Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1558

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
13/03764
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:348, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:1047, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijfsactiviteiten. Zijn ook dochtermaatschappijen verzekeringnemer? Wijziging van activiteiten. Is dekkingsweigering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Premierestitutie (art. 7:938 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/887
JWB 2014/283
NJ 2014/349 met annotatie van
NJB 2014/1348
RAV 2014/79
Bb 2014/83.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 juni 2014

Eerste Kamer

nr. 13/03764

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiseres 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. N.T. Dempsey en mr. D.A. van der Kooij,

t e g e n

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. R.L. Bakels en mr. A. van Staden ten Brink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseressen] en Aegon.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 352801/HA ZA 09-3967 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 maart 2010 en 22 december 2010;

b. het arrest in de zaak 200.087.914/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 april 2013, verbeterd bij beslissing van 7 mei 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiseressen] beroep in cassatie ingesteld. Aegon heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest in het principale en het (voorwaardelijk) incidentele beroep.

De advocaat van Aegon heeft bij brief van 1 mei 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiseres 1] (hierna: [eiseres 1]) is bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: [A]). [A] is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres 2] (hierna: [eiseres 2]).
[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) is bestuurder van [eiseres 1]. [betrokkene] dreef via deze vennootschappen een groothandel in poot- en consumptieaardappelen, welke onderneming in 2005 is beëindigd.

(ii) [A] is eigenaar van loodsen te [vestigingsplaats]. Na de beëindiging van de aardappelgroothandel heeft [eiseres 2] in opdracht van [A] een aantal loodsen aan derden verhuurd. De koelcellen in één van de loodsen werden als opslagruimte aan particulieren verhuurd en een andere loods werd verhuurd als opslagruimte voor boten.

(iii) De met Aegon gesloten aansprakelijkheidsverzekering is met ingang van 1 januari 2006 aangepast. In de gewijzigde polis werd als verzekeringnemer “[eiseres 1]” vermeld en als verzekerd risico de aansprakelijkheid van de verzekeringnemer in de hoedanigheid van “eigenaar/exploitant van een uitzendbureau, tevens verhuur van onroerend goed”.

(iv) De premie voor deze verzekering werd berekend over de door [betrokkene] opgegeven loonsom. Over 2007 is (na naverrekening) € 466,76 aan premie betaald.

(v) Op 17 november 2007 is in twee loodsen van [A] brand uitgebroken. In die loodsen bevonden zich zaken van huurders van deze loodsen. Deze huurders hebben [eiseres 2] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van de brand hebben geleden.

(vi) Aegon heeft geweigerd dekking te verlenen.

3.2.1

In de onderhavige procedure vorderen [eiseressen] onder meer voor recht te verklaren dat [eiseres 2] aanspraak kan maken op dekking onder de hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde verzekeringsovereenkomst en veroordeling tot vergoeding van de “schade van derden, die [eiseres 2] hebben aangesproken”. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis bekrachtigd en daartoe het volgende overwogen.

Vast staat dat Aegon per 1 januari 2006 de aansprakelijkheid van [eiseres 1] heeft verzekerd in haar hoedanigheid van “eigenaar/exploitant van een uitzendbureau, tevens verhuur van onroerend goed” (rov. 3).

Het lag op de weg van [eiseressen] om feiten en omstandigheden te stellen die, mits bewezen, kunnen leiden tot de conclusie dat zij redelijkerwijs hebben mogen aannemen dat Aegon bekend was of kon zijn met de bedoeling van [eiseressen] om per 1 januari 2006 onder dezelfde polis naast activiteiten van [eiseres 1] ook de onderhavige activiteiten van [eiseres 2] en [A] te doen verzekeren (rov. 5).

De omstandigheid dat aan het verzoek tot wijziging van de verzekerde hoedanigheid het beëindigen van de exploitatie van koelhuizen en het voeren van een groothandel in poot- en consumptieaardappelen ten grondslag lag, duidt op zichzelf geenszins op een aan Aegon kenbare bedoeling van [eiseres 1] om evenals voorheen ook de activiteiten van haar dochtermaatschappijen te verzekeren, maar nu op basis van verhuur van opslagruimte door of namens deze dochtermaatschappijen. [eiseressen] hebben ook overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat een dergelijke bedoeling van [eiseres 1] voor Aegon voldoende kenbaar was.
(rov. 7)

Evenmin is gebleken dat Aegon zich zodanig heeft gedragen dat [eiseressen] daaruit hebben mogen begrijpen dat volgens Aegon ook [eiseres 2] en [A] als verzekeringnemer hadden te gelden.
De omstandigheid dat Aegon de premie heeft berekend op basis van de jaarlijks verstrekte omzetcijfers van alle vennootschappen, is onvoldoende, nu niet is komen vast te staan dat deze omzetcijfers per (dochter)maatschappij aan Aegon zijn verstrekt. (rov. 8)

Uit het feit dat Aegon in 2009 [eiseres 2] en [A] zonder premieverhoging als verzekeringnemers op de polis heeft bijgeschreven volgt niet zonder meer dat Aegon daarmee ook per 1 januari 2006 de activiteiten van [eiseres 2] en [A] als verhuurder respectievelijk eigenaar van opslagruimte aan particulieren en van opslag van boten zou hebben verzekerd. [eiseressen] hebben onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat Aegon per 1 januari 2006 geen redenen zou hebben gehad zich tegen het verlenen van dekking op de met [eiseres 1] overeengekomen voorwaarden te verzetten. Derhalve kan niet gezegd worden dat het vermelden van [eiseres 2] en [A] op de polis per 1 januari 2006 enkel een formaliteit zou zijn geweest. (rov. 9)

Aegon mocht afgaan op de informatie die haar is verstrekt, nu niet is gebleken dat zich bepaalde onduidelijkheden voordeden waaromtrent Aegon als redelijk handelende verzekeraar nadere informatie had behoren in te winnen. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van [eiseressen] dat Aegon bij de tussenpersoon navraag had moeten doen naar de aard van het gebruik van de onderhavige opslagruimten. (rov. 10)

Niet kan worden gezegd dat de weigering van dekking door Aegon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aan de door [eiseressen] gestelde omstandigheid dat [eiseres 1] jarenlang premie heeft betaald voor een risico dat niet heeft bestaan komt in dit verband geen betekenis toe, aangezien gesteld noch gebleken is dat dit aan Aegon is te wijten of voor haar rekening moet komen. (rov. 11)

3.3.1

Onderdeel 2.2 berust op de vaststelling, respectievelijk het uitgangspunt in rov. 1 onder b en rov. 7 van het bestreden arrest, dat in de periode van 2001 tot 2006 tussen [eiseres 1], [eiseres 2] en [A] enerzijds en Aegon anderzijds een aansprakelijkheidsverzekering van kracht was, respectievelijk dat in die periode ook de activiteiten van [eiseres 2] en [A] verzekerd waren. Het strekt ten betoge dat, bij dat uitgangspunt, niet valt in te zien waarom [eiseressen] dienden te stellen en zo nodig te bewijzen
dat deze dochtervennootschappen ook nadien als verzekeringnemers/verzekerden hadden te gelden, althans dat het oordeel van het hof dat zij dat vanaf 2006 niet meer waren, onbegrijpelijk is.

Het onderdeel kan, wat daarvan zij, niet tot cassatie leiden. Het hof heeft zijn beslissing niet slechts doen steunen op het oordeel dat Aegon [eiseres 2] en [A] vanaf 2006 niet als verzekeringnemers/verzekerden behoefde aan te merken, maar mede daarop dat [eiseressen] onvoldoende omstandigheden hebben aangedragen die meebrengen dat Aegon moest begrijpen dat mede dekking werd verzocht voor de activiteiten van [eiseres 2] en [A] als verhuurder respectievelijk eigenaar van opslagruimte aan particulieren en van opslag van boten. Het hof heeft zijn oordeel in rov. 5 omtrent de stelplicht en bewijslast immers toegespitst op ‘de onderhavige activiteiten’, nadat het in rov. 4 zich ervan rekenschap had gegeven dat die activiteiten neerkwamen op een wijziging van het gebruik ten opzichte van de periode vóór 1 januari 2006. Uit hetgeen hierna wordt overwogen volgt dat het oordeel van het hof in cassatie stand houdt waar het is gegrond op die wijziging van activiteiten, terwijl deze grondslag de beslissing van het hof zelfstandig draagt. Daarvan uitgaand hebben [eiseressen] geen belang bij de beoogde vaststelling dat [eiseres 2] en [A] (ook) vanaf 2006 verzekeringnemers/verzekerden waren, nu dit immers nog niet tot de conclusie leidt dat Aegon dekking dient te verlenen voor de onderhavige schade.

3.3.2

Onderdeel 2.3 richt diverse motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat de verzekeringsovereenkomst niet aldus kan worden uitgelegd dat de activiteiten van [eiseres 2] en [A] als verhuurder respectievelijk eigenaar van opslagruimte aan particulieren en van opslag van boten waren meeverzekerd en dat [eiseressen] geen omstandigheden hebben gesteld die meebrengen dat het beroep van Aegon op het ontbreken van dekking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.3.3

Het onderdeel acht dit oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de volgende omstandigheden:

(i) de “[eiseres] Groep” heeft vanaf 2001 premie betaald gebaseerd op de omzet/loonsom van alle vennootschappen, welke premie “past bij het verzekeren van alle vennootschappen en het daaraan voor Aegon verbonden risico”;

(ii) het op de polis als verzekeringnemers/verzekerden bijschrijven van [eiseres 2] en [A] in 2009 bracht geen wijziging van de premie mee, zodat de vermelding van beide vennootschappen een formaliteit was;

(iii) indien achteraf vastgesteld zou worden dat alleen [eiseres 1] verzekerd is geweest, heeft Aegon jarenlang premie betaald gekregen, zonder dat zij risico heeft gelopen.

3.3.4

Het onderdeel faalt. Het bestreden oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de genoemde omstandigheden.

Wat betreft de uitleg van de verzekeringsovereenkomst ziet het onderdeel eraan voorbij dat geen van de genoemde omstandigheden erop wijst dat Aegon bij de opgave van de wijziging met ingang van 1 januari 2006 heeft moeten begrijpen dat [eiseressen] beoogden ook de onderhavige opslagactiviteiten mee te verzekeren.

Wat betreft het oordeel dat niet kan worden gezegd dat het beroep op het ontbreken van dekking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, geldt voorts het volgende. Indien Aegon premie heeft geïnd voor een risico dat achteraf bezien niet heeft bestaan, kan dat meebrengen dat zij gehouden is tot premierestitutie (art. 7:938 BW). De enkele inning van premie noopt evenwel niet tot de conclusie dat Aegon op grond van art. 6:248 lid 2 BW dekking moet verlenen voor schade als gevolg van de onderhavige activiteiten.

3.3.5

Gelet op het voorgaande behoeft onderdeel 2.1 geen behandeling.

3.4

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [eiseressen] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 juni 2014.