Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1609

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
12/04180
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:693, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Mishandeling, art. 300 Sr. Slagende bewijsklacht opzet. Vooropgesteld moet worden dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier pijn - aanwezig is indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. De enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat verdachte zich van X, die hem had vastgepakt, heeft losgetrokken ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij daarvan pijn zou ondervinden. 2. Vernieling of beschadiging, art. 350 Sr. Slagende bewijsklacht opzet. Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde goederen “opzettelijk” heeft vernield of beschadigd niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0313
RvdW 2014/965

Uitspraak

8 juli 2014

Strafkamer

nr. 12/04180

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 augustus 2012, nummer 22/002986-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel behelst onder meer de klacht dat de bewezenverklaring onder 1 ten aanzien van het opzet onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 06 april 2010 te Leiden opzettelijk een persoon (te weten [betrokkene 1]), van zich heeft losgetrokken, waardoor [betrokkene 1] op de grond viel, waardoor deze pijn heeft ondervonden."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.3.

2.2.3.

Voorts heeft het Hof ter motivering van de verwerping van het verweer dat het losrukken van de verdachte geen mishandeling oplevert het volgende overwogen:

"Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. De verdachte is de woning van aangeefster [betrokkene 1] ingevlucht om zich te onttrekken aan zijn aanhouding. Wanneer de verdachte en [betrokkene 1] in het halletje bij de voordeur staan en de verdachte de woning via de voordeur wil verlaten, blijkt er een aantal personen voor de voordeur te staan. [betrokkene 1] pakt hierop de verdachte vast, waarop de verdachte zich losrukt en via de trap in het halletje naar de bovenverdieping loopt. Door het losrukken is [betrokkene 1] ten val gekomen ten gevolge waarvan zij pijn aan haar knie heeft ondervonden. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door aldus te handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de toen 68-jarige [betrokkene 1] zodanig uit balans zou brengen dat zij ten val zou komen. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen."

2.3.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier pijn - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

2.4.

De enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte zich van [betrokkene 1], die hem had vastgepakt, heeft losgetrokken ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij daarvan pijn zou ondervinden.

2.5.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring onder 4 ten aanzien van het opzet onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij op 06 april 2010 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk vitrages en behang en een stenen beeldje (engeltje) en een schemerlamp en een sprei en gordijnrails, toebehorende aan [betrokkene 2], heeft vernield of beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk

- die vitrages en behang en sprei te besmeuren met bloed en

- een stenen beeldje (engeltje) en schemerlamp kapot te gooien en

- de gordijnrails krom te trekken."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.3.

3.2.3.

Voorts heeft het Hof het volgende overwogen:

"Het hof gaat op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. Nadat de verdachte via de trap in het halletje naar de bovenverdieping van de woning van aangeefster [betrokkene 1] was gevlucht, is hij vanaf die bovenverdieping in de achtertuin van de [a-straat 1] gesprongen. Vervolgens is de verdachte via de schutting naar de achtertuin van de [a-straat 2] geklommen. Hier heeft hij zich vervolgens enige tijd verstopt, waarna hij op de schutting tussen de [a-straat 2] en [a-straat 3] is geklommen. Daar is hij enige tijd blijven staan, terwijl hij zich vasthield aan een regenpijp. Nadat verbalisanten hem meerdere keren hadden gesommeerd om naar beneden te komen, is de verdachte met een vuurwapen in zijn been geschoten. Eén van de verbalisanten is hierop over de schutting heen geklommen om de verdachte naar beneden te begeleiden. Nog voordat de verbalisant dit kon doen, is de verdachte via een aan de gevel bevestigd zonnescherm een slaapkamer op de eerste verdieping van de [a-straat 3] binnengeklommen. Eenmaal binnen deed hij volgens getuige [getuige] het raam en de gordijnen dicht. In de slaapkamer heeft hij vervolgens een aantal goederen vernield of beschadigd.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de bovenstaande feiten en omstandigheden dat de verdachte zich willens en wetens aan de aanmerkelijke kans blootgesteld dat hij in de slaapkamer goederen zou vernielen en is hij door zijn eigen handelen in de situatie is geraakt waarin hij meende geen andere keuze te hebben dan de slaapkamer aan de [a-straat 3] binnen te klimmen. Derhalve heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op de vernieling en komt hem geen beroep op overmacht toe. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman."

3.3.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde goederen "opzettelijk" heeft vernield of beschadigd niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4.

Het middel slaagt.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het eerste middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2014.