Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1614

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
12/05457
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:3953, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:696, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende middelen over afstand aanwezigheidsrecht en afwijzing aanhoudingsverzoek. Het oordeel van het Hof, inhoudende dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, berust kennelijk op de enkele grond dat de voorzitter van de receptie van het Hof had vernomen dat verdachte “afstand heeft gedaan van zijn recht bij de tz. van heden aanwezig te zijn”. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dat oordeel niet begrijpelijk. Uit ’s Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding blijkt niet dat het Hof de in ECLI:NL:HR:1999:ZD1314 bedoelde afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl het ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Daarom is de afwijzing van het verzoek ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0312
RvdW 2014/968

Uitspraak

8 juli 2014

Strafkamer

nr. 12/05457

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 november 2012, nummer 23/005516-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

2.1.

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het tweede middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2012 houdt het volgende in:

"De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte]

geboren op: [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

adres: [a-straat 1], [woonplaats],

uit andere hoofde thans gedetineerd, in Huis van Bewaring De Weg te Amsterdam

is niet verschenen.

De voorzitter deelt mede dat de appèldagvaarding is uitgereikt aan het GBA-adres [a-straat 1] te [woonplaats] aan een persoon, die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de appèldagvaarding in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen.

De voorzitter deelt mede dat de verdachte thans uit anderen hoofde is gedetineerd, in het Huis van Bewaring De Weg te Amsterdam en dat hij van de receptie van het hof heeft vernomen dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht bij de terechtzitting van heden aanwezig te zijn.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R. Pothast, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.

De raadsman verzoekt om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Hij deelt mee dat de verdachte sinds lange tijd cliënt is van zijn kantoor, maar dat zijn kantoor hem uit het oog heeft verloren. Een kantoorgenoot heeft gisteren pas contact gehad met de verdachte en volgens de raadsman wist de verdachte tot dan niet van de zitting af. Volgens de verdachte lopen er meer zaken tegen hem. De raadsman geeft in overweging deze zaak daarbij te voegen.

De raadsman zou gaarne de verdachte eerst nader spreken over het ten laste gelegde en over de eventuele straftoemeting.

De voorzitter deelt hierop mede dat hij op een redelijke termijn op een maandag de zaak zou kunnen behandelen. De raadsman deelt hierop mee dat hij niet weet of de verdachte dan nog is gedetineerd. De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter zitting opdat de advocaat-generaal hieromtrent inlichtingen kan inwinnen op de parketadministratie.

Na hervatting van het onderzoek deelt de advocaat-generaal mee dat hij niet heeft kunnen nagaan hoelang de verdachte nog gedetineerd zal zijn. De raadsman deelt hierop nog mee dat hij verrast was toen hij bij de receptie vandaag vernam dat de verdachte afstand had gedaan. Hij vernam dat dus pas toen hij zich aanmeldde voor de zitting van heden.

De raadsman doet een verzoek tot aanhouding van de zaak in het belang van voorbereiding van de verdediging.

Voorts deelt de raadsman mede niet op de hoogte te zijn van de recente justitiële documentatie. Hierop overhandigt de voorzitter een recent uittreksel uit de Justitiële Documentatie.

De voorzitter wijst, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, het verzoek tot aanhouding af, nu de verdachte mr. R. Pothast, uitdrukkelijk heeft gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen en hij van zijn aanwezigheidsrecht afstand heeft gedaan."

2.2.2.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een brief van 28 november 2013 van de Griffier van het Hof aan de Hoge Raad, inhoudende:

"Op 13 november 2012 heeft het gerechtshof te Amsterdam arrest gewezen (TEGENSPRAAK) in de zaak van
– [verdachte] (parketnummer: 23-005516-11).

In deze zaak is in het proces-verbaal terechtzitting gerelateerd dat de voorzitter van de receptie had vernomen dat de verdachte afstand had gedaan van zijn recht bij de terechtzitting van 13 november 2012 aanwezig te zijn.

Bij de uitwerking bleek echter de afstandsverklaring niet in het dossier te zijn opgenomen. Helaas konden wij bij het Huis van Bewaring [D]e Weg ook geen gegevens meer opvragen van deze verdachte want het dossier was reeds vernietigd aldaar. Ook onze bodedienst had geen beschikking meer over stukken uit die periode. Een en ander met de voorzitter besproken en besloten tot het schrijven van deze brief."

2.3.

Het oordeel van het Hof, inhoudende dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, berust kennelijk op de enkele grond dat de voorzitter van de receptie van het Hof had vernomen dat de verdachte "afstand heeft gedaan van zijn recht bij de terechtzitting van heden aanwezig te zijn". Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dat oordeel niet begrijpelijk. Het eerste middel treft doel.

2.4.1.

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294).

2.4.2.

Uit 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl het ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Daarom is de afwijzing door het Hof van het verzoek ontoereikend gemotiveerd. Ook het tweede middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2014.