Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1532

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
13/02847
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:368, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4288, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling. Vordering tot delen van vruchten en andere voordelen (art. 3:172 BW). Beroep op gezag van gewijsde. Uitleg dictum in het licht en met inachtneming van overwegingen die tot de beslissing hebben geleid (HR 21 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, NJ 1998/544). Uitleg afwijzing van het “meer of anders” gevorderde (HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2465, NJ 2009/183). Samenhang met HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0531.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 32
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 236
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/900
NJB 2014/1347
JWB 2014/280
RFR 2014/108
JIN 2014/158 met annotatie van G.J. de Bock
ERF-Updates.nl 2014-0088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 juni 2014

Eerste Kamer

nr. 13/02847

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,

EISER tot cassatie,

advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. J. Mencke,

t e g e n

de erven van [betrokkene 1],
gewoond hebbende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerders].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 218545/HA ZA 11-1139 van de rechtbank Arnhem van 3 augustus 2011, 21 december 2011 en 25 april 2012;

b. het arrest in de zaak 200.107.392 van het gerechtshof Arnhem van 4 september 2012 en van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2013.

Het arrest van het hof van 5 maart 2013 is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 5 maart 2013 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van [eiser] hebben bij brief van 16 mei 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij testament van 24 april 1970 heeft [betrokkene 2] (hierna: de erflater) zijn huishoudster [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en zijn pleegzoon [eiser] tot zijn enige erfgenamen benoemd, ieder voor de helft. De erflater is op 6 september 1980 overleden.

(ii) [betrokkene 1] is benoemd tot executeur-testamentair en beredderaar van de nalatenschap. Bij notariële akte van boedelbeschrijving van 14 mei 1981, verleden door notaris Y.O. Donders, heeft [betrokkene 1] opgave gedaan van de activa en passiva van de nalatenschap.

(iii) Tot de nalatenschap behoort een door de erflater op 1 mei 1970 in eigendom verkregen woning (hierna: de woning), die sinds die datum door de erflater en [betrokkene 1] werd bewoond. Voor die datum bewoonde ieder van hen al (vanaf 1959 respectievelijk 1958) een deel van de woning krachtens huur. Na het overlijden van de erflater heeft [betrokkene 1] de bewoning ononderbroken voortgezet. Zij heeft kamers van de woning aan derden verhuurd.

(iv) [eiser] en [betrokkene 1] hebben geen overeenstemming bereikt over de verdeling van de nalatenschap.

( v) Bij dagvaarding van 2 augustus 2002 heeft [eiser] [betrokkene 1] in rechte betrokken en vorderingen ingesteld die strekken tot en verband houden met de verdeling van de nalatenschap (hierna: de eerdere procedure).

(vi) Het tussenvonnis van de rechtbank Arnhem van 20 augustus 2003 in de eerdere procedure houdt onder meer het volgende in:

3. Het geschil in conventie en in reconventie

3.1

Na zijn wijziging van eis vordert [eiser] in conventie dat de rechtbank bij vonnis (…)

d. voor recht verklaart dat [eiser] gerechtigd is tot de helft van de waarde die moet worden toegekend aan de bewoning door [betrokkene 1] van de woning (…) en aan het gebruik van de roerende zaken die tot de nalatenschap behoren;

e. bindend tussen partijen vaststelt welke de onder d. bedoelde waarde sinds het openvallen van de nalatenschap tot aan de dag van de uitspraak was en welke waarde moet worden gehanteerd voor het tijdvak na de ten deze te geven uitspraak;

(…)

g. [betrokkene 1] veroordeelt over te gaan met [eiser] tot scheiding en deling van de nalatenschap (…).

4 De beoordeling van het geschil

(…)

4.4

Ten aanzien van de in conventie onder c en d door [eiser] gevorderde verklaring voor recht respectievelijk ten aanzien van het in conventie onder e en f gevorderde, overweegt de rechtbank als volgt.

(…) De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene 1] voor de helft gerechtigd is tot het pand waardoor het redelijk is dat zij in het pand is blijven wonen. Aangezien zij tot de helft gerechtigd is, is de rechtbank evenwel van oordeel dat het eveneens redelijk is dat zij de helft van de waarde van het woongenot aan de andere deelgenoot voldoet. (…)

Wat betreft de hoogte van het gebruiksrecht (…) is de rechtbank van oordeel dat partijen – via na te melden conclusie – uitsluitsel dienen te geven. (…)

De in conventie onder c en d gevraagde verklaringen voor recht zullen dus eveneens worden afgegeven.

5 De beslissing

(…)

10. verwijst de zaak naar de rolzitting (…) voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van partijen (…).

(…)”

(vii) In de eerdere procedure heeft [eiser] in zijn conclusie na deskundigenbericht tevens incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening onder meer gesteld op welk bedrag het woongenot van [betrokkene 1] sinds september 1980 kan worden bepaald. Voorts heeft [eiser] betoogd dat dit bedrag dient te worden vermeerderd met rente, de hoogte van het rentebedrag berekend en opgemerkt “[eiser] maakt aanspraak op de helft van dit bedrag”. Ten slotte heeft [eiser] in het incident gevorderd dat [betrokkene 1] wordt veroordeeld tot betaling “ten titel van voorschot op de door [betrokkene 1] in te brengen en met [eiser] te delen vergoeding voor het woongenot een bedrag van € 40.000,-- (…), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden.”

(viii) De vordering in het incident in de eerdere procedure is afgewezen.

(ix) Bij eindvonnis van 9 maart 2005 in de eerdere procedure heeft de rechtbank onder meer als volgt overwogen en beslist:

“5.2 In het vonnis van 20 augustus 2003 is onder 4.4. al geoordeeld dat mevrouw [betrokkene 1] een woonvergoeding aan de boedel verschuldigd is. (…)

Dat tegen elkaar afwegend is het standpunt van [eiser] dat de woonvergoeding van [betrokkene 1] aan de boedel in 2003 op € 500,- per maand moet worden gesteld, en teruggerekend tot € 190,10 per maand in 1980 (…) alleszins redelijk. Daarbij wordt opgemerkt dat het een vergoeding aan de boedel is, en [betrokkene 1] dus uiteindelijk maar de helft hoeft te dragen, terwijl de inkomsten uit kamerverhuur al die jaren geheel voor haar zijn geweest. Conclusie is dat [betrokkene 1] wegens genoten woongenot € 96.446,96 in de boedel moet inbrengen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding.

(…)

De beslissing

De rechtbank,

in conventie

(…)

3. verklaart voor recht dat [eiser] gerechtigd is tot de helft van de waarde die moet worden toegekend aan de bewoning door [betrokkene 1] van de woning (…),

4. stelt de onder 3 bedoelde waarde over de periode 1 oktober 1980 tot 1 januari 2004 vast op € 96.446,96 en voor de periode nadien op € 500,- per maand, met ingang van 1 januari 2004 geïndexeerd volgens de prijsindexcijfers bedoeld in productie 1 bij de conclusie van [eiser] d.d. 21 juli 2004,

(…)

6. veroordeelt beide partijen hun medewerking te geven aan het doen opstellen van een akte tot scheiding en deling van de nalatenschap van [betrokkene 2], met als grondslag de notariële akte verleden ten overstaan van notaris Y.O. Donders d.d. 14 mei 1981 maar met inachtneming van wat is overwogen in dit vonnis.

(…)

10. wijst af wat meer of anders is gevorderd,

(…)”

(x) In de eerdere procedure hebben zowel [betrokkene 1] als [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem. Tijdens het hoger beroep is [betrokkene 1] overleden.
[verweerders] hebben het geding voortgezet.

(xi) Bij eindarrest van 12 mei 2009 in de eerdere procedure heeft het hof in de beide beroepen het tussenvonnis van 20 augustus 2003 bekrachtigd en, voor zover in cassatie van belang, het eindvonnis van 9 maart 2005 vernietigd wat het dictum onder 6 betreft en, opnieuw rechtdoende, beslist:

“veroordeelt beide partijen hun medewerking te verlenen aan het doen opstellen van een akte tot scheiding en deling van de nalatenschap van [betrokkene 2] met als grondslag de notariële akte, verleden ten overstaan van notaris Y.O. Donders op 14 mei 1981, maar met inachtneming van hetgeen is overwogen in dit arrest en het bestreden vonnis van 9 maart 2005, voor zover dit in dit arrest is bekrachtigd;”

Het hof heeft het eindvonnis van 9 maart 2005 voor het overige, waaronder het dictum onder 3 en 4, bekrachtigd.

(xii) In de eerdere procedure heeft de Hoge Raad bij arrest van 25 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP0531) het door [verweerders] tegen (onder meer) het arrest van 12 mei 2009 gerichte cassatieberoep verworpen.

(xiii) Op 1 juni 2011 heeft [eiser] zonder toestemming van [verweerders] de woning verkocht.

3.2

Voor zover in cassatie van belang heeft [eiser] in de onderhavige procedure gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [verweerders] in de nalatenschap dienen in te brengen (i) zowel de vergoeding voor woongenot zoals vastgesteld bij arrest van 12 mei 2009 als de daarover te berekenen rente, telkens vanaf het einde van de maand waarover het woongenot werd genoten, subsidiair vanaf 2 augustus 2002, en (ii) ter zake van door hen genoten vruchten dan wel rente van vruchten een bedrag van € 183.483,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2011.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [verweerders] dienen in te brengen de wettelijke rente over de verschillende vermogens-bestanddelen uit de nalatenschap waarvan [betrokkene 1] met ingang van het openvallen van de nalatenschap in 1980 het gebruik heeft gehad. Dat volgt volgens [eiser] uit art. 3:172 BW, terwijl die rente naar zijn mening als een vrucht (althans: een ander voordeel ) van de nalatenschap moet worden beschouwd. Met deze en andere vorderingen beoogt [eiser] dat de rechtbank volledig beslist wat de scheiding en deling van de nalatenschap voor de partijen meebrengt.

3.3.1

De rechtbank heeft de hiervoor in 3.2 genoemde vordering van [eiser] afgewezen.

3.3.2

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank op het punt van de afwijzing van de hiervoor in 3.2 genoemde vordering van [eiser] bekrachtigd.

Daartoe heeft het hof vastgesteld dat de rechtbank in de eerdere procedure, ondanks hetgeen zij daaromtrent in rov. 5.2 van haar eindvonnis heeft overwogen, niet heeft beslist dat het bedrag van de door haar bepaalde, in de gemeenschap in te brengen woonvergoeding moet worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dagvaarding in die procedure (2 augustus 2002), maar wel in haar beslissing het meer of anders gevorderde heeft afgewezen. Nu vaststaat dat [eiser] tegen deze beslissing niet, althans niet met succes een rechtsmiddel heeft aangewend, is het hof met de rechtbank van oordeel dat [eiser] is gebonden aan de afwijzing van deze vordering door de rechtbank in de eerdere procedure en dat hij deze vordering in de onderhavige procedure niet opnieuw aan de orde kan stellen. (rov. 3.18)

Vervolgens is het hof voorbijgegaan aan het beroep van [eiser] op het bepaalde in art. 3:172 BW, nu de woonvergoeding en de wettelijke rente daarover, anders dan huurinkomsten, geen vruchten of voordelen zijn die de woning oplevert, maar een bedrag dat de ene deelgenoot ([betrokkene 1]) aan de andere deelgenoot ([eiser]) is verschuldigd vanwege het uitsluitend gebruik van een deel van de woning, op het genot waarvan beide deelgenoten aanspraak hebben (rov. 3.19).

3.4.1

Onderdeel 1.2 richt een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.18 dat de rechtbank in de eerdere procedure de vordering ter zake van rentevergoeding in het dictum heeft afgewezen.

3.4.2

Deze klacht slaagt.

Het dictum van een uitspraak moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid (vgl. HR 21 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, NJ 1998/544; HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7084). Hieruit volgt dat indien het dictum een afwijzing van het “meer of anders” gevorderde of verzochte bevat, in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid, moet worden bepaald of die afwijzing betrekking heeft op een (bepaald deel van de) vordering of een (bepaald deel van het) verzoek, dan wel of de rechter die vordering of dat verzoek over het hoofd heeft gezien en de afwijzing daarop dan ook geen betrekking heeft (vgl. HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2465, NJ 2009/183).

In het onderhavige geval is de rechtbank in rov. 5.2 van haar eindvonnis (in de eerdere procedure) tot de conclusie gekomen dat [betrokkene 1] wegens genoten woongenot een bedrag in de boedel moet inbrengen “vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding”. In het licht hiervan is het oordeel van het hof dat de afwijzing van “wat meer of anders is gevorderd” in het dictum (onder 10) van dat eindvonnis, mede betrekking heeft op de door [eiser] gevorderde rente over het bedrag van het woongenot, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Daarbij is tevens van belang dat in hetzelfde dictum (onder 6) partijen worden veroordeeld om hun medewerking te verlenen aan het doen opstellen van een akte tot scheiding en deling van de nalatenschap “met inachtneming van wat is overwogen in dit vonnis”, waaronder ook de in rov. 5.2 van dat eindvonnis toewijsbaar geachte rentevordering kan zijn begrepen.

3.5.1

De onderdelen 1.4 en 2.1 komen op tegen de afwijzing van [eiser] vordering ter zake van rentevergoeding in rov. 3.19. In dit verband voert onderdeel 2.1 aan dat [eiser] zich in feitelijke instanties heeft beroepen op de beslissing van de rechtbank in rov. 5.2 van haar eindvonnis (in de eerdere procedure) dat [betrokkene 1] wegens genoten woongenot een bedrag in de boedel moet inbrengen “vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding”. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk waarom het hof het beroep van [eiser] op het gezag van gewijsde van die beslissing niet heeft gehonoreerd, aldus de klacht.

3.5.2

Ook deze klacht treft doel.

[eiser] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep erop gewezen dat hij in de eerdere procedure aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van de wettelijke rente over het bedrag van het genoten woongenot en dat de rechtbank in rov. 5.2 van haar eindvonnis (in de eerdere procedure) heeft overwogen dat [betrokkene 1] wegens genoten woongenot de daar genoemde vergoeding moet inbrengen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding, derhalve vanaf 2 augustus 2002. Voorts heeft [eiser] betoogd dat dit oordeel weliswaar niet in het dictum van dat eindvonnis is neergelegd, maar dat uit dat eindvonnis wel blijkt dat [betrokkene 1] respectievelijk [verweerders] rekening dienden te houden met de aanspraak op vergoeding ook van wettelijke rente (antwoordakte na interlocutoir tevens houdende wijziging en vermeerdering van eis, onder 16-17; memorie van grieven, onder 29 en 30).

In reactie op dit betoog van [eiser] hebben [verweerders] aangevoerd dat de aanspraak van [eiser] op wettelijke rente over het bedrag van het genoten woongenot door de rechtbank – als onderdeel van “wat meer of anders is gevorderd” – is afgewezen, en dat [eiser] daartegen in hoger beroep niet is opgekomen (antwoordakte (na overlegging producties en vermeerdering van eis), onder 10; memorie van antwoord, p. 9). Hieraan hebben [verweerders] de conclusie verbonden dat “hoe dan ook [vaststaat], dat omtrent de renteaanspraken van [eiser] over de in rechte vastgestelde woonvergoeding tussen [eiser] en de erven – d.w.z. deze rechtsbetrekking in geschil – onherroepelijk is beslist en dat er op dit punt tussen partijen gezag van gewijsde bestaat” (memorie van antwoord, p. 10).

Uit het vorenstaande volgt dat in de stellingen van [eiser] besloten ligt dat hij zich heeft beroepen op het gezag van gewijsde van de beslissing – verwoord in rov. 5.2 van het eindvonnis van de rechtbank (in de eerdere procedure) – ten aanzien van de rentevordering, en dat [verweerders] dit beroep ook aldus hebben begrepen en zich daartegen hebben verweerd (vgl. HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP6874, NJ 2006/200). Bij die stand van zaken is het oordeel van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk. In dit verband is wederom van belang dat het dictum (onder 10) van het eindvonnis van de rechtbank (in de eerdere procedure) weliswaar een afwijzing bevat van “wat meer of anders is gevorderd”, maar dat in hetzelfde dictum (onder 6) partijen worden veroordeeld om hun medewerking te verlenen aan het doen opstellen van een akte tot scheiding en deling van de nalatenschap “met inachtneming van wat is overwogen in dit vonnis”, waaronder ook de in rov. 5.2 van dat eindvonnis toewijsbaar geachte rentevordering kan zijn begrepen.

3.6

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2013;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 466,89 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 juni 2014.