Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1560

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
13/03578
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:621
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:4617, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad (vervolg op tussenarrest ECLI:NL:HR:2014:1021). HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156. Het Hof heeft zijn oordeel, gelet op hetgeen is vooropgesteld m.b.t. mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed, nadat hij was buitengesloten, “gedurende de bevestiging van de vlinderbom en het gesprek met aangever” (“langer dan een aantal seconden”).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0291
NBSTRAF 2014/282
RvdW 2014/901
NJB 2014/1443
NJ 2014/394

Uitspraak

1 juli 2014

Strafkamer

nr. 13/03578

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 27 juni 2013, nummer 21/003239-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1021, geoordeeld dat het tweede middel niet tot cassatie kan leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over het derde middel.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Bewezenverklaring, bewijsvoering en pleidooi

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 3 december 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vlinderbom, in elk geval een (geïmproviseerd) explosief (voorzien van een of meer metalen kogels) heeft bevestigd op of aan de voordeur van een woning aan de [a-straat 1](waarachter dan wel in de onmiddellijke nabijheid waarvan [slachtoffer] stond) en tot ontploffing heeft gebracht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

"1.

De verklaring van verdachte als afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 15 juni 2013 onder meer inhoudende:

Ik ben op 2 en 3 december 2011 in Amersfoort geweest.

Ik ben met de trein vanuit Purmerend naar Amersfoort gegaan.

(...)

8.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voornoemd, in het door hen op 13 december 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van het horen van [slachtoffer] op 13 december 2011, dossierpagina's 650 tot en met 652, onder meer inhoudende:

V: Vraag

A: Antwoord

V: Vertel ons eens alles wat er is gebeurd?

A: Nou, ik weet dat ik rond een uur of acht heb geinternet. Ik heb op die gayclub.nl gechat. Ik weet dat ik op een gegeven moment een date had en dat het de bedoeling was dat hij naar mij toe zou komen. Op een gegeven moment vond ik het lang duren, dus heb ik hem opgebeld. Ik weet niet meer hoe hij heette. Later werd ik gebeld omdat hij in de buurt van de flat was. Ik heb hem toen mijn nummer gegeven en hem de weg uitgelegd. Na een kwartier was hij er ongeveer. De buurvrouw heb ik toen nog gezien, die hond aan het uitlaten was.

Hij belde aan, toen heb ik gevraagd of hij zijn schoenen wilde uit doen. Dit omdat ik een nieuw kleed had in de woonkamer. Hij draaide zich toen om, en toen kreeg ik meteen een mes op mijn keel. Toen moest ik naar binnen, hij duwde mij naar binnen. Ik heb toen geprobeerd los te komen. Ik heb toen nog gezegd: Nee dat doen we niet. Ik heb mij toen nog verzet. Hij heeft toen mijn armen op de rug gedaan, zodat ik voorover moest buigen. Ik had toen het idee dat het fout was. Ik had toen zoiets van nu moet ik rustig doen. Ik moest toen naar de bank lopen, dit met mijn armen op mijn rug. Ik moest toen op mijn buik, languit met mijn gezicht in de kussens. Ik voelde de kussens, toen duwde hij iets onder mijn neus. Hij zei toen, weet je wat dit is. Ik heb toen gezegd dat ik het niet wist. Ik heb toen ook nog gezegd dat ik niks rook. Ik weet niet meer zeker wat hij toen heeft gezegd. Hij had wel iets waar hij mee dreigde, en hij gaf aan dat ik stil moest zijn. Ook heb ik een mes op mijn keel gekregen. Ik heb mij toen rustig gehouden. De geur van dat ding was van karton.

Hij heeft toen mijn armen vastgemaakt. Ik voelde dat het iets van een snoer was, deze heeft hij heel erg strak gedaan. Ik heb toen op een gegeven moment gezegd dat het pijn begon te doen. Ook heb ik gezegd dat ik geen lucht meer kon krijgen. Ik had toen een doek over mijn hoofd. Ik mocht toen gaan zitten. Ik zag toen dat hij mijn voeten had vast gebonden met een kerstlampjessnoer.

Hij is toen een poosje weg geweest. Ik hoorde hem toen nog wel, ik hoorde dat hij bij mijn tafel bezig was. Ik hoorde iets van een tas ritselen, tenminste zo klonk het.

Ik weet dat ik mij op een gegeven moment probeerde los te maken. Ik deed alsof ik niet los kwam. Hij kwam er toen achter dat ik losser was. Ik had toen het idee dat hij kwaad was, ik voelde toen het mes. Ik voelde niet alleen de punt, maar ook de lengte. Ik voelde hem toen bij mijn hals. Wat ik mij nog meer kan herinneren. Toen ik op de bank zat, vroeg hij naar een pasje van de bank.

Ik had ook het idee dat hij mijn sleutels heeft gepakt, ik hoorde namelijk dat geluid.

De tas was zwart. In deze tas zit ook mijn NS kaart, het pasje van het ziekenhuis.

Op een gegeven moment moest ik met hem mee naar boven. Hij wilde dat ik mee ging. Ik moest toen gaan liggen op mijn zij op de matras in het kleine kamertje. Ik kan mij herinneren dat hij vlakbij mij was en dat ik hem toen iets hoorde openen. Ik denk dat dit het kastje was waarin ik seks spelletjes heb liggen. Onder andere een buttplug, condooms en glijmiddel. Dat heb ik daar altijd liggen.

Toen ik op mijn zij lag, merkte ik dat er iets om mijn nek werd gedaan. Hier werd aan getrokken. Ik wist niet wat dat was. Ik voelde ook iets bij mijn handen. Ik werd naar voren of naar achteren getrokken.

Ik heb toen gezegd, dat als ik moest pinnen dat ik met hem mee wilde om geld te pinnen. Ik moest mij dan nog wel aankleden. Ik heb toen gevraagd hoe hij het wilde gaan doen. Want ik had namelijk iets voor mijn hoofd.

Hij heeft mij toen voorzichtig naar beneden gedaan. Ik kan mij dan herinneren dat wij in het halletje zijn. Op een gegeven moment voelde ik de buitenlucht. Ik vond dat raar, want toen dacht ik nu ben jij buiten en ik binnen. Ik vond dat dom. Ik heb toen snel de deur dicht gedaan. Ik heb toen snel de deur dicht gedaan.

Toen hebben wij via de brievenbus gepraat. Ik wilde namelijk mijn sleutels terug.

Toen zag ik op een gegeven moment iets van een lontje. Iets van een gloed. Ik kan mij herinneren dat hij met iets bezig was aan de buitenkant. Ik zag dat door het mat glas heen. Dit bij de deurklink.

(...)

10.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1], voornoemd en [verbalisant 3], inspecteur, in het door hen op 7 april 2012 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van het horen van [slachtoffer] op 7 april 2012, dossierpagina's 687 tot en met 692, onder meer inhoudende:

Ik sta in het halletje met mijn jas aan. De persoon is buiten. Ik heb de deur dicht gegooid. Ik zie zijn gezicht vervormd door het matglas. Ik zag ook iets branden.

(...)

14.

Het relaas van de verbalisant [verbalisant 4], hoofdagent, als opgenomen in het door hem op 23 januari 2013 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 815 tot en met 831, onder meer inhoudende:

Het onderzoek 094EXPO betreft het onderzoek naar een overval waarbij het slachtoffer zwaar verwond werd middels een vuurwerkbom.

Binnen dit onderzoek zijn als verdachten aangemerkt:

Achternaam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornamen verdachte]

en

Achternaam : [achternaam betrokkene 1]

Voornamen : [voornaam betrokkene 1]

In het kader van dit onderzoek is door de Rechter-commissaris, van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 7 december 2011 een doorzoeking ter inbeslagneming ingesteld in het perceel [b-straat 1] te Purmerend, zijnde de woning van verdachte [betrokkene 1].

Bij de zoeking werd een personal computer in beslag genomen.

Ik, verbalisant, heb onderzoek gedaan naar de bovenstaande gegevensdrager. Het onderzoek vond plaats, nadat de gegevensdrager door Bureau Digitale Techniek was veilig gesteld. Het onderzoek werd gedaan naar de aanwezigheid van gegevens, betrekking hebbende op het onderzoek. Hierbij werd onder andere gezocht naar gewiste gegevens, internetgegevens, algemene gebruiksgegevens, chatlogs, tekstbestanden en opgegeven zoekvragen.

Door mij, verbalisant, is de voor het onderzoek mogelijk belangrijke informatie geselecteerd in zogenaamde bookmarks.

In de onderzochte computer is op het internet gezocht via Wikipedia. Dit betreft een online encyclopedie. Er is onder andere gezocht naar schietkatoen, tijdbom, vuurwerk, vuurwerk/chemie en op zelfgemaakte explosieven.

Op het internet is middels de site Youtube.com gezocht naar filmpjes die voldoen aan de zoekwoorden plastic en Explosif. (Noot verbalisant: Engelse vertaling voor explosief is explosive.)

In de computer is op het internet, via de site Youtube gekeken naar filmpjes van vuurwerk, en de uitwerking hiervan. Tevens is op dezelfde internetsite gezocht naar filmpjes die voldoen aan de zoekvraag vuurwerk + bom.

Op de internetsite Wikipedia.nl is gekeken en of gezocht naar onderwerpen welke in directe of indirecte relatie staan tot ontploffingen.

Op de internetsite youtube is gezocht naar de combinatie mortier + vuurwerk en op napalm.

Via de computer is op het internet gezocht/gekeken op de site Wikipedia naar het onderwerp Mortierbom en op Chemie vuurwerk.

Op de internetsite youtube is gezocht naar de combinatie mortier + vuurwerk.

Via de computer is op de internetsite youtube gekeken naar filmpjes over zwaar vuurwerk.

(...)"

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Poging moord of poging doodslag

(...)

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of er sprake is van poging moord of doodslag.

Om tot een bewezenverklaring te komen van het primair tenlastegelegde (poging moord) dient vast komen te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

In het onderhavige situatie heeft verdachte het geïmproviseerde explosief waarmee hij een ontploffing te weeg kon brengen uit Purmerend meegenomen naar Amersfoort. Dit explosief was voorzien van loden kogeltjes die bij ontploffing van het explosief voor mogelijk extra schade kunnen zorgen. Daarnaast is er op de computer van [betrokkene 1] gekeken naar You Tube filmpjes betreffende vuurwerk en de uitwerking hiervan. Hieruit leidt het hof af dat verdachte al voor de overval voornemens was om gebruik te maken van de vlinderbom.

Nadat verdachte door aangever buitengesloten was, heeft verdachte de vlinderbom aan de deur(klink) van aangever bevestigd. Tijdens deze handelingen heeft verdachte nog woordelijk en mogelijk zichtbaar (het slachtoffer stond immers achter het matglas in de deur) contact gehad met de aangever. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte gedurende de bevestiging van de vlinderbom en het gesprek met aangever, waarbij hij de wetenschap had dat het slachtoffer zich in de nabijheid van de vlinderbom bevond, gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kon geven. Nu het handelen van verdachte en het gesprek een zekere tijd -langer dan een aantal seconden- in beslag hebben genomen en enige aanwijzing voor de mogelijkheid dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging ontbreekt acht het hof gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade."

2.4.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2013 gehechte pleitnota heeft de raadsman van verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Moord: door explosief tot ontploffing te brengen waardoor [slachtoffer] van het leven zou worden beroofd. Te bewijzen bestanddeel: met voorbedachten rade en na kalm beraad en rustig overleg

Blijkt niet uit dossier.

Wordt door aangever verklaard over iets onder zijn neus houden. Rook weeïg/karton, blijkt niet wat dit precies is geweest. Kan derhalve niet uit volgen dat er enig plan zou zijn om vlinder tot ontploffing te brengen in nabijheid van aangever. Ook voor overige geen aanwijzingen van enig vooropgezet plan.

Blijkt derhalve niet van voorbedachte raad.

Afsteken van explosief lijkt juist een impulsieve daad. Plan was immers om met pas van aangever en in zijn gezelschap te gaan pinnen. Op moment dat verdachte de woning verlaat wordt plotseling de deur dicht gedaan en wordt hij buitengesloten. Persoon heeft dus geen tijd gehad om daar van te voren over na te denken nu hij zich plotseling in deze situatie bevindt. Vrijwel direct daarna wordt er een explosief tot ontploffing gebracht. Niets duidt er op dat er voorafgaand aan dat moment sprake is van kalm beraad en/of rustig overleg.

Immers vrijwel direct daarna (uit verklaring aangever), lijkt te duiden op handelen uit impuls.

Feitelijk geen tijd geweest voor kalm beraad of overleg. Strenge eisen door HR oa in LJN BY5695 d.d. 16 januari 2013.

Bestanddeel kan niet worden bewezen, derhalve vrijspraak voor feit 3 onder primair."

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:HR:NL:2013:963, NJ 2014/156).

3.3.

Het Hof heeft zijn oordeel, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld met betrekking tot mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor de verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed, nadat hij was buitengesloten, "gedurende de bevestiging van de vlinderbom en het gesprek met aangever" ("langer dan een aantal seconden").

3.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vierde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder feit 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014.