Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1497

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
12/00748
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BV2126, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:586
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Grootschalige kinderpornografie, art. 240b Sr. HR formuleert uitgangspunten voor de strafrechtelijke beoordeling van het op grotere schaal voorhanden hebben van kinderporno en plaatst voor de praktijk enkele opmerkingen over de wijze van ten laste leggen in zaken als de onderhavige en de wijze(n) waarop bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict.

HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1739 en voegt daaraan toe dat bij voorkeur ten hoogste vijf afbeeldingen in de tll. worden beschreven. HR zet voorts uiteen op welke verschillende manieren vervolgens bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict ook al bevat de tll. geen nadere aanduiding van of verwijzing naar de hoeveelheid, doch slechts de beschrijving van een zeer beperkt aantal afbeeldingen. Dat kan onder meer d.m.v. een in het voorbereidend onderzoek – gelet op de praktische werkbaarheid bij voorkeur globaal te houden – uit te voeren steekproef uit het aangetroffen materiaal. Wel moet in een dergelijk geval de verdachte in de gelegenheid zijn gesteld de bij de steekproef gehanteerde methode aan de orde te stellen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 240bis
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0273
NBSTRAF 2014/279 met annotatie van mr. P. van Glabbeek
NJ 2014/339 met annotatie van J.M. Reijntjes
RvdW 2014/861
NJB 2014/1353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2014

Strafkamer

nr. 12/00748

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 januari 2012, nummer 21/004036-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissing omtrent een gevoerd verweer

2.1.

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:

"hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2002 tot en met 20 november 2008 te Amersfoort, althans in Nederland, een (groot aantal) afbeelding(en), te weten ([ongeveer] 13919 foto('s) en/of ([ongeveer] 193) film(s) en/of (een) gegevensdrager(s) (te weten één of meer computer(s) en/of (een) harddisk(s) en/of (een) cd-rom(s) bevattende (een) afbeelding(en) heeft verspreid en/of (door middel van digitale manipulatie) vervaardigd en/of in bezit gehad, terwijl op die afbeeldinge(n) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn waarbij een of meer perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken, welke voornoemde seksuele gedraging(en) bestonden uit (onder meer)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2002 tot en met 20 november 2008 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, een (groot aantal) afbeelding(en), te weten ([ongeveer] 13919) foto('s) en/of ([ongeveer] 193) film(s) en/of (een) gegevensdrager(s) (te weten één of meer computer(s) en/of (een) harddisk(s) en/of (een) cd-rom(s))bevattende (een) afbeelding(en) heeft verspreid en/of door middel van digitale manipulatie) vervaardigd en/of in bezit gehad, terwijl op die afbeeldinge(n) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij een of meer perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken,
welke voornoemde seksuele gedraging(en) bestond(en) uit (onder meer)

A)

- het betasten en/of likken van de vagina en/of het houden van een vinger tussen de schaamlippen en/of het drukken van een stijve penis in/tegen de vagina en/of de billen van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt ([onder meer] nummer 1 op pagina 31 en/of nummer 2 op pagina 32 en/of nummer 9 op pagina 34 en/of nummer 16 op pagina 36 en 37 en/of nummer 19 op pagina 37 en/of nummer 22 op pagina 38 van het proces-verbaal) en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed en/of opgemaakt zijn en/of in een omgeving en/of met voorwerpen en/of in (erotisch getinte) houdingen poseert/poseren die niet bij haar/hun leeftijd past/passen en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden ([onder meer] nummer 3 op pagina 32 en/of nummer 7 op pagina 33 en/of nummer 18 op pagina 37 van het proces-verbaal) en/of

- het vaginaal en/of anaal penetreren (met de penis en/of vinger(s) en/of een dildo en/of een voorwerp) door zichzelf en/of door een volwassen man en/of door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt van het lichaam van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar (eveneens) nog niet heeft/hebben bereikt ([onder meer] nummer 4 op pagina 32 en/of nummer 9 op pagina 34 en/of nummer 11 op pagina 35 en/of nummer 14 en/of 15 op pagina 36 van het proces-verbaal) en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die/de perso(o)n(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden ([onder meer] nummer 5 en/of 6 op pagina 33 en/of nummer 10 op pagina 34 en 35 en/of nummer 13 op pagina 35 en 36 en/of nummer 17 op pagina 37 en/of nummer 20 op pagina 38 en/of nummer 23 op pagina 38 en 39 en/of nummer 25 op pagina 39 van het proces-verbaal) en/of

- het (laten) vasthouden en/of in de mond (laten) nemen van de stijve penis van een volwassen man door een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt ([onder meer] nummer 8 op pagina 34 en/of nummer 12 op pagina 35 en/of nummer 21 op pagina 38 en/of nummer 24 op pagina 39 van het proces-verbaal) en/of

- het houden van een (stijve) penis naast het gezicht/lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt, terwijl op dat gezicht/lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is ([onder meer] nummer 24 op pagina 39 van het proces-verbaal),en/of

B)

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die/de perso(o)n(en) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden ([onder meer] nummer 1 en/of 2 op pagina 55 en/of nummer 4 en/of 6 op pagina 56 en/of nummer 7 en/of 8 op pagina 57 en/of nummer 10 op pagina 58 en/of nummer 13 en/of 15 op pagina 59 en/of nummer 17 op pagina 60 en/of nummer 22 op pagina 62 van het proces-verbaal) en/of

- het betasten en/of likken van de vagina en/of het houden van een vinger tussen de schaamlippen en/of het drukken van een stijve penis in/tegen de vagina en/of de billen van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt ([onder meer] nummer 5 op pagina 56 van het proces-verbaal) en/of

- het vaginaal en/of anaal penetreren (met de penis) door een volwassen man van het lichaam van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar (eveneens) nog niet heeft/hebben bereikt ([onder meer] nummer 3 op pagina 55 en/of nummer 9 op pagina 57

en/of nummer 12 op pagina 58 en/of nummer 21 op pagina 61 en/of nummer 23 en/of 24 op pagina 62 en/of nummer 25 op pagina 63 van het proces-verbaal) en/of

- het (laten) vasthouden en/of in de mond (laten) nemen van de stijve penis van een volwassen man door een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt ([onder meer] nummer 11 op pagina 58 van het proces-verbaal), van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt."

2.2.

Overeenkomstig die tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 01 oktober 2004 tot en met 20 november 2008 te Amersfoort, een groot aantal afbeeldingen, te weten ongeveer 13000 foto's en ongeveer 193 films door middel van digitale manipulatie heeft vervaardigd en/of in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn waarbij personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt, waren betrokken of schijnbaar waren betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit (onder meer)

A)

- het betasten en likken van de vagina en het houden van een vinger tussen de schaamlippen en het drukken van een stijve penis tegen de vagina en de billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (onder meer nummer 1 op pagina 31 en nummer 2 op pagina 32 en nummer 9 op pagina 34 en nummer 16 op pagina 36 en 37 en nummer 19 op pagina 37 en nummer 22 op pagina 38 van het proces-verbaal) en

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij deze persoon gekleed en opgemaakt is en in een omgeving en met voorwerpen en in erotisch getinte houdingen poseert die niet bij haar leeftijd passen en waarbij deze persoon zich vervolgens in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar kleding ontdoet en waarna door het camerastandpunt en de onnatuurlijke pose en de wijze van kleden van deze persoon nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen in beeld gebracht worden (onder meer nummer 3 op pagina 32 en nummer 7 op pagina 33 en nummer 18 op pagina 37 van het proces-verbaal) en

- het vaginaal penetreren met de penis en vinger en een dildo door zichzelf en door een volwassen man en door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar (eveneens) nog niet heeft bereikt (onder meer nummer 4 op pagina 32 en nummer 9 op pagina 34 en nummer 11 op pagina 35 en nummer 14 en 15 op pagina 36 van het proces-verbaal) en

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij door het camerastandpunt en de onnatuurlijke pose en de wijze van kleden van die persoon nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen in beeld gebracht worden (onder meer nummer 6 op pagina 33 en nummer 10 op pagina 34 en 35 en nummer 13 op pagina 35 en 36 en nummer 17 op pagina 37 en nummer 20 op pagina 38 en nummer 23 op pagina 38 en 39 en nummer 25 op pagina 39 van het proces-verbaal) en

- het (laten) vasthouden en in de mond (laten) nemen van de stijve penis van een volwassen man door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (onder meer nummer 8 op pagina 34 en nummer 12 op pagina 35 en nummer 21 op pagina 38 en nummer 24 op pagina 39 van het proces-verbaal) en

- het houden van een stijve penis naast het gezicht van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, terwijl op dat gezicht een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is (onder meer nummer 24 op pagina 39 van het proces-verbaal),

en/of

B)

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij door het camerastandpunt en de onnatuurlijke pose en de wijze van kleden van die persoon nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen in beeld gebracht worden (onder meer nummer 1 en 2 op pagina 55 en nummer 4 en 6 op pagina 56 en nummer 7 en 8 op pagina 57 en nummer 10 op pagina 58 en nummer 17 op pagina 60 van het proces-verbaal) en

- het likken van de vagina van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt (onder meer nummer 5 op pagina 56 van het proces-verbaal) en

- het vaginaal en anaal penetreren met de penis door een volwassen man van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (onder meer nummer 3 op pagina 55 en nummer 9 op pagina 57 en nummer 12 op pagina 58 en nummer 23 en 24 op pagina 62 en nummer 25 op pagina 63 van het proces-verbaal) en

- het (laten) vasthouden van de stijve penis van een volwassen man door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (onder meer nummer 11 op pagina 58 van het proces-verbaal),

van welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt."

2.3.

Het Hof heeft omtrent een gevoerd verweer als volgt overwogen en beslist:

"De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot (...) 13869 tenlastegelegde foto's en/of afbeeldingen waarop seksuele gedragingen zichtbaar zouden zijn en welke seksuele gedragingen niet feitelijk in de dagvaarding zijn omschreven partieel nietig verklaard dient te worden. Daarbij verwijst de raadsman naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat aan de term 'afbeelding van een seksuele gedraging' onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Nu de betreffende 13869 foto's en/of afbeeldingen niet feitelijk zijn omschreven is voor verdachte niet duidelijk waartegen hij zich dient te verdedigen.

Het hof verwerpt dit verweer.

Het hof volgt de lezing van de raadsman van de tenlastelegging niet. Het is juist dat het enkel bezigen van de term 'afbeelding van een seksuele gedraging' onvoldoende feitelijke betekenis heeft en dat de seksuele gedragingen feitelijk dienen te worden omschreven. De steller van de tenlastelegging heeft hier ook aan voldaan, onder A en B zijn de seksuele gedragingen die voorkomen op het aangetroffen materiaal nader omschreven. De aangetroffen seksuele gedragingen zijn daarbij in categorieën onderverdeeld en per categorie is een nadere feitelijke omschrijving van de seksuele gedraging weergegeven, waarbij telkens aan het eind van deze omschrijving ter adstructie wordt verwezen naar een aantal nummers uit de selectie van het materiaal. In de onderhavige zaak zijn alle inbeslaggenomen multimediafiles bekeken en beoordeeld door twee gecertificeerde zedenrechercheurs. In hun processen-verbaal van bevindingen staat gerelateerd dat voor het aantreffen en beoordelen van de multimediafiles als zijnde kinderpornografie is gehandeld conform de criteria gegeven in de OM-richtlijn 'Aanwijzing kinderpornografie'. De verbalisanten hebben vervolgens in overleg met de officier van justitie en conform deze aanwijzing de onder A vermelde 25 afbeeldingen en/of films en onder B genoemde afbeeldingen beschreven. Ten aanzien van de onder A beschreven afbeeldingen en/of films hebben de verbalisanten gerelateerd dat die selectie een algemeen beeld geeft van de gehele bij verdachte in beslaggenomen collectie kinderpornografische afbeeldingen. De beschrijving van de afbeeldingen is op systematische wijze geschied, waarbij telkens onder meer de vindplaats, de datering, de leeftijd van de afgebeelde jeugdige, de feitelijke beschrijving van de seksuele gedraging en de eventuele tijdsduur van het beschreven fragment zijn vermeld. Voorts hebben de verbalisanten beschreven dat zij bij het beoordelen van het aangetroffen materiaal ook afbeeldingen hebben aangetroffen van minderjarige kinderen in een naturistische omgeving en van minderjarige kinderen die erotisch gekleed gefotografeerd werden. In de op pagina 030 van het proces-verbaal weergegeven tabel zijn die laatste twee categorieën nadrukkelijk onderscheiden van de kinderpornografische afbeeldingen en films. Uit deze systematische werkwijze blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat op deskundige en zorgvuldige wijze een selectie is gemaakt van beschreven afbeeldingen.

Voorts is de verdediging de mogelijkheid geboden tot inzage van het materiaal, waarvan mededeling is gedaan op de inleidende dagvaarding. Van deze mogelijkheid heeft de verdediging in de fase van het hoger beroep gebruik gemaakt voor wat betreft het inbeslaggenomen virtuele kinderpornografisch materiaal. Kort voor de zitting heeft verdachte een door hem gemaakte analyse van dit materiaal aan het hof doen toekomen.

Het hof heeft uit eigen waarneming vastgesteld dat de onder B beschreven afbeeldingen een algemeen beeld geven van de bij verdachte in beslaggenomen virtuele kinderpornografische afbeeldingen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de dagvaarding in overeenstemming is met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat geen sprake is van partiële nietigheid van de dagvaarding."

2.4.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering – voor zover in cassatie van belang - het volgende overwogen:

"Ten aanzien van het vervaardigen van virtuele kinderpornografie

(...)

Verdachte heeft als basis afbeeldingen gebruikt van volwassenen, jongvolwassenen of van kinderen, maar daarop een afbeelding van een hoofd geplakt van een van de meisjes [slachtoffer 1] (destijds 16 jaar), [slachtoffer 2] (destijds 9 of 10 jaar) of [slachtoffer 3] (destijds 4 jaar). Deze meisjes kende verdachte vanuit zijn directe omgeving. Op sommige afbeeldingen van mannen heeft hij een afbeelding van zijn eigen hoofd geplakt, waardoor de indruk wordt gewekt dat verdachte sex heeft met de afgebeelde meisjes.

Volgens verdachte hebben veel van deze beelden een 'laag realiteitsgehalte met een hoog fake (nep) gehalte' (volgens zijn ingestuurde analyse).

Dat voor verdachte, die de meisjes uit zijn directe privé-omgeving kent, deze foto's een hoog 'fake' gehalte hebben, moge zo zijn. Hij kent de meisjes en weet dat zij zelf (en hij ook) niet op de afbeeldingen voorkomen.

Voor iemand die de meisjes niet kent ligt dit zonder meer anders. Voor een buitenstaander is niet zonder meer duidelijk dat deze beelden bewerkt zijn, laat staan dat ze 'fake' zijn. Naar het oordeel van het hof zijn veel van deze afbeeldingen zonder meer als kinderpornografie aan te merken.

Het hof heeft bij bezien van het materiaal geconstateerd dat een aantal afbeeldingen, met name die waarbij het hoofd van [slachtoffer 1] (destijds 16 jaar) is gebruikt op volwassen lichamen, niet valt aan te merken als kinderpornografie. Voor zover deze afbeeldingen concreet zijn genoemd in de tenlastelegging zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Volgens de raadsman kunnen afbeeldingen waarbij het hoofd van een minderjarige op het lichaam van een (jong)volwassene is geplakt hoe dan ook niet als kinderpornografisch worden gekwalificeerd.

Het hof deelt deze stelling van de raadsman niet en is van oordeel dat de afbeeldingen waarbij het hoofd van de overduidelijk minderjarige [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] is gebruikt op (jong)volwassen lichamen als kinderpornografie zijn aan te merken."

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de afbeeldingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] moeten worden aangemerkt als afbeeldingen in de zin van art. 240b, eerste lid, Sr.

3.2.1.

Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor onder 2.4 weergegeven overweging vastgesteld dat de verdachte voor het vervaardigen van de "virtuele kinderpornografie (...) als basis afbeeldingen [heeft] gebruikt van volwassenen, jongvolwassenen of van kinderen".

3.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat van die afbeeldingen de afbeeldingen waarbij het hoofd van [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] - die blijkens de vaststellingen van het Hof 9 of 10 jaar respectievelijk 4 jaar oud waren - op het lichaam van een (jong)volwassene is geplakt, ook moeten worden aangemerkt als afbeeldingen in de zin van art. 240b, eerste lid, Sr, dus als afbeeldingen van een seksuele gedraging waarbij personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden bereikt, waren betrokken of schijnbaar waren betrokken.

Het Hof heeft in dat verband evenwel niet meer vastgesteld dan dat "voor een buitenstaander niet zonder meer duidelijk is dat deze beelden bewerkt zijn, laat staan dat ze 'fake' zijn". In aanmerking genomen dat het in dit verband moet gaan om hetzij een afbeelding van een bestaand kind, hetzij "een realistische afbeelding van een niet-bestaand kind in de zin dat de afbeelding niet van echt is te onderscheiden" (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9719, NJ 2013/403), heeft het Hof zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.

3.3.1.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. In aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de in 3.2.1 bedoelde gemanipuleerde afbeeldingen slechts een fractie betreffen van de in de bewezenverklaring genoemde 13.000 foto's en 193 films die de verdachte heeft vervaardigd en/of in bezit gehad, zodat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd ook zonder de afbeeldingen waarop 3.2.2 betrekking heeft, niet worden aangetast, zou de Hoge Raad de verdachte bij voorkeur om redenen van doelmatigheid vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging zonder evenwel de zaak terug te wijzen of te verwijzen ter zake van de strafoplegging nu daarvoor onvoldoende aanleiding bestaat.

3.3.2.

Uit de tenlastelegging blijkt echter niet welke afbeeldingen de aldus gemanipuleerde afbeeldingen zijn waarop 3.2.2 betrekking heeft zodat een uitdrukkelijke (partiële) vrijspraak niet mogelijk is. De Hoge Raad zal daarom volstaan met de enkele vaststelling dat het middel gegrond is.

3.3.3.

Wel geeft een en ander de Hoge Raad aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen over de wijze van tenlasteleggen in zaken als de onderhavige alsmede de wijze(n) waarop bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict.

3.4.1.

Art. 240b Sr luidde ten tijde van het tenlastegelegde als volgt:

"1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding - of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreidt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of in bezit heeft.

2. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die van het plegen van een van de misdrijven, omschreven in het eerste lid, een beroep of een gewoonte maakt."

3.4.2.

Aan de term 'afbeelding van een seksuele gedraging' in de zin van art. 240b, eerste lid, Sr komt op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toe. Zonder feitelijke omschrijving van die afbeelding in de tenlastelegging voldoet de dagvaarding niet aan de in art. 261, eerste lid, Sv gestelde eis van opgave van het feit (vgl. HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3710, NJ 2004/684). Er bestaat geen grond anders te oordelen in het geval de tenlastelegging betrekking heeft op meer afbeeldingen.

3.5.

Het is de Hoge Raad bekend dat onduidelijkheid bestaat over de wijze waarop in het bijzonder het grootschalige bezit van - kort gezegd - kinderporno waarop art. 240b, tweede lid, Sr ook betrekking heeft, kan of moet worden tenlastegelegd. De onderhavige - enerzijds onnodig uitgebreide en anderzijds weinig precieze - tenlastelegging is daarvan een voorbeeld. Dit thema vraagt om praktisch werkbare uitgangspunten die tot een uniforme rechtstoepassing leiden. De Hoge Raad zal in dit arrest enkele uitgangspunten formuleren wat betreft de strafrechtelijke beoordeling van het op grotere schaal voorhanden hebben van kinderporno. Een zekere ruwheid is daarbij onvermijdelijk. Dat geldt ook voor de toepassing van die uitgangspunten in de praktijk.

3.6.

In HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1739, NJ 2012/147 is overwogen:

"Opmerking verdient nog dat niets zich ertegen verzet dat ingeval het gaat om een groot aantal afbeeldingen de steller van de tenlastelegging zich beperkt tot een selectie van (representatieve) afbeeldingen. Bewezenverklaring daarvan kan dan immers worden gekwalificeerd als 'meermalen gepleegd', terwijl het mogelijk voor de straftoemeting relevante grootschalige karakter van het delict ook op andere manieren aannemelijk kan worden gemaakt dan door middel van het opnemen van al die afbeeldingen in de tenlastelegging en bewezenverklaring, bijvoorbeeld doordat dat grootschalige karakter op de terechtzitting aan de orde wordt gesteld."

Hetzelfde geldt indien, zoals in de onderhavige zaak, is tenlastegelegd dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het misdrijf. In zo een geval behoeven in de tenlastelegging niet meer afbeeldingen te worden beschreven dan nodig is om, indien de pluraliteit van de aan de verdachte verweten handelingen is bewezen, te kunnen worden gekwalificeerd als het maken van een gewoonte.

3.7.

In zijn hiervoor onder 3.6 weergegeven overwegingen heeft de Hoge Raad tot uitdrukking willen brengen dat in gevallen als de onderhavige bij de straftoemeting rekening mag worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict ook al bevat de tenlastelegging geen nadere aanduiding van of verwijzing naar de hoeveelheid, doch slechts de beschrijving van een zeer beperkt aantal afbeeldingen. Geen rechtsregel verzet zich immers ertegen dat de rechter bij de strafoplegging rekening houdt met feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan (vgl. HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4286).

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 is vooropgesteld in verband met de wenselijkheid in gevallen als de onderhavige van begrenzing van enerzijds de omvang van het voorbereidend onderzoek en anderzijds de omvang van het onderzoek ter terechtzitting, leidt het voorgaande ertoe dat de steller van de tenlastelegging zich bij voorkeur zou moeten beperken tot het beschrijven van een gering aantal afbeeldingen, zo mogelijk ten hoogste vijf zonder in de tenlastelegging zelf enige aanduiding van of verwijzing op te nemen naar een wellicht grotere hoeveelheid waarvan die afbeeldingen deel uitmaken.

3.8.1.

In geval van bewezenverklaring van het handelen van de verdachte met betrekking tot een of meer van die in de tenlastelegging omschreven afbeeldingen kan vervolgens bij de straftoemeting op verschillende manieren rekening worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict.

3.8.2.

In dat verband valt te denken aan de zogenoemde voeging ad informandum van strafbare feiten indien is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Wat betreft de in dat verband relevante erkenning door de verdachte verdient opmerking dat het daarbij in gevallen als de onderhavige gaat om erkenning van het grootschalige karakter, zodat dus niet concrete afbeeldingen of de exacte hoeveelheid kinderporno behoeven te worden besproken.

3.8.3.

Het uitblijven van een erkenning staat overigens niet zonder meer eraan in de weg dat bij de straftoemeting het grootschalige karakter van het voorhanden hebben wordt betrokken. Te denken valt aan de situatie waarin het gaat om een verzameling waarvan op grond van een in het voorbereidend onderzoek ingesteld summier onderzoek in redelijkheid mag worden verondersteld dat het gaat om materiaal dat geheel of grotendeels uit kinderporno bestaat, terwijl de verdachte hetzij die veronderstelling weliswaar niet heeft erkend doch ook niet heeft betwist, hetzij wel heeft betwist doch de juistheid van die betwisting op grond van het in het voorbereidend onderzoek verrichte onderzoek onaannemelijk is.

3.8.4.

Voorts verzet geen rechtsregel zich ertegen dat de strafoplegging mede steunt op de uitkomst van een in het voorbereidend onderzoek – gelet op de praktische werkbaarheid bij voorkeur globaal te houden – steekproef uit het aangetroffen materiaal. Zo een steekproef komt tegemoet aan de eis dat mensen en middelen doelmatig worden ingezet. Wel moet in een dergelijk geval de verdachte in de gelegenheid zijn gesteld de bij de steekproef gehanteerde methode aan de orde te stellen.

4 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook over het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van tien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, N. Jörg en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2014.