Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1564

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
12/05853
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:624, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belediging, art. 266 Sr. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671. ’s Hofs kennelijke oordeel dat het aanspreken van de politieagent met het woord ‘pikkie’ de strekking had deze politieagent in zijn eer en goede naam aan te tasten, geeft in het licht van de omstandigheden waaronder die uitlating is gedaan, zoals daarvan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Dat oordeel behoeft ook in het licht van hetgeen verdachte t.tz. in h.b. heeft aangevoerd geen nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0294
RvdW 2014/917

Uitspraak

1 juli 2014

Strafkamer

nr. 12/05853

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 5 december 2012, nummer 24/001675-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel keert zich tegen 's Hofs oordeel dat het toevoegen aan een ambtenaar in functie van het in de bewezenverklaring voorkomende woord 'pikkie' als belediging in de zin van art. 266 Sr kan worden aangemerkt.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 17 mei 2010 in de gemeente Almere opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], werkzaam als hoofdagent bij de politie Flevoland, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden 'Pikkie'."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 21 november 2012, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik heb op 17 mei 2010 'pikkie' tegen agent [verbalisant 1] gezegd. Ik heb twee of drie keer 'pikkie' tegen hem gezegd. Het klopt dat de agent aangaf niet met 'pikkie' aangesproken te willen worden.

(...)

3. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 17 mei 2010 (proces-verbaalnummer PL2541 2010035299-2), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verbalisanten:

Wij, verbalisanten, [verbalisant 1], hoofdagent, Basiseenheid Almere Haven en [verbalisant 2], agent, Basiseenheid Almere Oost, verklaren het volgende:

Op 17 mei 2010, omstreeks 6.10 uur waren wij belast met de melding van een man en een vrouw, welke ruzie zouden hebben in het Flevoziekenhuis, gelegen aan de Hospitaaldreef 1 te Almere. Bij aankomst zagen wij de man, naar later bleek verdachte [verdachte]. Ik, verbalisant [verbalisant 1], sprak [verdachte] aan. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde [verdachte] zeggen: 'Luister pikkie, ik wil naar buiten om te roken.' Terwijl [verdachte] dit riep liep er divers ziekenhuispersoneel langs. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag aan de reacties dat deze mensen hoorden dat de man mij 'pikkie' noemde. Ik, verbalisant [verbalisant 1], sprak [verdachte] op zijn taalgebruik aan en zei dat ik niet wenste te worden aangesproken met 'pikkie'. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat [verdachte] mij wederom 'pikkie' noemde. Hij noemde mij ten overstaan van het ziekenhuispersoneel: 'pikkie'. Ik, verbalisant [verbalisant 1], voelde mij in mijn hoedanigheid als politieambtenaar, beledigd en gekleineerd."

2.2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Ik heb op 17 mei 2010 "pikkie" tegen agent [verbalisant 1] gezegd. Dit is niet beledigend. Dit is een afkorting van het woord "maatje" of iets in die trant. Blijkbaar was die agent van mening dat ik hem wilde intimideren. Ik was erg emotioneel op dat moment. Ik zei tegen de agent dat het niet negatief bedoeld was en dat hij het niet verkeerd op moest vatten. Ik heb twee of drie keer "pikkie" tegen hem gezegd. Het klopt dat de agent aangaf niet met "pikkie" aangesproken te willen worden. Ik heb hem uitgelegd waarom ik dit tegen hem zei. Ik zei het nog een keer om hem uit te leggen hoe ik het bedoelde. Ik kan zijn kant van het verhaal wel begrijpen, maar ik vind dat er erg zwaar aan wordt getild. Ik heb meegemaakt dat er ergere dingen werden gezegd en dan greep de politie niet in. De agent had duidelijker moeten zeggen dat hij het anders opvatte. Ik moest door de manier waarop hij dit bracht in de verdediging gaan."

2.3.

De bewezenverklaring houdt in dat het gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan. In een dergelijk geval moet een uitlating als beledigend worden beschouwd indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671).

2.4.

Het kennelijke oordeel van het Hof dat het aanspreken van de politieagent met het woord 'pikkie' de strekking had deze politieagent in zijn eer en goede naam aan te tasten, geeft in het licht van de omstandigheden waaronder die uitlating is gedaan, zoals daarvan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Dat oordeel behoeft ook in het licht van hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, geen nadere motivering.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014.