Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1568

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
13/00692
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:628, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:CA0471, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek en afwijzing verzoek toevoegen rechtshulpverzoeken aan processtukken. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:1496 omtrent de beoordeling van cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen. Maatstaf bij de beslissing op een verzoek als onderhavige is of de noodzaak daarvan is gebleken. De afwijzing door het Hof van de verzoeken, waarbij het de juiste maatstaf heeft toegepast, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De HR heeft daarbij in aanmerking genomen hetgeen de verdediging ter motivering aan de verzoeken ten grondslag heeft gelegd alsmede hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de onaannemelijkheid van de stelling van de verdediging dat sprake zou kunnen zijn van uit legale activiteiten verkregen inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0289
RvdW 2014/908
NJ 2014/444

Uitspraak

1 juli 2014

Strafkamer

nr. 13/00692

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 4 februari 2013, nummer 21/000527-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen betreft ter zake van feit 1 en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de door de verdediging voorwaardelijk gedane verzoeken om een aantal getuigen te (doen) horen en om een drietal rechtshulpverzoeken aan de processtukken toe te voegen op ontoereikende gronden heeft afgewezen.

2.2.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 14 mei 2004 tot en met 11 februari 2005 te Zwartebroek en Noordwijk en Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander telkens van een voorwerp, te weten een grote hoeveelheid geld (met een totale waarde van ongeveer 192.334,83 euro en 184.400,-- euro),

- de werkelijke aard en herkomst verborgen en verhuld van bovengenoemde geldbedrag(en) (met een totale waarde van ongeveer 192.334,83 euro en/of 184.400,-- euro), en bovengenoemde geldbedragen voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen

en

- overgedragen en omgezet, terwijl verdachte en zijn mededader ten tijde van het overdragen en omzetten van bovengenoemde geldbedragen, (met een totale waarde van ongeveer 192.334,83 euro en 184.400,-- euro), wisten dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf."

2.3.1.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2013 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt omtrent de in het middel bedoelde verzoeken het volgende in:

"Voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek en het horen van getuigen, voor het geval uw gerechtshof niet komt tot een integrale vrijspraak van het witwassen.

Mocht uw gerechtshof niet tot een integrale vrijspraak komen van het tenlastegelegde witwassen, dan heeft [verdachte] een aantal verzoeken welke tot doel hebben zoveel mogelijk opheldering te krijgen over de omstandigheden waaronder de verkoop van auto heeft plaatsgevonden, welke verkoop uiteindelijk heeft geleid tot de twee aan [verdachte] tenlastegelegde geldoverboekingen. De omstandigheden waaronder de verkoop van de auto heeft plaatsgevonden zijn van belang voor zowel voor de vraag of sprake is van een illegale herkomst van de twee geldbedragen, als wel voor de vraag of sprake is van omstandigheden welke maken dat niet zou mogen worden aangenomen dat vermenging van legaal en illegaal vermogen heeft plaatsgevonden en derhalve niet kan worden bewezen dat daarom sprake is van witwassen.

Inleiding

Uit de drie rechtshulpverzoeken aan Libanon blijkt het navolgende met betrekking tot de twee geldoverboekingen van [A] S.A.L. aan [B] GMBH. De twee overboekingen van [A] naar [B] waren gefinancierd uit de opbrengst van de verkoop van een klassieke raceauto. De verkoper was [C] AG uit Liechtenstein, met [betrokkene 3] als directeur. [C] AG heeft zich laten vertegenwoordigen door [betrokkene 4]. De koper was [betrokkene 5], die zich liet vertegenwoordigen door het Amerikaanse advocatenkantoor Bowman and Brooke. [A] heeft bij de transactie opgetreden als bemiddelaar en heeft op verzoek van [C] de beide geldbedragen overgemaakt aan [B]. Naar aanleiding van de uitvoeringsstukken van de Libanese rechtshulpverzoeken zijn rechtshulpverzoeken gedaan aan de Liechtensteinse, Zwitserse en Amerikaanse autoriteiten (p. 21, pvb van relaas). Deze laatste rechtshulpverzoeken zijn ingetrokken na het overlijden van [medeverdachte 7].

Verzoeken

Allereerst wordt gevraagd om toevoeging aan de processtukken van de drie ingetrokken rechtshulpverzoeken, teneinde te kunnen vernemen welke nadere informatie het OM blijkbaar relevant vond voor het strafrechtelijk onderzoek.

De verdediging verzoekt als getuige te mogen horen de navolgende personen:

1. [betrokkene 6], geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats], Zwitserland, kantooradres [kantooradres]. Tweede adres: [adres].

2. [betrokkene 3], bestuurder van [C] AD, gevestigd en kantoorhoudende [vestigingsplaats] in Liechtenstein. Het privéadres van de getuige is [adres] in Liechtenstein.

3. [betrokkene 5], wonende [woonplaats] in Japan.

4. [betrokkene 4], wonende [woonplaats] in Duitsland, tel nr +[001]

De verdediging wenst alle getuigen te horen over de gang van zaken met betrekking tot de verkoop van de bewuste klassieke raceauto. Meer in het bijzonder wens ik van de getuigen te vernemen of [medeverdachte 7] hierbij op enigerlei wijze betrokken is geweest. Nu de getuige [betrokkene 6] herhaaldelijk heeft verklaard dat hij in opdracht van [C] AG de twee geldoverboekingen heeft gedaan van [A] naar [B], wenst de verdediging de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] te vragen waarom deze opdracht is gegeven (Commissie? sponsorbijdrage? lening? etc. etc.) en door wie.

In eerste aanleg heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging om [medeverdachte 7] als getuige te horen gehonoreerd. Voordat de verdediging van zijn ondervragingsrecht heeft kunnen gebruikmaken is [medeverdachte 7] overleden. Nu de verdenking tegen [verdachte] is dat hij witwashandelingen zou hebben verricht met betrekking tot van [medeverdachte 7] afkomstige geldbedragen, is de conclusie gerechtvaardigd dat [medeverdachte 7] voor de verdediging van [verdachte] de meest belangrijke getuige was. Het horen van de thans verzochte getuigen moet dan ook mede gezien worden als compensatie voor het niet hebben kunnen ondervragen van [medeverdachte 7].

Tot slot doet de verdediging een beroep op het principe van "equality of arms" dat onderdeel uitmaakt van het in art 6 EVRM vastgelegde recht op een eerlijk proces. Dit beginsel houdt in dat een verdachte dezelfde mogelijkheden moet hebben als de vervolgende instantie wat betreft de mogelijkheid gegevens naar voren te brengen en het door de vervolgende instantie gepresenteerde materiaal te betwisten. Het openbaar ministerie heeft middels drie rechtshulpverzoeken onderzoek kunnen doen naar de herkomst van de twee geldbedragen. De verdediging wenst middels de hiervoor gedane verzoeken eigen gegevens naar voren te brengen en de gegevens van het openbaar ministerie te kunnen betwisten. Indien de verdediging daartoe niet in de gelegenheid wordt gesteld wordt daarmee het recht van [verdachte] op een eerlijk proces in ernstige mate geschonden.

Nogmaals, de verdediging doet de hiervoor genoemde verzoeken alleen in het geval uw hof niet komt tot een integrale vrijspraak van het witwassen (feit 1)."

2.3.2.

Het Hof heeft deze verzoeken afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

"Door de verdediging is verzocht om toevoeging aan de processtukken van drie rechtshulpverzoeken.

Het hof wijst dit verzoek af, omdat het zulks niet noodzakelijk acht. Het hof acht aannemelijk dat de rechtshulpverzoeken zijn gedaan ten behoeve van het onderzoek in de zaak tegen verdachte [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7]) en dat zij zijn ingetrokken nadat en omdat deze in januari 2011 was overleden. De door de verdediging genoemde grond - dat zij wenst te vernemen welke nadere informatie het Openbaar Ministerie blijkbaar relevant vond voor het strafrechtelijk onderzoek - maakt de inhoud van de betreffende stukken zelf niet relevant voor de beoordeling van de vragen van artikel 348 en 350 Wetboek van Strafvordering. Voor zover het verzoek op dezelfde grond berust als het hierna besproken verzoek om een aantal personen als getuigen te horen, wijst het hof het verzoek af op de gronden waarop dat verzoek wordt afgewezen.

Door de verdediging is verzocht om het horen van een viertal getuigen. Deze zouden in verband met de vraag of sprake is van een illegale herkomst van de geldbedragen kunnen verklaren over de (eventuele of mogelijke) betrokkenheid van [medeverdachte 7] bij de verkoop van de klassieke raceauto, uit de opbrengst waarvan de twee geldoverboekingen zijn gedaan van [A] aan [B], het bedrijf van verdachte. De verdediging stelt dat het bijvoorbeeld om commissieloon zou kunnen gaan. Het hof acht het horen van de genoemde personen als getuigen niet noodzakelijk, omdat er op grond van de volgende feiten en omstandigheden geen begin van aannemelijkheid bestaat voor de stelling dat er sprake zou zijn van inkomsten van [medeverdachte 7] uit door de raadsman bedoelde legitieme activiteiten.

- Het geld was van [medeverdachte 7] afkomstig. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg onder meer verklaard: "Die bedragen waren meer dan ik aanvankelijk met [medeverdachte 7]. had afgesproken. Ik wist wel dat het geld wat uit Libanon kwam van [medeverdachte 7]. afkomstig was. Hij vertelde mij namelijk dat hij het geld door [A] zou laten overmaken en hij vroeg mij dat geld door te boeken". En: "Het was het geld van [medeverdachte 7] en hij vroeg mij die betalingen voor hem te doen. Ik had er al in toegestemd dat te doen maar ik voelde mij er niet wel bij. Toen het geld via [A] op de rekening van [B] kwam heeft [medeverdachte 7] gedicteerd waar het geld naar toe moest. Op een briefje gaf hij aan waar hoeveel geld naartoe overgeboekt moest worden. Ook gaf hij mij aan welke bedragen hij contant wilde ontvangen".

- Naar het hof uit de bewijsmiddelen afleidt, beschikte [medeverdachte 7] niet over reguliere, legale inkomsten (van enige omvang), maar wel over inkomsten uit hasj- en hennephandel.

- [medeverdachte 7] is enkele malen veroordeeld in verband met hennep- en hasjhandel, het meest recent in 2001. [medeverdachte 7] had daaruit nog een schuld van meerdere miljoenen euro's aan de Nederlandse staat.

- De grote omvang van de bedragen en de wijze waarop het geld van [medeverdachte 7] werd ontvangen en - na ontvangst - werd teruggesluisd sluiten uit dat er sprake zou zijn van een legale bron.

Dat degene van wie het geld (afkomstig) was [medeverdachte 7] was, werd aan het zicht onttrokken door de constructie via [A], een Libanees bedrijf, en [B], het bedrijf van verdachte. Op geen enkele wijze is gebleken van een rechtsgrond voor de storting van de bedragen. [B] had bij de verkoop van de klassieke Mercedes geen betrokkenheid. De namen van de personen die de verdediging als getuigen wenst te horen behoren bij dit onderdeel van het traject. In de aan het dossier toegevoegde stukken naar aanleiding van de uitgegane rechtshulpverzoeken (het rechtshulpverzoek van 28 april 2009, kenmerk 10/600002-07, Luris nummer KLR-U-2009 022622, het (aanvullend) rechtshulpverzoek van 13 oktober 2009, kenmerk 10/600002-07, Luris nummer KLR-U-2009052463 en het (aanvullend) rechtshulpverzoek van 25 november 2011, kenmerk 10/600002-07, Luris nummer KLR-U-2010 063701) over de achtergrond van de overboekingen door [A] komt de naam [medeverdachte 7] ook in het geheel niet voor.

Na ontvangst van de geldbedragen door verdachtes bedrijf [B] werd een deel daarvan door verdachte aan [medeverdachte 7] in de contante bedragen van aanzienlijke omvang uitgekeerd. Dit geschiedde in een auto op een parkeerplaats bij een restaurant of een autodealer, zoals verdachte zelf heeft verklaard.

Een en ander wordt niet anders als gevolg van de omstandigheid dat [medeverdachte 7] niet meer als getuige gehoord kan worden. Evenmin leidt het beroep op het beginsel van equality of arms tot een ander resultaat."

2.4.

De door de raadsman voorwaardelijk gedane verzoeken tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor het (doen) horen van de getuigen [betrokkene 6], [betrokkene 3], [betrokkene 5] en [betrokkene 3] alsmede het verzoek tot toevoeging van de rechtshulpverzoeken aan de processtukken zijn verzoeken in de zin van art. 331, eerste lid, in verbinding met art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken.

2.5.

Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in.

"2.73. In de cassatieprocedure gaat het niet meer om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. In cassatie kan door de verdediging daarom alleen worden geklaagd over (a) de beslissing van het hof tot het niet horen van een ter terechtzitting verschenen getuige en (b) de afwijzing door het hof van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot het oproepen van een aldaar niet verschenen getuige. Voorts kan worden geklaagd over het verzuim van het hof op zo een verzoek te beslissen. Over beslissingen of verzuimen van het openbaar ministerie dan wel de rechter in eerste aanleg kan door de verdediging in cassatie dus niet worden geklaagd.

2.74.

Wat betreft de onder (a) en (b) genoemde beslissingen kan in cassatie niet over de juistheid ervan worden geklaagd. De Hoge Raad kan immers niet beoordelen of het hof een getuige terecht niet heeft opgeroepen of gehoord. Wel kan in cassatie worden geklaagd over de maatstaf die het hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van de beslissing.

2.75.

In dit verband moet worden gewezen op het in 2012 in werking getreden art. 80a RO en de betekenis van deze bepaling voor de reikwijdte van het onderzoek in cassatie ten aanzien van de hiervoor bedoelde beslissingen. In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. Zo mag in het geval dat de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld, van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van getuigen. Voorts levert de enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, niet zonder meer voldoende - rechtens te respecteren - belang op bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.

2.76.

Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen - al dan niet op vordering van de advocaat-generaal - (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting.

2.77.

Met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, zal die toetsing zich daarom, meer dan vroeger het geval was, concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst."

2.6.

Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de afwijzing door het Hof van voormelde verzoeken, waarbij het de juiste maatstaf heeft toegepast, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad heeft daarbij in aanmerking genomen hetgeen de verdediging ter motivering aan de verzoeken ten grondslag heeft gelegd alsmede hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de onaannemelijkheid van de stelling van de verdediging dat sprake zou kunnen zijn van uit legale activiteiten verkregen inkomsten van [medeverdachte 7].

2.7.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014.