuring gedaan naar de identiteit van die "Boyke". Eerder is vastgesteld dat deze persoon niet bestaat. De gegevens die zijn aangeleverd door de raadsman van [medeverdachte] zijn te ongespecificeerd om hierover anders te oordelen. Het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium, waarbij de stand van de procedure ook een rol mag spelen. Het verzoek dient te worden afgewezen. Het bestaan van die "Boyke" doet niets af aan de specifieke betrokkenheid van de verdachten bij het binnenhalen van de zending cocaïne.

(...)

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen en overwegingen van het hof mede dat:

- het verzoek tot het oproepen voor verhoor van de getuige [betrokkene 1] wordt afgewezen, aangezien het hof de noodzaak daartoe niet aanwezig acht. Het hof overweegt daartoe dat de raadsman niet heeft gemotiveerd dat en waarom de getuige van wie oproeping wordt verzocht, [betrokkene 1], de persoon zou zijn die door de verdachte in zijn verhoren als "Boyke" is aangeduid (...)"

3.4.

Het ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman overgenomen verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor het doen ondervragen van [betrokkene 1]is een verzoek in de zin van art. 331, eerste lid, in verbinding met art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast.

3.5.

Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over de motivering van de beslissing inzake een verzoek tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in:

"2.75. (...) In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. (...)

2.76.

Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) (...)

2.77.

Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen van waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet horen onderscheidenlijk doen oproepen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst."

3.6.

De raadsman heeft zich op de (vijfde) terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2013 slechts aangesloten bij het verzoek van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte] om [betrokkene 1]als getuige te horen en heeft in dat kader met betrekking tot de identiteit van deze getuige aangevoerd dat er "nu concrete informatie [is] dat die 'Boyke' wel degelijk bestaat", zonder deze stelling nader te onderbouwen. Blijkens zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof met betrekking tot de afwijzing van het verzoek overwogen dat de raadsman niet heeft gemotiveerd dat en waarom de getuige van wie de oproeping wordt verzocht, de persoon zou zijn die door de verdachte in zijn verhoren als 'Boyke' is aangeduid. De afwijzing van dat verzoek is, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen, mede gelet op het stadium waarin het verzoek is gedaan, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.7.

Het middel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2014.