Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1489

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
13/01857
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:290, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:3754, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2011:2949, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Stilzwijgende aanvaarding nalatenschap? Art. 4:192 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/1277
RvdW 2014/852
JWB 2014/270
RFR 2014/106
NJ 2014/508 met annotatie van S. Perrick
ERF-Updates.nl 2014-0087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 juni 2014

Eerste Kamer

nr. 13/01857

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

VGZ ZORGKANTOOR B.V.,
gevestigd te Nijmegen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. L. van den Eshof.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en VGZ.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 207133/HA ZA 10-2097 van de rechtbank Arnhem van 1 december 2010 en 4 mei 2011;

b. de arresten in de zaak 200.093.919 van het gerechtshof Arnhem van 15 november 2011 en 18 december 2012.

De arresten van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 18 december 2012 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

VGZ heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 18 april 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) VGZ heeft in 2008 een persoonsgebonden budget (PGB) toegekend aan [de vader], de vader van [eiser] (hierna: de vader), ten bedrage van € 72.443,13. De vader was in gemeenschap van goederen gehuwd met [de moeder] (hierna: de moeder). [de zuster] is de zuster van [eiser] (hierna: de zuster).

(ii) De vader is overleden op 9 juni 2008.

(iii) Op de door de vader aan VGZ opgegeven bankrekening zijn in 2008 voorschotten gestort ten bedrage van € 64.370,08. Een deel van de voorschotbetalingen is verricht na het overlijden van de vader.

(iv) Omdat volgens VGZ geen of onvoldoende verantwoording was afgelegd over de besteding van het betaalde voorschot, heeft zij bij een tot de vader gerichte beschikking van 17 december 2008 het totale recht van de vader op PGB over het jaar 2008 vastgesteld op € 0,00. Het reeds betaalde voorschot van € 64.370,08 zou worden verrekend of teruggevorderd.

(v) VGZ heeft de moeder, de zuster en [eiser] in hun hoedanigheid van erfgenamen van de vader aangesproken tot terugbetaling van voormelde voorschotbetalingen. Deze terugbetaling heeft niet plaatsgevonden.

3.2.1

In dit geding vordert VGZ de hoofdelijke veroordeling van de moeder, de zuster en [eiser] als wettelijke erfgenamen van de vader tot terugbetaling van de onverschuldigd door haar voldane voorschotbetalingen aan de vader ten belope van € 64.370,08, met nevenvorderingen.

Nadat de vordering door de rechtbank bij verstek was toegewezen zijn de moeder, de zuster en [eiser] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Zij hebben in de verzetdagvaarding onder meer aangevoerd:

"1. Opposanten hebben steeds tijdig de antwoordformulieren, die hen werden toegezonden door VGZ ingevuld en teruggezonden aan de VGZ. Kennelijk zijn deze bij VGZ in het ongerede geraakt.

(...)

3. Opposanten hebben steeds netjes aan de verplichtingen, voortvloeiende uit het persoonsgebonden budget, voldaan."

3.2.2

De rechtbank heeft een comparitie van partijen gelast. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:

"[de moeder] en haar kinderen,[de zuster] en [eiser] verklaren:

Mijn man was ernstig ziek. Hij had op een gegeven moment echt 24 uur per dag zorg nodig. Hij wilde thuis verpleegd worden en wij hebben dit ook zo gedaan. Wij hebben met de familie en vrienden voor hem gezorgd. Het geld dat ik van VGZ ontving heb ik aan hen betaald. Ik nam dan geld op van de bank en gaf dat contant. Wij hebben een verantwoordingsformulier opgestuurd aan VGZ. Hier zaten geen bewijsstukken bij. Er zijn ook geen bonnetjes of iets dergelijks omdat wij het met familie deden. Veel stukken zijn dan ook niet meer te achterhalen, wij hebben alleen een medisch dossier.

(...)

Ik, de zoon, verklaar nog dat ik geen geld heb gekregen en dat ik het uit liefde voor mijn vader heb gedaan.

(...)"

Het proces-verbaal houdt voorts als beslissing van de rechtbank in dat de moeder, de zuster en [eiser] nog de gelegenheid wordt geboden om een akte te nemen houdende overlegging producties betreffende bewijzen van besteding van het PGB.

3.2.3

In de daarop door de moeder, de zuster en [eiser] genomen akte is onder meer opgemerkt dat zij geen andere stukken meer kunnen overleggen waaruit blijkt dat zij aan VGZ verantwoording hebben afgelegd omtrent de besteding van de door VGZ op grond van het toegekende PGB overgemaakte gelden, dan de stukken die door VGZ zijn overgelegd. Voorts is onder 8 aangevoerd dat [eiser] en zijn zuster nooit enige daad van zuivere aanvaarding van de nalatenschap van hun vader hebben verricht, dat “alles” bij de moeder is achtergebleven en dat, nadat de exacte omvang van de nalatenschap aan hen bekend is geworden, [eiser] en zijn zuster ter griffie van de rechtbank Arnhem een volmacht hebben gedeponeerd strekkende tot het afleggen van een verklaring dat zij de nalatenschap van hun vader verwerpen.

3.2.4

Bij antwoordakte heeft VGZ onder meer aangevoerd dat [eiser] en zijn zuster de nalatenschap niet meer konden verwerpen aangezien het feit dat zij tegen het verstekvonnis in verzet zijn gekomen in samenhang met het door hen vervolgens gevoerde verweer, heeft te gelden als daden van zuivere aanvaarding in de zin van art. 4:192 lid 1 BW.

3.2.5

De rechtbank heeft het verstekvonnis bekrachtigd. [eiser] en zijn zuster zijn van het vonnis in hoger beroep gegaan. Voor zover in cassatie van belang hebben zij aangevoerd dat de rechtbank de vordering tegen hen ten onrechte niet heeft afgewezen, nu zij de nalatenschap hebben verworpen. Ter toelichting hebben zij betoogd dat het voeren van verweer in de onderhavige procedure, waarin meer dan € 64.000,-- van hen wordt gevorderd, moeilijk als daad van zuivere aanvaarding kan worden beschouwd; “dit is alleen zelfbescherming”. Zij voegden daaraan toe:

“Men kan slecht van iemand, die een eis van een dergelijk fors bedrag om zijn oren krijgt, verlangen dat hij zich niet verweert en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank om zich vervolgens als een mak schaap naar de slachtbank te laten leiden.”

3.2.6

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, behoudens voor zover [eiser] en zijn zuster daarin hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling aan VGZ van het in hoofdsom gevorderde bedrag. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof [eiser] en zijn zuster veroordeeld tot betaling aan VGZ van de schuld van de vader naar rato van hun erfdeel ten belope van € 22.052,69 ieder, met rente. Het hof overwoog daartoe, samengevat weergegeven, als volgt.

Het gaat hier om voorschotten naar aanleiding van een toekenning van PGB-gelden. Geen verantwoording is afgelegd van de besteding daarvan. VGZ heeft derhalve op goede grond het goedgekeurde bedrag op € 0,00 gesteld, waardoor de rechtsgrond aan de voorschotbetalingen is ontvallen en het totale bedrag van € 64.370,08 onverschuldigd aan de vader is betaald. (rov. 3.10) De bijzondere wijze waarop deze betalingen met de budgethouder [de vader] zijn verknocht, verzet zich ertegen dat de betaalde voorschotten in de gemeenschap van goederen zijn gevallen waarin hij was gehuwd (rov. 3.12). [eiser] en zijn zuster zijn door VGZ aangesproken als erfgenamen van de nalatenschap van hun vader, waarvan deel uitmaakt diens schuld in verband met de vordering van VGZ wegens onverschuldigde betaling (rov. 3.13).

[eiser] en zijn zuster hebben bij akte na comparitie in eerste aanleg aangevoerd dat zij de nalatenschap rechtsgeldig hebben verworpen. Dit verweer faalt.
Zij hebben immers verzet gedaan tegen het verstekvonnis van de rechtbank en zijn vervolgens ter comparitie verschenen; bij die gelegenheid hebben zij zich verweerd tegen de vordering. Dit verweer, dat het standpunt impliceert dat [eiser] en zijn zuster als erfgenamen van hun vader aanspraak kunnen maken op de door VGZ onverschuldigd aan hun vader betaalde bedragen, was erop gericht om als erfgenamen te kunnen (blijven) beschikken over deze bedragen. Daarom dient het verweer te worden opgevat als een daad van stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap van hun vader. Aan de verwerping van die nalatenschap bij akte van latere datum komt derhalve geen betekenis toe. (rov. 3.14)

3.3

Van het arrest van het hof is alleen [eiser] in cassatie gekomen. Het middel is met rechts- en motiveringsklachten gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.14. Onderdeel 2.1.1 houdt in dat het voeren van verweer zoals [eiser] heeft gedaan, moet worden aangemerkt als een beheersdaad waaruit niet kan worden afgeleid dat [eiser] de erfenis stilzwijgend (zuiver) heeft aanvaard, temeer niet gelet ook op de (ten onrechte door het hof ongemotiveerd gepasseerde) stelling van [eiser] dat hij nooit iets heeft ontvangen van de door VGZ uitgekeerde bedragen. Om van een stilzwijgende aanvaarding van een nalatenschap te kunnen spreken is noodzakelijk dat daarover bij de wederpartij geen enkele twijfel heeft (kunnen) bestaan. Onderdeel 2.1.3 acht onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het verweer van [eiser] erop was gericht dat hij zou kunnen (blijven) beschikken over de door VGZ aan de vader uitgekeerde bedragen. Volgens onderdeel 2.1.2 heeft het hof bovendien miskend dat per erfgenaam moet worden nagegaan of de erfenis stilzwijgend (zuiver) is aanvaard.

3.4.1

Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.

3.4.2

Een erfgenaam kan een nalatenschap aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of onder voorrecht van boedelbeschrijving (art. 4:190 lid 1 BW). Een eenmaal gedane keuze is onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap (art. 4:190 lid 4 BW). Zuivere aanvaarding van een nalatenschap kan niet alleen uitdrukkelijk geschieden (art. 4:191 lid 1 BW), maar ook stilzwijgend (art. 4:192 lid 1 BW), dat laatste doordat een erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud gedraagt als een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.

3.4.3

In de T.M. bij art. 4:192 BW (Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 932) is onder meer opgemerkt dat het enige dat nodig is om van stilzwijgende aanvaarding van een nalatenschap te kunnen spreken, is dat de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als erfgenaam gedraagt.

In de MvA II bij deze bepaling (Parl. Gesch. Vaststellingswet Boek 4 BW, p. 933-934) is onder meer opgemerkt dat van zuivere aanvaarding geen sprake is indien de erfgenaam daden van beheer verricht. Van zuivere aanvaarding is wél sprake indien de erfgenaam over de goederen van de nalatenschap als heer en meester beschikt of wanneer hij, eventueel in een andere vorm dan een verklaring ter griffie, duidelijk aan de schuldeisers van de nalatenschap doet blijken dat hij de schulden van de nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt. Wanneer er twee of meer erfgenamen zijn, hangt het in beginsel van de gedragingen van iedere erfgenaam afzonderlijk af of hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.

3.4.4

In zijn arrest van 26 april 1968, NJ 1969/322, heeft de Hoge Raad overwogen dat het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om de erfenis stilzwijgend te aanvaarden, afhangt van de omstandigheden van het geval.

3.4.5

Opmerking verdient dat de enkele omstandigheid dat een erfgenaam ten behoeve van de nalatenschap optreedt in een procedure, niet zonder meer meebrengt dat hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt (art. 4:192 lid 2 BW). Dat optreden kan immers ook als een daad van beheer worden uitgelegd. Ook in dit verband hangt het van de omstandigheden af, of door dat optreden de erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam heeft gedragen.

3.5.1

De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het oordeel van het hof in rov. 3.14 dat onder meer [eiser] de nalatenschap van de vader stilzwijgend heeft aanvaard, is klaarblijkelijk gebaseerd op de in samenhang beoordeelde feiten en omstandigheden (i) dat VGZ [eiser] in zijn hoedanigheid van erfgenaam van de vader heeft aangesproken tot terugbetaling van voormelde voorschotbetalingen (zie hiervoor in 3.1 onder (v)), (ii) dat [eiser], toen nog samen met zijn moeder en zuster, met bijstand van een advocaat in verzet is gekomen tegen het verstekvonnis van de rechtbank, (iii) dat de verzetdagvaarding de hiervoor in 3.2.1 vermelde passages bevatte, (iv) dat [eiser] ter comparitie in eerste aanleg het hiervoor in 3.2.2 aangehaalde verweer heeft gevoerd tegen de vordering, en (v) dat klaarblijkelijk mede door of namens [eiser] ter comparitie het verzoek is gedaan om bij akte nog bewijzen van de (juiste) besteding van het PGB in het geding te mogen brengen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij verdient opmerking dat, anders dan de onderdelen aanvoeren, niet pas kan worden geoordeeld dat een erfgenaam de erfenis ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft aanvaard als daarover bij de wederpartij geen enkele twijfel heeft bestaan (zie het hiervoor in 3.4.4 aangehaalde arrest HR 26 april 1968, NJ 1969/322).

3.5.2

Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk gemotiveerd, ook niet in het licht van hetgeen hiervoor in 3.4.5 is vooropgesteld. Uit de hiervoor in 3.5.1 onder (i)-(v) aangehaalde feiten en omstandigheden, in samenhang beoordeeld, kon het hof afleiden dat ook [eiser] in zijn hoedanigheid van erfgenaam van de vader als heer en meester wenste te (blijven) beschikken over de door VGZ – naar inmiddels vaststaat: onverschuldigd – aan de vader betaalde bedragen. Uit het verweer van de erfgenamen volgt immers dat zij zelf nauw betrokken zijn geweest bij de besteding van de voorschotbedragen, terwijl bovendien een deel van de betalingen is verricht na het overlijden van de vader.

3.5.3

Hieraan doet niet af dat [eiser], zoals hij stelt, nooit iets heeft ontvangen van de door VGZ uitgekeerde bedragen. Het antwoord op de vraag of hij daadwerkelijk enig bedrag van de door VGZ onverschuldigd voldane voorschotbetalingen heeft ontvangen, is immers niet van belang bij de beoordeling of hij als erfgenaam de nalatenschap van de vader stilzwijgend heeft aanvaard.

3.5.4

Anders dan met name onderdeel 2.1.2 aanvoert, is het hof wel degelijk ten aanzien van iedere erfgenaam afzonderlijk nagegaan of de nalatenschap van de vader stilzwijgend is aanvaard, en is het meer in het bijzonder ook ten aanzien van [eiser] tot het oordeel gekomen dat dit het geval is. Dit onderdeel mist dus feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van VGZ begroot op € 2.552,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president W.A.M. van Schendel op 20 juni 2014.