Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1468

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
12/05525
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA1574, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2299, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2015:2161
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; art. 220, lid 2, letter b, CDW; een vergissing van de douane bij de afhandeling van één invoeraangifte wekt bij een beroepsaangever in beginsel niet het wettelijk te beschermen vertrouwen dat aan navordering in de weg staat voor alle nadien door de douane, zonder controle afgehandelde invoeraangiften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2014/31.8 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2014/1238
BNB 2014/213 met annotatie van M.J.W. van Casteren
FutD 2014-1421
NTFR 2014/1791 met annotatie van mr B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 juni 2014

nr. 12/05525

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 oktober 2012, nr. 11/00760, betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten.

1 Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende is bij één aanslagbiljet van 13 november 2007 uitgenodigd tot betaling van douanerechten. De uitnodigingen tot betaling zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 09/4180) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot twee invoeraangiften vernietigd, en de uitnodigingen tot betaling ter zake van de twee hiervoor vermelde invoeraangiften vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 7 mei 2013 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

Belanghebbende heeft gedurende de periode 12 november 2004 tot en met 26 juli 2006 elf aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van knoflooktenen (hierna: de knoflook). Belanghebbende heeft in de aangiften de knoflook omschreven als ‘bevroren knoflook’ en post 0710 80 95 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN) vermeld. Het betreft aangiften die op de hieronder vermelde data door de douane zijn aanvaard en afgehandeld.

eindcijfers aangiftenr.

datum
aanvaarding

datum afhandeling

wijze van controle

1.

3356

12-11-2004

17-11-2004

geen

2.

3421

16-12-2004

16-12-2004

geen

3.

3497

20-01-2005

20-01-2005

geen

4.

3553

18-02-2005

18-02-2005

geen

5.

3656

08-04-2005

08-04-2005

containerscan

6.

3671

15-04-2005

15-04-2005

geen

7.

3767

27-05-2005

30-05-2005

a.d.h.v. bescheiden

8.

4376

09-02-2006

09-02-2006

containerscan

9.

4438

30-03-2006

30-03-2006

geen

10.

4561

16-06-2006

16-06-2006

a.d.h.v. bescheiden

11.

4654

26-07-2006

26-07-2006

geen

3.1.2.

De douane heeft de hiervoor in 3.1.1 bedoelde aangiften achteraf gecontroleerd. Volgens het controlerapport, gedagtekend 23 mei 2007, werd de knoflook ingevoerd met temperaturen van 0,5°C, 1°C of 1,5°C. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat knoflook met die temperaturen geen bevroren knoflook in de zin van post 0710 80 95 van de GN is, maar gekoelde knoflook van post 0703 20 00 van de GN, hetgeen met zich brengt dat een hoger tarief aan douanerechten had moeten worden toegepast.

Hiervan uitgaande heeft de Inspecteur ter zake van alle elf invoeraangiften de meer verschuldigde douanerechten nagevorderd.

3.1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de uitnodigingen tot betaling op de grond dat de meer verschuldigde douanerechten ter zake van de elf aangiften in strijd met artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW zijn geboekt aangezien het eerder niet boeken van die rechten door de Inspecteur het gevolg is geweest van vergissingen van de douane zelf die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken.

3.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat bij de afhandeling van de invoeraangiften met de nummers 3767 en 4561 telkens sprake is geweest van een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW, aangezien de tariefpost door de douane aan de hand van bescheiden is gecontroleerd en op basis van die bescheiden op eenvoudige wijze had kunnen worden onderkend dat sprake was van een onjuiste tariefindeling. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur met betrekking tot deze twee invoeraangiften had moeten afzien van een boeking achteraf, aangezien aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW werd voldaan.

3.2.2.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat aan de hiervoor in 3.2.1 vermelde oordelen niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de Inspecteur zich ook met betrekking tot de andere aangiften heeft vergist in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW. Naar ’s Hofs oordeel werkt een bij de behandeling van een aangifte begane vergissing niet door naar daaropvolgende aangiften.

3.3.

Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4.1.

Het tweede middel, gericht tegen de hiervoor in 3.2.2 vermelde oordelen van het Hof, betoogt dat de toepassing van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW gerechtvaardigd is vanaf de invoeraangiften eindigend op 3656. Vanaf die datum mocht belanghebbende, aldus het middel, erop vertrouwen dat de knoflook met temperaturen van 0,5°C, 1°C of 1,5°C voor de berekening van de verschuldigde douanerechten terecht onder post 0710 80 95 van de GN is ingedeeld.

3.4.2.

Volgens artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW gaan de douaneautoriteiten niet tot boeking achteraf van douanerechten over indien aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. Om te beginnen moet inning van de rechten achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf, vervolgens moet de belastingschuldige deze vergissing redelijkerwijze niet hebben kunnen ontdekken, en ten slotte moet laatstbedoelde te goeder trouw zijn en aan alle bepalingen inzake de douaneaangifte hebben voldaan.

Deze drie voorwaarden zijn door het Hof van Justitie uitgelegd. Wat de eerste voorwaarde betreft heeft het Hof van Justitie diverse keren beslist dat artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW de bescherming beoogt van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan. Het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige is slechts vatbaar voor bescherming uit hoofde van dat artikel, indien het de bevoegde autoriteiten “zelf” zijn geweest die de grondslag hebben gecreëerd voor dat gewettigd vertrouwen. Enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven, geven recht op niet-navordering van douanerechten.

Wat de tweede van die voorwaarden betreft, moet bij de beantwoording van de vraag of een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten kon worden ontdekt, worden gelet op de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemers en de mate van de door hen betrachte zorgvuldigheid. De aard van de vergissing is ervan afhankelijk hoe ingewikkeld de betrokken regeling is of, andersom, of die regeling voldoende eenvoudig is, en hoelang de autoriteiten aan hun onjuiste zienswijze zijn blijven vasthouden.

Wat de derde voorwaarde betreft, is de aangever verplicht de bevoegde douaneautoriteiten alle in de gemeenschapsregeling en in de in voorkomend geval ter aanvulling of omzetting daarvan vastgestelde nationale regeling voorziene noodzakelijke inlichtingen te verschaffen voor de gewenste douanebehandeling van de betrokken goederen.

Vergelijk voor dit een en ander het arrest van het Hof van Justitie van 18 oktober 2007, Agrover Srl, C‑173/06, ECLI:EU:C:2007:612, punten 30 tot en met 33, en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

3.4.3.

Uit deze rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW zich niet uitsluitend voordoet indien de autoriteiten na een controle van een of meer douaneaangifte(n) geen bezwaar hebben gemaakt tegen de vermelding van een onjuiste tariefpost. Deze bepaling staat ook aan een boeking achteraf in de weg indien de autoriteiten in een eerder tijdvak voor soortgelijke transacties geen bezwaar hebben gemaakt tegen de achteraf gezien onjuiste vermelding van een tariefpost in de aangifte, dan wel indien de autoriteiten jarenlang zonder enige controle te verrichten een substantieel aantal douaneaangiften hebben aanvaard, terwijl die douaneaangiften alle voor de toepassing van de desbetreffende regeling vereiste feitelijke gegevens bevatten en deze gegevens juist waren in die zin dat bij een latere controle geen nieuwe gegevens aan het licht kwamen.

Uit vorenbedoelde jurisprudentie kan niet worden afgeleid dat het begrip ‘vergissing van de douaneautoriteiten’ zo moet worden uitgelegd dat uitsluitend de hiervoor omschreven handelingen of het hiervoor omschreven nalaten door de douaneautoriteiten een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW kunnen vormen. Met andere woorden die jurisprudentie laat naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is de ruimte om een andere handeling of een andere gedraging van de douaneautoriteiten als een vergissing in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW te beschouwen, mits de desbetreffende handeling of gedraging van de douaneautoriteiten een ‘actieve gedraging’ vormt als bedoeld in de hiervoor in 3.4.2 vermelde jurisprudentie van het Hof van Justitie.

3.4.4.

Het antwoord op de vraag of een ‘actieve gedraging’ van de douaneautoriteiten bij de belastingplichtige ook gewettigd vertrouwen wekt, dient vervolgens aan de hand van de tweede voorwaarde van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW te worden beoordeeld. De beantwoording daarvan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo kan gewettigd vertrouwen worden gewekt door het achtereenvolgens plaatsvinden van diverse ‘actieve gedragingen’ die, hoewel afzonderlijk beschouwd onvoldoende, in (onderlinge) samenhang beschouwd voldoende grondslag bieden voor gewettigd vertrouwen.

3.4.5.

Een vergissing met betrekking tot één enkele aangifte die is gecontroleerd aan de hand van bescheiden, heeft voor een beroepsaangever niet tot gevolg dat met betrekking tot daaropvolgende aangiften voor soortgelijke goederen met vrucht een beroep kan worden gedaan op artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW. In zoverre faalt het tweede middel.

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3, laatste alinea, is overwogen, slaagt het tweede middel, voor zover het betoogt dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Het Hof heeft nagelaten te beoordelen of alle door belanghebbende voor het Hof aangevoerde feiten en omstandigheden gezamenlijk een vergissing vormen als bedoeld in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW. Niet kan worden uitgesloten dat het handelen van de douane in dit geval het indelen van de knoflook onder post 0710 80 95 van de GN met betrekking tot een douaneaangifte die is gecontroleerd aan de hand van bescheiden, zodanig samenhangt met andere actieve gedragingen van de douaneautoriteiten dat uit dit handelen in samenhang bezien met de andere gedragingen de conclusie moet worden getrokken dat bij een beroepsaangever vertrouwen is gewekt als bedoeld in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW dat aan navordering in de weg staat voor nadien zonder controle afgehandelde aangiften.

3.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.5 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 466, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3226,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2014.