Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1597

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
14/00345
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:659, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 28.4 WOTS. Afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de vordering voor het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België. Maatstaf bij een verzoek a.b.i. art. 328 jo 331 Sv om gebruik te maken van de in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid, welke bepalingen hier krachtens art. 28, vierde lid, WOTS van overeenkomstige toepassing zijn, is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken. In het oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat zij het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België niet noodzakelijk achtte. De Rechtbank heeft dus de juiste maatstaf gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/940
NJB 2014/1451

Uitspraak

1 juli 2014

Strafkamer

nr. 14/00345 W

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 20 december 2013, nummer RK 13/6830, omtrent een verzoek van het Koninkrijk België tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen:

[veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de door de Rechtbank gehanteerde maatstaf bij de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de vordering voor het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België.

2.2.

De Rechtbank heeft in het kader van de overname van de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen aan de veroordeelde opgelegde vrijheidsstraf, een gevangenisstraf van dertig maanden opgelegd. In haar uitspraak heeft de Rechtbank het in het middel bedoelde verzoek als volgt samengevat en afgewezen:

"De raadsman van de veroordeelde heeft verzocht de behandeling van de vordering aan te houden, teneinde nadere informatie in te winnen bij de Belgische autoriteiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

(...)

Het Belgische recht kent twee systemen inzake de vervroegde invrijheidstelling: de voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling. Bij vrijheidsstraffen tot en met drie jaar beslist de gevangenisdirecteur over voorlopige invrijheidstelling. In de regel wordt een veroordeelde voorlopig in vrijheid gesteld nadat hij één derde van de vrijheidsstraf heeft ondergaan. Bij een voorlopige invrijheidstelling worden minder eisen gesteld dan bij een voorwaardelijke invrijheidstelling. De Belgische autoriteiten dienen het verschil tussen beide mogelijkheden op te helderen. Gevraagd moet worden wanneer en onder welke omstandigheden een veroordeelde in het algemeen en deze veroordeelde in het bijzonder in aanmerking komt voor voorlopige invrijheidstelling. De mededeling in het verzoek dat veroordeelde pas na 2/3e van zijn straf in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling is onvoldoende.

(...)

In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de mogelijkheden van vervroegde invrijheidstelling naar Belgisch recht ziet de rechtbank evenmin aanleiding tot aanhouding van de behandeling van de vordering. Het verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging houdt op dit punt het volgende in:

In België zou [betrokkene], gelet op de veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie, na 2/3e van zijn straf in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat de rechtbank aanneemt dat deze, op het concrete geval van de veroordeelde toegespitste, mededeling juist is en gebaseerd is op een correcte toepassing van het Belgische recht. Daaruit volgt dat de veroordeelde naar het oordeel van de Belgische autoriteiten klaarblijkelijk niet in aanmerking zou komen voor een voorlopige invrijheidstelling na 1/3e van de straf. Het algemene betoog van de raadsman, dat erop neer komt dat het Belgische recht naast de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling ook de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling kent, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel.

De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de vordering dan ook af."

2.3.

Het door de raadsman gedane verzoek is een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 in verbinding met 331 Sv om gebruik te maken van de in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid, welke bepalingen hier krachtens art. 28, vierde lid, WOTS van overeenkomstige toepassing zijn. Maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken.

2.4.

In de overweging van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat zij het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België niet noodzakelijk achtte. De Rechtbank heeft dus de juiste maatstaf gehanteerd.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014.