Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1595

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
13/06131
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2287, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:657
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Falende bewijsklacht pleegperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/937

Uitspraak

1 juli 2014

Strafkamer

nr. 13/03161

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 februari 2013, nummer 22/004816-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verbeterde lezing van de bewezenverklaring van feit 3, verlaging van de opgelegde straf in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, vermindering van de duur van de proeftijd tot twee jaren en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het derde middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring onder 3 ten aanzien van de pleegperiode ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij, in de periode van 24 mei 2010 tot en met 10 februari 2011 te Spijkenisse, meermalen, althans eenmaal, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2006), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het:

- uitkleden van [slachtoffer] en

- zich laten kietelen door [slachtoffer] en

- laten wrijven over zijn, verdachtes, billen en penis, door [slachtoffer] en

- wrijven over de vagina en billen van [slachtoffer]."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

"23. Een proces-verbaal onderzoek in beslag genomen goed met bijlage betreffende Meisje 3 d.d. 10 februari 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 234/2010 1102091330.OIG. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 101 t/m 107):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

(...)

Ik verbalisant zag dat een grote hoeveelheid privé en of familieafbeeldingen vervaardigd waren van (...). Ik zag dat in deze fotoverzameling een aantal foto's voorkwam van een meisje in de leeftijd van ongeveer 4 jaar oud met blond lang haar. Het meisje heeft een blanke huidskleur en een slank postuur. Het meisje wordt in dit proces-verbaal 'meisje 3' genoemd. Ik zag dat de opnames van meisje 3, zijn gemaakt op een speelveld. De opnames van meisje 3 zijn vermoedelijk gemaakt op 24 mei 2010. (...)

30. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2011 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17K0 2010365377-62. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 146 t/m 147):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

(...)

Meisje 3 is [slachtoffer], geboren [geboortedatum]/2006 te [geboorteplaats]."

2.3.

Blijkens de hiervoor weergegeven gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte vermoedelijk op 24 mei 2010 de in het relaas van de opsporingsambtenaar bedoelde opnames heeft gemaakt van [slachtoffer]. Gelet daarop is het oordeel van het Hof dat de tenlastegelegde ontucht is gepleegd in de bewezenverklaarde periode met als aanvangsdatum 24 mei 2010 ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

2.4.

De klacht faalt.

3 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het vierde middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

5 Slotsom

Nu niet wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld wat betreft de naleving van de gestelde bijzondere voorwaarde, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014.