Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1610

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
13/02132
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:700, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Geen beslissing t.a.v. beslag, art. 353 Sv. HR: art. 80a RO.

De Hoge Raad is van oordeel dat deze klacht geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, aangezien hij binnen de in art. 552a.3 Sv gestelde termijn van drie maanden na de dag waarop de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, zich op de voet van art. 552a.1 Sv schriftelijk kan beklagen bij het Hof over het uitblijven van een last tot teruggave van de desbetreffende voorwerpen (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rov. 2.2.3, m.b.t. een verzuim als het onderhavige). Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0310
RvdW 2014/993
NJB 2014/1518

Uitspraak

8 juli 2014

Strafkamer

nr. 13/02132

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 maart 2013, nummer 22/001220-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover daarin niet een beslissing is opgenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, tot een beslissing tot teruggave van alle voorwerpen zoals deze zijn vermeld op de aan het arrest van het Hof van 18 juli 2008 gehechte lijst en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd op de voet van art. 353 Sv een beslissing te nemen ten aanzien van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

2.2.

De Hoge Raad is van oordeel dat deze klacht geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, aangezien hij binnen de in art. 552a, derde lid, Sv gestelde termijn van drie maanden na de dag waarop de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, zich op de voet van art. 552a, eerste lid, Sv schriftelijk kan beklagen bij het Hof over het uitblijven van een last tot teruggave van de desbetreffende voorwerpen (vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.2.3 met betrekking tot een verzuim als het onderhavige).

2.3.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2014.